De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nikolaas Berchem
| ← Theodoor Helmbreker | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Jan en Andries Both → |
[ 109 ]NIKOLAAS BERCHEM. Deze gestorven in ’t jaar 1683, als ons aan zyn begraafnisbriefje gebleken is, toen ruim 60 jaren out, wees ons het spoor tot zyn geboortejaar 1624.
Van velen wort gezeit dat zyn bynaam Berchem by deze gelegentheit zynen oorspronk heeft genomen. Hy al lang de konst geoeffent hebbende, en de Uchtentstralen van zyn Konstson zig al verspreidende, wierd van zin een reis ter Zee te doen, tot welken einde hy zig niet alleen had aangegeven, maar was ook al aan boord gekomen. Wanneer nu de monstering van ’t Scheepsvolk gedaan zouw worden, werd hy van den Stuurman (die hem kende) gezien, welke tot hem zeide: Wat wilt gy gaan beginnen? ’t waar jammer daar gy een Jongman zyt van goede hoop en reeds [ 110 ]zoo veel Konst bezit, dat de zelve hier door in hare geboorte zoude smoren. Hy ried hem vorders zyn voornemen door veel reden af, en liet hem van ’t Volk in de Sloep die aan boord lach, wech stappen, om van den Monstermeester niet gezien te worden zeggende tegens het volk Berg-hem. Dit werd eerst van de genen, die zulks wisten, voor een spreekwoord gehouden, en naderhant in een toenaam verwisselt, dien hy tot het einde van zyn leven gehouden, en zig zelven daar mee benoemt heeft.
Anderen willen dat zulks by gelegentheid van Brant is ontsproten, ter oorzake dat ’er geroepen wierd, (hy toen noch een kind zynde) Berg-hem. Wat van beide nu de Waarheit is, kan ik niet zeggen. De vertellingen hebben my alleen aanleyding gegeven, om den toevalligen oorspronk van zyn Naam te wyzen. Egter zou men uit het een en andere konnen besluiten, dat hy zyn Ouders vroeg verloren heeft, of dat op hem geen naauwe toezigt is gehouden, om zyn welwezen te bezorgen. Dog de Ridder en Karel de Moor heeft my verzekert dat die bynaam oorspronk genomen heeft, by gelegentheid dat hy het grof verkerft hebbende, zyn Vader die een haastig Man was, hem naliep tot in ’t huis van zyn Leermeester J. van Gojen, dreigende hem den kop in te slaan, waar op van Gojen tegen zyne andere leerlingen zeide: Berg hem, terwyl hy den Vader tegen hielt, en in zyn oploopentheit stuitte.
Hy was de Zoon van Pieter Klaasze van Haarlem, die eerst Visschen, naderhant kleene stukjes schilderde, daar doorgaans een tafeltje in kwam met allerhande soort van suikerbanket, in [ 111 ]een zilvere schaal of porceleine schotel enz. Behalven zyn Vader die een gemeen Schilder was, heeft onze Berchem verscheiden brave Meesters tot zyn onderwyzers in de konst gehad: als Jan van Gojen, Klaas Mojaart, Pieter Fransze Grebber, Jan Wils, en eindelyk zynen Neef Giov. Babtist Weeninx; welke alle zig vereert gehouden hebben, datze zulk een helder licht in de konst hebben ontstoken: gelyk hy ook weer heeft konnen roemen op menigte van leerlingen die door zyn onderwys tot groote meesters in de Konst opgegroeit zyn.
Hy werd inzonderheit in opzicht van zyne leerwyze geroemt, als ook dat hy de jeugt byzonder wist tot yver aan te sporen, waar toe hy in ’t gemeen spreuken en vaarsjes aan de hand had, als ook dit:
Nimmer moet g’ u zelf, Gezellen!
(Schoon in ’t leeren moeiten steekt,
En g’er veeltyts ’t hooft mee breekt;
’T wyl een ander leegloopt) kwellen,
Of het yv’ren laten staan:
Denk: ik zal weer loon ontfangen
Voor myn moeite, en roem erlangen,
Wanneer d’andere beedlen gaan.
