De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Abraham Bloemaart
| ← Adriaan Nieulant | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Tobias Verhaegt → |
[ 43 ]De Bloemen, welke met hare menigerhande schoone gestalten, aangenaame koleuren, en verkwikkende geuren, de hooven sieren, en het oog der aanschouwers verlustigen, ontspruiten in ’t prilste van den Zomertyd; maar onze ABRAHAM BLOEMAART, een der schoonste en welriekenste bloemen in den bloemhof der Konst, ontlook in den guuren wintertyd, ontrent Kersdag in ’t jaar 1564. binnen Gorkom. Hy was een konstig Bouw- en Vestingbouwmeester en zyn Vader een Beeltsnyder, zeit K. de Bie by vergissing. Dog van Mander zeit: zyn Vader Kornelis Bloemaart genoemt verstont zig op de Bouw, en Vestingbouwkunde, daar beneevens was hy een Konstig Beeldsnyder. ’t Is klaar dat de Bie (die ’t levensbedryf uit van Mander ontleent heeft) in ’t naschryven geen genoegzame acht heeft gegeeven. Van Mander geeft reden waarom zyn Vader uit zyne geboortestad Dordrecht met ’er woon naar Gorkom vertrok, van daar naar ’s Hartogenbosch, van daar weer naar Uitrecht, hoe dat onze A. Bloemaart van Parys ’t huis gekomen, van Uitrecht te Amsterdam kwam wonen met zyn Vader die aldaar voor Stadts Bouwmeester is aangenomen geworden. Na des Vaders overlyden keerde Bloemaard weder naar Uitrecht. En hy is (zeit de Bie) [ 44 ]over drie of vier Jaren eerst gestorven. Alsmen 4 Jaren aftrekt van 1662 (wanneer zyn Boek gedrukt is) zoo komt het uit op 1658. Dog het is niet te denken, dat hy dus oud zouw geworden zyn. Dus moet men het zeggen over 3 of 4 Jaren, nemen op den tyd als hy dit boek schreef, dat veel Jaren kan geweest zyn eer het ter drukpers kwam, en over zulks deze rekening onzeker is. Doch dat hy een oud man geworden is, blykt uit het Rym, waar in men aldus leest: De Dood had hem gespaart omtrent de hondert Jaren.
Wat Meester hy tot onderwyzer in de Konst gehad, en wat voorname stukken hy gemaakt heeft, en welke noch van hem te zien zyn, kan in van Mander nagelezen worden op p: 209. die daar in met de Bie verscheelt dat hy verscheiden Meesters met namen optelt, waar by Bloemaart geleert zou hebben, d’andre daar en tegen zeit:
Meest heeft hy uit den geest dees Konst alleen bekomen
En zonder onderwys .....
Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat C boven de beeltenissen van Elshaimers en Ad. van Oort.
Hy heeft drie Zonen naargelaten die mede de Konst hanteerden.
HENDRIK, d’oudste, had de Schilderkonst by zyn Vader geleert, doch weinig van zyn geest en aart overgeerft, ook geene bekwaamheit om met de Waerelt te konnen omgaan, waarom Sandrart geestig van hem zeit: Hy heeft zyn gelukskogel niet vernuftig genoeg weten voort te schieten, en dus is het afzetzel van die schoone Bloem verstikt. In de tweeden, Adriaan [ Plaat C ]
KORNELIS de Jongste had zig ook tot het schilderen begeven, maar verwisselde ’t penceel voor ’t graafyzer , naardien zyn natuur daar toe meer geneigt was. Hy leerde de behandelinge van ’t graafyzer by Krispyn van de Pas: en kwam in korten tyd zoo veer dat hy verscheiden platen, zoo naar teekeningen van zyn Vader, als van anderen in koper sneed, waarvan de drukken noch onder de liefhebbers van Printkonst in agting zyn. Hy vertrok om gelegentheit tot het maken van grooter werken te hebben eerst naar Parys en van daar naar Romen, daar hy veel heerlyke Printen na Schilderyen van de geachte Italiaansche Konstschilders gemaakt heeft. Zyn Vader die groote geneigtheit had om hem voor zyn dood noch eens te zien, ontbood hem; maar het overkomen werd van hem zoo lang van den eenen tot den anderen tyd verschoven tot dat zyn Vader stierf, en hy toen voornemens wierd daar te blyven. En stierf’er in grooten ouderdom.