De Génestet/De protégé

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vreemdelingen

I. Protégé

Men heeft met eer en gunst mij overladen,
Beloofde hulp en voorspraak, gaf mij raden,
  En riep: „geduld, geduld maar, wees tevree,
    Want gij zijt onze protégé”
Intusschen, ik mocht goed geprotégeerd zijn,
Toch zou ik haast van honger gekrepeerd zijn,
  Zoo niet een brave, brave man in ’t end
    Mij had verlost uit mijne ellend.
Een brave, ja! want hij, hij gaf mij – te eten!
Daar zal mijn hart hem eeuwig dank voor weten;
  Hoe jammer dat ’k hem niet een kussen kan –
    Want ik ben zelf die brave man.