Daar benevens was hy minzaam, beleeft, en van een onbesproken wandel: Ja een Man van uitstekende naarstigheid: dit niettegenstaande kon zyn lieve Huisvrouw de Dochter van den braven Lantschapschilder Jan Wils, (wanneer hy in grooten yver aan zyn werk stil zat te arbeiden, en zy geen geritzel van hem hoorde) zomtyts wel met den stok van een raagbol van onder tegen de zoldering [ 112 ]aan bonzen, om hem, zoo hy voor zyn Ezel mocht in slaap gevallen wezen te wekken, ja zy hield hem doorgaans zoodanig ontbloot van gelt, dat hy ziende zomtyts fraje printen te koop, waar toe hy geneigt was, als zyn Vrou geen goeden wil had om ’t hem te schieten, het gelt van zyne Discipelen daar toe leende; en wanneer hy een stuk schilderye verkogt, daar zy de neus niet over had, dan zoo veel van de som afkneep, om die schult buiten haar weten te betalen, om dus alle onlusten voor te komen. Ik denk schier dat die goeje Man het boekje wel mocht gelezen hebben, daar Doudeins in zyn Haagsche Merkurius van den 1 Nov. 1698 van melt, dat voor de tweedemaal onder de pers was; te weten: De Weer-Wyzer der Vrouwen, zeer dienstig voor de getroude Mans die haar Engelen naar de oogen zien, om te weten hoe ’t hooft staat.
Hy was zoodanig geneigt tot konstige teekeningen van Italiaansche en andere Meesters, dat hy niet rusten kon, voor en al eer hy bezitter daar van was. Niet minder lust had hy tot printkonst, want Jan Pieterze Somer heeft my verhaalt, dat hy voor een print van Rafael Orbyn, 60 Gulden dorst besteden. Dit was de Kindermoord met den Sparreboom. Waar door ook van zyn naargelaten papierkonst, welke kort na zyn overlyden in ’t Jaar 1683 tot Amsterdam verkogt werd), een brave som Gelt gekomen is.
Hy was byzonder naarstig, gelyk wy gezeit hebben, daar by vaardig in ’t schilderen, en al ’t geen hy maakte was meestentyt verkogt, eer hy ’t gemaakt had. Justus van Huisum, die in den jare 1665 by hem de Konst leerde, heeft my gezegt, dat hy in dien tyd een lange wyl voor een Heer [ 113 ]schilderde die hem 10 gulden daags gaf, en dat hy van ’s morgens vroeg tot 4 uuren naa den middagh gemeenlyk voor den Ezel zat, en ’t zelve met zoo veel genoegen en vermaak deed, dat hy ’er somwyl een deuntje onder zong. Ook getuigen die hem hebben zien schilderen, dat hy schilderde of hy ’er mee speelde, ’t geen ook aan de dartele penceeltoetzen overal in zyne werken te zien is.
Daar en boven is te verwonderen, dat, daar hy zig byna alles te schilderen heeft ingelaten, egter elk ding op zig zelve zoo goed in zyn soort is dat het ’t zamengevoegt zynde, bezwaarelyk is te seggen tot welk van ’t zelve zyn penceel bekwaamst was.
Alleen heb ik opgemerkt dat hy in zeker groot stuk (daar Mattheus van den tol geroepen word tot het Apostels ampt) tot de doode Jachtdieren en Vogelen zig van Gio. Babtista Weeningx penceel heeft bedient. Dit stuk is jegenwoordig in handen der erfgenamen van den Konstlievenden Heer Lamb. van Hairen te Dordrecht, en is vol beelden woelig, en groots van ordonantie en gebouwen, als ook sierlyk door het bywerk en verschiet.
Maar boven al is te verwonderen, dat een Man die zoo veele stukken geschildert heeft, zoo menigvuldige veranderinge van schikkingen en voorwerpen (zoo dat geene naar elkander gelyken) heeft weten te bedenken. De Borgermeester vander Hulk te Dordregt liet hem een groot stuk schilderen, verbeeldende een bergagtig Lantschap met Ossen, Koeyen, Schapen, Beelden enz. ’t geen als nog by desselfs Erfgenamen hangt, en voor een van zyn beste penceelwerken geschat wort. Te gelyk bestelde hy ’er een aan van Jan Both, belovende aan elk 800 gulden, en een present daar boven voor die zig [ 114 ]best gekweten had. Wanneer zy nu, die stukken gedaan zynde, dezelve nevens malkander vertoonden: zeide hy, Elk van u heeft zyn vleit getoont, en gaf aan elk een geschenk. Dit is het rechte middel om den yver in de Konstenaars op te wekken: maar raakt thans buiten gebruik.
Hy is in ’t jaar 1683 op den 18 van Sprokkelmaant gestorven, en op den 23
begraven in de Wester Kerk te Haarlem.