De Génestet/Idealen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Idealen

aan
W.S., Theol. stud.

Wat gij in uw liefste droomen
  Ooit in uw God hebt afgebeên,
’t Kerkje tusschen lindeboomen,
  ’t Vroolijk landschap om u heen;
Velden, die van welvaart ruischen,
’t Rookwolkje uit de bonte kluizen,
  Al de liefde van dat oord:
Op uw avondwandelingen
Kleinen, die zich om u dringen,
Grijsaards, luistrend naar uw woord.
Laat die toekomst–idealen,
  Van Gods zegen overstort,
Steeds uw weg, uw hart bestralen,
  Waar het somtijds donker wordt;
Zoo geen vriendlijke aangezichten
Meer ’t gezellig pad verlichten,
  Eens met bloemen overspreid, –
Zoudt gij schromen, zoudt gij vrezen? –
Mag de weg niet eenzaam wezen,
  Die u naar uw dorpje leidt?