De Maasgouw/Jaargang 1/Nummer 13/Bijdrage tot de geschiedenis der heksenprocessen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijdrage tot de geschiedenis der heksenprocessen
Auteur(s) J.B. Sivré
Datum 27 maart 1879
Titel Bijdrage tot de geschiedenis der heksenprocessen. (Slot)
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 1, 13, 49-50
De Maasgouw vol 001 no 013 p 049.jpg
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[49]


[...]


BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER HEKSENPROCESSEN.

(Slot).

      Niet overal echter ging men met dezelfde gestrengheid te werk om het reeds gemelde voorschrift van den Aartshertog van 10 April 1606 op te volgen. De schepenen van Venlo verzetteden zich zelfs. Johan Roemer, schout aldaar, had in September 1614 zekere Barbara Vresen gevangen genomen en eischte bij het geregt torture, om verder naar regten te procedeeren. De beschuldiging bepaalde zich tot dezelfde ongerijmdheden als in andere gevallen van dien aard voor den dag gebragt werden. Zij had jaren lang in het gerucht van tooverij gestaan en was door sommige lieden als eene tooveres gescholden en geschuwd. Zij had sommigen, met eenen slag op de schouders, tot eene kwijnende ziekte gebragt, waarvan zij gestorven waren: van andere had zij de beesten, paarden, koeijen, varkens betooverd. Er waren suspecte zwarte katten gezien, die een gerucht gemaakt hadden, als of de straat vol duivelen was, enz. Hare aanhouding was geschied op bevel van het hof te Roermond, met last aan de schepenen van Venlo, om de beklaagde ter scherpe examinatie te stellen, in tegenwoordigheid van een der raden van het hof en van den momber. Schepenen weigerden en beklaagden zich bij den Aartshertog dat zij door deze manier van procedeeren tegen stad- en landregt, en tegen hunne privilegiën bezwaard werden. Het hof, beweerden zij, had geen regt zich te mengen in regtsgedingen als deze, ten minste niet in eersten aanleg: zulks behoorde aan de schepenen van de plaats, waar de beschuldigden hunne woonplaats hadden of waar het misdrijf was bedreven. Het hof gaf echter voor, dat er, volgens de kanselarij-ordonnantie, zekere delicten waren, die ter kennisse van den hove stonden en dat de momber zulke misdadigers en kwaaddoeners terstond konde aantasten; het crimen laesae majestatis divinae et humanae behoorde er zonder twijfel toe, gelijk de momber, te Roermond en elders, reeds onderscheidene malen ettelijke tooveressen had geapprehendeerd en te regt gesteld. (1).
      Bij besluit echter van den 18den September 1614 deed de Aarsthertog uitspraak in het geschil en bepaalde dat het regt om de zaak van Barbara Vresen te onderzoeken en daarover regt te spreken, uitsluitend aan de schepenbank van Venlo behoorde; van welk besluit aan het hof zoude kennis gegeven worden met het verzoek om zijne informatien tegen de beschuldigde aan die bank in te zenden (2). Schepenen deden derhalve dat onderzoek, met het gevolg dat de beklaagde op den 6den November uit de gevangenis ontslagen werd, onder belofte van de stad niet te zullen verlaten en onder borgtogt der goederen van haar en haren man. De schout protesteerde, en het hof begreep dat schepenen niet waren te werk gegaan amore justitiae (uit liefde van het recht) maar in favorem apprehensae (ten gunste der gevangene). Daarbij schijnt het gebleven te zijn. (3),
      Van dien tijd af hebben de beschuldigingen en vervolgingen van dien aard in Roermond niet meer plaats gehad, ten minste wij vonden daarvan geene sporen meer; wij moeten dit toeschrijven aan de pogingen van geleerde en weldenkende menschen, die hunne stem daartegen verhieven en nuttige werken schreven om die heksenprocessen te bestrijden.
      Zoo schreef de verlichte en menschlievende pastoor, Jacob Valck, van Groessen, een dorpje bij Zevenaar, in 1559 een klein maar waardig boekje, dat in 1598 te Hoorn gedrukt werd; het voert den titel: Tooveren, wat dat voor een werk is, en is ingekleed in den vorm van zamenspraken. Twee buurvrouwen ontmoeten elkander op den weg; de eene klaagt dat haar man en hare beesten betooverd zijn en zegt dat zij uitgaat om eene harer buurvrouwen, als de heks, aan te klagen. De andere vrouw geeft haar den raad om liever naar den pastoor te gaan, zijnde een man van jaren en ondervinding, begaafd met wijsheid en godsvrucht, met zachtmoedigheid en liefde; en nu wordt deze raad opgevolgd. De pastoor verlangt haren man te zien, en na alles onderzocht fe hebben, verklaart hij, dat zij beiden betooverd zijn, maar alleen door zich zelven. Zij hadden hun gezond verstand niet naar den eisch gebruikt, de voorschriften van de godsdienst niet nagekomen en liefdeloos gehandeld, door met ergdenkendheid over anderen te oordeelen. Hij verklaart vervolgens hen wel te willen en ook te kunnen genezen, indien zij zich aan zijne leiding willen overgeven. Dit gebeurt; en nu wendt hij in verscheidene zamenkomsten zijne leeringen ten goede aan, vergezeld van gebeden en voorschriften, alles ten betooge, dat de duivel geen vat heeft op de reinen van harte. Op het einde gaan beide vrolijk en welgemoed naar huis, en erkennen met berouw hunne schuld tegen de verdachte en miskende buurvrouw (1).
      Ook Johannes Wier, in het jaar 1515 te Grave geboren, tot in 1552 stads doctor te Arnhem en daarna lijfmedicus van den hertog van Kleef en Berg, heeft zich, ter bestrijding van het kwaad, zeer verdienstelijk gemaakt; zijne eerste verhandeling de veneficis et sagis (over giftmengers en toovenaars) was met het bepaalde oogmerk geschreven


