De Maasbode/Jaargang 33/Nummer 7273/Van Kunst en Historie

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Van Kunst en Historie
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 15 november 1900
Titel Van Kunst en Historie
Krant De Maasbode
Jg, nr 33, 7273
Editie, pg [Dag], [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Van Kunst en Historie.

      † Een projectiel.

      Dr. Schaepman heeft beloofd over het nieuwe tijdschrift en de moderne kunst eerstdaags zijne meening te zeggen.
      Alvast doet hij in zijn jongste Chronica echter de volgende vraag:

      Behoort het tot de moderne kunst, dat zij aanvisgt met moderne beeldstormerij?
      De toon, waarop de heer Th. Molkenboer de gothiek en de gothiekers te lijf gaat en ieder, die niet bij zijn St. Georgsvaan wil zweren als „conservatief” buiten het perk jaagt, doet mij dit vreesen
      En dit vervult mij met vreeze, niet voor de gothiekers, niet voor de conservatieven, maar voor de moderne kunst.
      Kunst is geen polemiek, kunst is geen bespiegeling, kunst is daad.

      Het staat zeer te bezien, of zelfs dit projectiel de overmoedig voortrennende schare der nieuweren tot een pas achterwaarts zal dwingen.
      Met zijn metalen geluid, waarin de warme toon der vriendschap overigens niet gemist werd, heeft immers de doctor reeds voorlang een poging gewaagd om de jonge geestdrift vast te leggen.
      Echter tot nu toe zonder vrucht.
      En dit is licht te vatten.
      Want al weet men aan die zijde opperbest, dat dr. Schaepman niet met een pruik van drie verdiepingen langs den weg loopt, men blijft in hem niettemin zien een artist van de oude garde.
      De oude zuurdeesem, de literaire wel te verstaaa, werkt en woelt hem naar het begrip van sommigen nog al te fel door het bloed.
      ’t Is hem zelfs door jongeren gezegd.
      Wel zeer complimenteus en met angstig bewerkte phrasen, maar dan toch gezegd.
      Zal hij dus niet bij voorbaat als rechter worden afgewezen?


      † Kunst of drukproef?

      Zoo we ’t voor ’t zeggen hebben, zouden we gaarne de nieuwe letterproducten een weinig meer correctheid en keurigheid verlangen.
      Zoowel in den stijl als in den bouw der phrase.
      Reeds het gewone technische lezen mag toch geen torment worden voor den geest.
      En heeft mej. Viola niet als eersten eisch van literaire kunst gesteld, dat ge »klaar en precies zult uitzeggen” enz....
      Maar bij tientallen zijn ze te vinden in het nieuwe tijdschrift, zinnetjes als deze:

      1. Toen men het kleed aantastte dat hùn kunst dekte — en welke kunst — meende men dat die modernen zich aan de kunst vergrepen, en voor alles moest dàt als een daad van vandalisme — alléén uit een zucht òm te verdelgen ontstaan — worden gebrandmerkt.
      2. Maar als ge uw indrukken goed weet te ontleden dan zult ge gemerkt hebben dat alles op één schoonheid wijst op de schoonheid zelf.
      3. En dat we, om dien specialen, nieuwen kant van de eenige schoonheid in onze werken te doen weerspiegelen van andere, meer met die nieuwe fraaiheid in overeenstemming zijnde middelen moeten gebruik maken.

      Al deze volzinnen kenmerken zich door eene haast absolute afwezigheid van leesteekens en eene zekere gewrongenheid, die dateert uit den tijd, ver voor ’80.
      Hier is geen rustigheid van geest, maar wilde kunst.
      Wat zeggen we, kunst?
      ’t Is veeleer een drukproef, die zoo versch van den zetter komt.
      Een smulpartij voor een dagblad-corrector....
      —      —      —      —      —      —      —      —      —      —      —      —
      Iets wat ons te bedenkelijker voorkomt, daar de heer Molkenboer, aan wien wij deze volzinnen ontleenen, zelf zegt in zijn artikel over Kunst: Eea mooie nieuwe vorm zal de meeste kans geven dat ze een mooie kern omsluit....


      † Kunst is daad.

