De Telegraaf/Jaargang 12/Nummer 4468/"Allerzielen" (I)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
„Allerzielen (I)”
Auteur(s) Henri Borel
Datum 26 december 1904
Titel „Allerzielen”
Krant De Telegraaf
Jg, nr 12, 4468
Editie, pg 4-uur-editie, 2
Opmerkingen Eerste deel van de recensie van het toneelstuk "Allerzielen" van Herman Heijermans,[1] première op 24 december 1904 in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam.
Genre(s) recensie
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

„Allerzielen”.

I.

Een zinnebeeldig spel in 3 bedrijven van Herm. Heijermans Jr. (Nederlandsche Tooneelvereeniging).


De heer Heijermans heeft, niet zoo heel lang geleden, geschreven, dat men een literair tooneelstuk in Holland niet mag beoordeelen naar het spel, naar wat de acteurs er van maken dus, maar dat men het eerst aandachtig dient te lezen. Vooral waar het "zinnebeeldige" kunst geldt, ben ik dit geheel met hem eens, maar daar de heer Heijermans niet gezorgd heeft, dat zijn nieuwe tooneelstuk vóór de opvoering in druk verscheen, en hij ook geen kopie er van vooraf aan de pers gestuurd heeft, kan het nu eenmaal niet anders, of een tooneel-verslaggever van een blad, die de opdracht van zijne redactie krijgt, er over te schrijven, moet voorloopig afgaan op den indruk, dien de première op hem maakte. Zoodra het stuk in druk is verschenen, zal ik het nog eens aandachtig lezen en – zoo mij dit noodig mocht lijken – dit artikel aanvullen of wijzigen.

"Zinnebeeldig spel" staat op het programma, en de verslaggever weet, dat hier voet-angels en klemmen liggen. Wat is er al niet geredeneerd over het zinnebeeldige in Ibsen bijv.! Déze vond dit er in, géne dat, en op 't laatst krijgt het zoowat van een raadsel of een puzzle, waar je niet uit kunt komen. "Dit is het", zegt de een; neen, "dát hoor", zeggen anderen, en op 't laatst komt de auteur zelf met een leuk gezicht en roep: "ezels! zien jullie nu niet, dat het zóó was?" Het publiek schreeuwt dan: "hè ja!" en bewondert het nieuwe ei van Columbus, dat onder het stuk verborgen lag.

Op gevaar af van voor een oningewijde, een outsider te worden gehouden, durf ik wel allereerst te verklaren, dat ik maling heb aan die symboliek, en geen aanleg voel voor de betrekking van raadsel-redacteur in de kunst. Ik vraag alleen emotie aan een kunstwerk, dus ook aan een tooneelstuk, schoonheids-emotie. Krijg ik die emotie er van, dan vind ik het stuk goed, zoo niet, dan noem ik het slecht, en daarmee uit. De emotie is de hoofdzaak, en láter, als ik thuis zit, en van die emotie tot kalmte ben gekomen, ga ik pas trachten, die nu bezonken ontroering te ontleden en na te gaan, hoe dit stuk mij zoo heeft kunnen emotioneeren, door welke middelen. En dan komt de symboliek, zoo zij er is, van zelve wel tot klaarheid.

"Allerzielen" nu heeft mij niet ontroerd, en geen schoonheids-emotie gegeven. Natuurlijk is dit een subjectieve verklaring; ik wil er volstrekt niet mee zeggen, dat het stuk daarom per sè niet mooi is; enkel, dat ik, voor mij, het niet mooi vond, omdat het mij niet ontroerd heeft.

De zaal was stampvol. "Tout Amsterdam y était" zou een Parijsch blad zeggen, en de pers uit andere steden was vertegenwoordigd, zooals dat bij een evenement behoort. Een nieuw tooneelstuk van Heijermans is een evenement, daar gaat niets van af. Hij is, wát men ook zeggen moge, de man van de Hollandsche tooneel-literatuur, en de éénige van al onze tooneel-schrijvers, die in den goeden zin populair is. Denkt men in Holland en in het buitenland aan Hollandsche tooneel-kunst, dan denkt men aan Herman Heijermans in de allereerste, veelal in de éénige plaats. Die volle zaal, die spanning van verwachting, die er heerschte, was op zich zelve al een factor voor succes, en brengt mij in de stemming, iets liever en eerder mooi dan minder mooi te vinden. Maar, hoe gunstig ook gedisponeerd, "Allerzielen" heeft mij niet ontroerd, maar mij koud gelaten.

Waar het "zinnebeeldig" werk geldt, komt de z.g. intrige niet in de eerste plaats, maar toch wil ik eerst iets van den z.g. "loop" van het stuk mededeelen.