      (1). Nijhoff, Bijdragen voor Vaderl. geschied- en oudheidkunde, nieuwe reeks, deel I, bladz. 209.
      (2). Het origineel van deze uitspraak, op perkament, bevindt zich in het archief van Roermond.
      (3). Nijhoff, loco citato.
      (1). Scholtema. Geschiedenis der Heksenprocessen, bladz. 151.


[50]


– 50 –

om aan te toonen dat de misdadigers door vergift veel verschilden van dezulken die beschuldigd werden door tooverij nadeel aan te brengen. Door zijn tweede en voornaamste werk onder den titel: de Praestigiis Dœmonum et incantationibus ac veneficiis (over de kunstenarijen der duivelen en over de betooveringen en vergiftingen) heeft hij zeer veel bijgedragen om deze processen te keer te gaan.
      De groote slag werd echter toegebragt door den geleerden Jesuit [[Sc|Frederik von Spee}} in zijn werk getiteld: Cautio criminalis seu de processibus contra sagas, dat in 1631 voor het eerst verscheen en door een landgenoot vertaald werd onder den titel « Waarborg om geen kwaad halsgeregt te doen, dat is, een boek vertoonende hoe men tegen de toovenaars procedeert; welk werk den grootsten bijval verworven heeft.
      Thans wordt de misdaad van tooverij in geene der nieuwe wetboeken meer aangetroffen of met straf bedreigd, om de eenvoudige reden dat zij voor onmogelijk gehouden wordt; onder de laagste standen, vooral ten platten lande, is dit bijgeloof echter nog niet geheel geweken, niettegenstaande verlichting, beschaving en ontwikkeling ook bij die standen is doorgedrongen. Hoe dikwijls hoort men nog gewagen van eene kwade hand, die zich over den een of anderen persoon heeft uitgestrekt, van kransjes van veeren, die in de hoofdkussens worden aangetroffen, van koeijen die betooverd worden, zoodat de melk bedorven of ongeschikt wordt om er boter van te kunnen kernen, en dergelijke meer. Laat ons hopen dat weldra door een meer algemeen en helder onderwijs de laatste sporen van dit bijgeloof van de aarde zullen verdwijnen.

J. B. Sivré.

Overige vindplaatsen[bewerken]