      Kunst is geen polemiek, kunst is geen bespiegeling, knnst is daad, hooren we zooëven dr. Schaepman zeggen.
      Zoo daar onder ons ééne persoonlijkheid is, in wie dit woord vleesch en bloed geworden is, dan voorzeker in den grootmeester onzer nationale en kerkelijke bouwkunst, dr. Petrus Josephus Hubertus Cuypers.
      Over het hoofd van dezen man, het venerabele, grijze hoofd, zwaar van de lauwertakken der kunst, is eenmaal heel veel smaad gegaan.
      Maar we weten niet, dat hij zijn kunst ooit heeft neergelegd of verdedigd in strijd- of verweerschrift.
      Hij wilde zijn gang op de groote heirbaan der kunst niet vertragen door af te breken of te smalen op anderen.
      Zijn kunst was geen polemiek.
      Maar ook geen bespiegeling.
      Hij sloot zich niet op in een stelsel, al werd dit door velen geloofd.
      Hij mijmerde niet op geometrische figuren, alleen om de schoonheid voor zich te houden of de wetenschap te dienen.
      Neen, zijn kunst was voor alles daad.
      Hij zag in de verweerde altaarbogen het eeuwenoude maar nog zoo kerngezonde beginsel der kunst, en hij draalde niet.
      In de ranke steengevaarten, die in veler oog daar stonden als sarcophagen uit ouden tüd, hoorde hij nog het leven bruisen als een machtigen stroom, het volle, rijpe, bloeiende leven der kunst, der kunst aller tijden.
      En met rappe, zekere hand, zonder om te zien, greep hij dat leven en dat beginsel vast, dat beginsel omzettende in groote daden, dat beginsel ontwikkelende in eindelooze schoonheid van vormen.
      Toute forme qui n’est pas indiquée par la construction doit être rejetée.
      Met dezen opzet ging hij heen door het leven, nadat dit woord hem geworden was als eene openbaring op zijn weg, toen hij nog geboeid lag in de strikken van het classicisme.
      Het werd hem als een licht, ook voor den nieuwen tijd.
      Hij heeft ons dus niet teruggezet naar de middeleeuwen.
      Wat er volheerlijks besloten ligt in het oude schema, de schoonheid naar rechte regelen, ze is weer opgebloeid in onze monumenten, ze heeft haar rijke vormen, haar gratie en haar kracht weer uitgestrooid te midden onzer moderne steden, onzer polders en landouwen.
      En nu is het te denken, dat deze man zal gemeesmuild hebben, toen hij in dit uur de revolutionaire kreten hoorde van hen, die uit naam der moderniteit de gothieke schoonheid uit onze kerkgebouwen willen wegbezemen....
      Want in het genie van dezen man is geen plaats voor oud of nieuw.
      En geheel hem uit het hart gegrepen zijn daarom de versregelen, die hij neerschreef in de zaal zijner woning:

Studeert op het oude,
Opdat gij ’t onthoude
En kraghten meught winnen
Om ’t nieuwe te ontginnen.

      Studeert op het oude....
      Want daar is in dat verledene nog zooveel verborgen schoonheid, die den jongeren nog nimmer onder de oogen kwam!
      En die ook hun als een revelatie zal zijn voor den nieuwen tijd.


      † Aan Kruger.

      François Coppée wijdde daar pas de volgende versregelen aan den president der Z. A. Republiek, op diens reis naar Europa:

Donc la France n’est pas le but de ton voyage,
Donc, ce n’est pas à nous que tu penses en mer,
Indomptable vieillard, ô stoïque Krüger,
Sacré par le malheur, par l’exil et par l’âge.
Jadis, à tout proscrit, à tout persécuté,
La France ouvrait ses bras comme une tendre mère.
Pour nous, ses fils déchus, quelle tristesse amère
Qu’elle ne t’offre pas son hospitalité!
Ta vas la traverser, mais l’ignoble police
Ecartera le peuple accouru sur tes pas.
Passe vite, Krüger! Tu ne comprendrais pas
Que des tyrans du jour il n’est pas le complice.
Passe vite! A cette heure, ainsi qu’un vil troupeau,
Il obéit à l’ordre infamant, d’être lâche,
On brise son essor vers toute noble tâche,
Et la honte pâlit les couleurs du drapeau.
Passe! La pauvre France est toute endolorie
Du poison qui la rouge et qu’on lui verse encor.
Passe! Tu pourrais voir se dresser le Veau d’or
Où jadis s’élevait l’autel de la Patrie.
Passe, mais ne sois pas injuste dans ton deuil,
Devant toi, grand vaincu, sous le joug qu’il secoue,
Tout Français rougira. Que ce sang sur sa joue
Te rappelle le sang de Villebois-Mareuil!
Sache bien que nos cœurs ne sont pas si débiles,
Qu’ils ont frémi devant le combat inégal
Où css héros, les fiers paysans du Transvaal,
De tous leurs défilés ont fait des Thermopyles.
Et, quand tu passeras parmi sous, redis toi
Que pour nous tous ta cause est auguste et sacrée.
Si l’Europe fut lâche et s’est déshonorée,
N’accuse que les chefs; les peuples sont pour toi.
Et le penple français surtout! Non cette clique,
Ce parlement pourri, ces ministres tremblants
Qui, pour ton infortune et pour tes cheveux blancs,
N’ont pas d’asile en leur soi disant république!
Mais le peuple, moi, tous!... Ah! notre bon renom
D’autrefois, qu’en ont fait nos maîtres? Quel supplice!...
Tu passes, grand vieillard, en demandant justice,
Et l’Histoire écrira que la Erance a dit non.

      De overigens billijke verontwaardiging heeft Coppée hier vervoerd tot een hard oordeel over de republikeinen van zija land, tot een vonnis, dat om den vorm wel eenigzins deze verzen ontsiert.
      Maar ze heeft tevens in den zanger de dichtervlam hoog aangeblazen en hem geïnspireerd tot eenige strophen, die niet verwelken zullen, ook niet wanneer de sombere tragedie op gindsche, van bloed bedropen slagvelden reeds lang zal zijn afgespeeld.