Pastoor Nansen (Alex Pos), op een klein dorp van eenige honderden zielen, meest katholieken, heeft uit pure christelijke deernis, zooals Jezus die zou gevoeld hebben, een zwangere vrouw in barensnood in zijn pastoriehuis opgenomen, die voor zijn deur op straat lag te krimpen van pijn. Uit puren liefde-aandrang heeft hij dit intuïtief gedaan, zonder er bij te denken. Hij heeft haar in zijn eigen bed in zijn slaapkamer gelegd, om een pleegzuster getelegrapheerd, en den dokter geroepen. De bevalling is zeer moeilijk geweest, en daar de moeder, door de barenspijn verzwakt, het kind niet kon zoogen, heeft hij het aan Jannetje, een boerin (mevr. M. Kiehl) gegeven, die het nu gelijk met haar eigen kind, de borst geeft. Na 12 dagen ziekte is de kraamvrouw juist voor het eerst op, als het stuk begint. In het dorp is een schandaal ontstaan door de liefde-daad van den pastoor. Men is er op den burgerlijken stand achter gekomen, dat de moeder ongetrouwd was, dat het kind dus een schandekind is, en men vindt het ongehoord, dat een R.K. geestlijke een zedelooze vrouw in de pastorie herbergt. In het eerste bedrijf hooren wij al, eerst van den koster (Musch), dán van den boer Van Dalen (Holkers), van het schandaal, dat in het dorp wordt gemaakt. De Protestanten maken er gebruik van, om op de R.K. Kerk te schelden, en de boeren scholen samen in de herbergen, schimpliedjes zingend. De publieke opinie eischt, dat die zedelooze vrouw onmiddellijk uit de gewijde pastorie weggebracht wordt. Maar de dokter (Van der Does) heeft Nansen gezegd, dat de moeder niet getransporteerd mag worden; anders is haar leven in gevaar, zij moet absoluut nog vier of vijf dagen blijven, nu zij in den eersten tijd der reconvalescentie is. Pastoor Bronk (Van der Horst) komt óók Nansen waarschuwen. Hij wijst hem op het gevaar voor de Kerk, op het zedelooze van die vrouw, op de ontheiliging van de pastorie, op het zedelijk prestige van den priester, dat gevaar loopt door het schandaal. Vóór alles gaat het belang der Kerk, zegt hij. Neen, zegt pastoor Nansen, vóór alles gaat de menschelijke deernis, de liefde, en als hij die vrouw in huis houdt tot zij beter is, doet hij slechts wat Jezus zou gedaan hebben. En het loopt zóó hoog, dat de beide pastoors, vrienden van hun eerste jeugd af, als vijanden scheiden. "Denk om de plichten der Kerk" waarschuwde Bronk, maar "ik denk om de plichten van het Geloof, mijn Geloof" antwoordt Nansen.

Nansen wil niet alleen de vrouw helpen in de genezing van haar lichaam, hij wil vóór alles haar ziel redden en haar terugbrengen tot God. "Zij heeft geen man" zegt Bronk, verontwaardigd. "Zij heeft een kind" antwoordt Nansen. "Zij heeft een verleden!" verwijt Bronk dan, en Nansen antwoordt: "Zij heeft een ziel die te redden is!"

Nadat Bronk weg is, komt Rita (mevr. v. d. Horst) binnen, die voor 't eerst uit de donkere slaapkamer mag, waar zij slechts 't uitzicht heeft op de grafzerken van 't kerkhof, op den dood dus, terwijl zij uit de studeer- en woonkamer weer in 't groote licht komt, en het uitzicht krijgt op de eindeloosheid van de zee. Uit het donker (van den Dood) komt dus deze vrouw, die voor 't eerst gebaard heeft en den dood nabij was, voor 't eerst weer in het licht (van het Leven). Die aanblik is overweldigend voor haar. Ze voelt zich gelukkig en blij, om Moeder te zijn, en, jong, vol hoop en verlangen, weer voor het Leven te staan. Pastoor Nansen verwacht, dat zij nu aan hem biechten zal, dat zij zich haar zonde bewust zal worden, en door hem tot God zal komen in boete en berouw. Hij heeft expres de stukken en papieren niet willen lezen, die Van Dalen hem van de secretarie heeft gebracht, en waaruit blijken moet, dat zij een ongetrouwde moeder, dus eene zondares is, want hij wil, dat zij zélve alles aan hem biechten zal. Maar Rita voelt geen schuld, geen zonde. Zij ziet slechts de wolken, het licht, de zee, en is blij dat ze leeft. Zij heeft in die donkere slaapkamer niets gehoord dan het sombere gebrom van het orgel, uit de kerk, naast de pastorie, dat haar benauwde; nu hoort zij het ruischen van de zee, van het groote Leven. O! zij heeft het Leven zoo lief! Zij heeft alles van het Leven lief, zegt zij, "de stad, het Leven, de menschen, de beesten, de wolken". Zij zegt, dat zij God niet zoekt in de kerk, maar dat zij zich godsdienstig voelt als zij ziet "in de zon, in de sterren, in het heelal!" Zij heeft niets te biechten, want zij is te gelukkig, met haar kind, en met het Leven. Nansen vraagt haar ernstig, of zij dan haar geweten niet voelt. "Neen", zegt zij, "zooals ik hier zit" – voor de eindelooze zee, de lucht, de wolken – "heb ik geen geweten". Zij heeft niets te biechten, nú niet, en niets te zeggen van haar leven. En pastoor Nansen is diep teleurgesteld en voelt zich slecht beloond voor zijn deernis. Rita vertelt alleen, hoe zij tweemaal in haar leven echt gezoend heeft, ééns een kind, en toen... de Aarde, en vertelt van haar liefde voor de Aarde, in een lang verhaal...

In het tweede bedrijf – het eerste had het al even aangegeven – hooren wij, hoe slecht het gaat met Rita's kindje. Nansen's huishoudster Co (mevr. De Boer-Van Rijk) is door weêr en wind naar Jannetje gegaan, om naar 't kind te vragen, en hoort, dat het hopeloos verloren is. Maar als ze voor Rita staat schrikt ze van den angst in haar oogen, durft ze het niet te zeggen, en liegt dat het juist helemaal weêr gezond is. Rita is half dol van vreugde. Zij gaat weer voor het raam staan, en ziet naar de zon, die ondergaat in de zee.

Zij houdt – men vergete niet dat hier een gewone vrouw uit het volk staat, die de (ongetrouwde) moeder is van het kind van een gewonen matroos! – een dichterlijke toespraak tot de zon, en philosopheert in literaire termen over leven en levensdingen, om dan ineens weer uit dien toon te vallen en tot een liefdezuster, die haar vraagt, er mede uit te scheiden te zeggen: "ik kan de zon toch niet in mijn zak steken!"

Als pastoor Nansen nu straks binnenkomt krijgen we een tweede gesprek van den priester met de vrouw, dat weer zéér diepzinnig wordt, en waarin zij nu eindelijk vrijwillig de biecht aflegt van haar levensgeschiedenis. Zij is in armoede opgevoed, in een krot zonder licht. Haar broer zit in de gevangenis, haar zuster is "op 't pad". Haar vader, dien ze liefhad, is langzaam vermoord door... de Machine, tot hij zich verdronk. Hier komt een tirade tegen de Machine als dooder van den eerlijken arbeid, die allesbehalve nieuw meer is, maar die natuurlijk geweldig inslaat bij het publiek. Heijermans weet precies hoe hij dàt doen moet. Nansen spreekt nu van de zonde, van de goddelijke liefde, van de redding der ziel, Rita oreert – en weer bijzonder welsprekend en philosophisch onderlegd voor zoo'n matrozen-vrouw, al is ze dan ook "zinnebeeldig" bedoeld – van het Leven en van den strijd. Zij heeft vermoedelijk Darwin gelezen, want zij spreekt van den grooten strijd in de natuur. "God is strijd", zegt ze, "de zee is strijd, de lucht is strijd", "God vecht, de menschen vechten, de beesten vechten". Zij is jong, negentien jaar pas, zij is Moeder, het geheele Leven is vóór haar, zij wil niet moeizaam denken over den dood en 't leven hiernamaals, zij wil nú leven. En als Nansen haar plechtig toeroept: "Gedenk te sterven!" antwoordt zij triomfantelijk: "Gedenk te leven!" Zij wil geen God die slechts lijden is, en naar beneden trekt, en van de oogen van haar verdronken vader zegt ze "dat geen God er in had durven kijken!" Ook ontkent zij, dat er een éénige God zou zijn, want er is een God van de Katholieken zegt zij, van de Protestanten, van de Joden, van de Chineezen, en nog véél meer. Maar midden in haar overmoed, als zij pas zoo triomfantelijk "Gedenk te leven!" heeft gezegd, wijst Nansen, tot het uiterste gebracht, haar op de mogelijkheid van de dood. Als de dood eens haar kindje wegnam?

Rita vliegt op, vermoedt opééns de waarheid, en hoort het doodvonnis van haar dochtertje van Nansen's lippen. Overweldigd door haar smart, gebroken valt zij in haar stoel, om kort daarop, als een beest, dat om haar jong roept, weer op te vliegen, en naar haar kind wil.

Dáár komen Van Dalen en Jannetje binnen, en vertellen, dat het kind stervende is. Het zieke kind heeft de melk der zoogmoeder vergiftigd, wier eigen kind er óók ziek van is geworden. Jannetje, die alles van Rita gehoord heeft, is wanhopig, dat zij dit kind heeft gevoed, en als Rita haar smeekt mede te mogen om haar kind te zien, zegt ze woedend, dat een "hoer" haar huis niet inkomt en overstelpt haar met hoon en haat. Op 't zelfde oogenblik komt een joelende, fluitende bende voorbij, die de glazen ingooit bij den pastoor en een relletje komt maken. Nansen treedt aan het open venster en na een paar kernachtige woorden van hem gaat de bende gewillig weer weg – wat niet waarschijnlijk lijkt. Ook Jannetje en Van Dalen worden door Nansen gekalmeerd, en, met enkel een dun hoofddoekje om, zonder dat Nansen haar andere bedekking geeft, wat ook onwaarschijnlijk doet voor een vrouw, die pas van den dood ontkomen is, gaat Rita met de anderen door een loeienden stormwind naar haar kind.

De liefdezuster, die Rita verpleegt, knielt voor een Christusbeeld biddende neer, en het scherm valt.

In dit bedrijf komt nog een herhaling van het gesprek in de eerste akte, tusschen de beide pastoors, voor. Bronk is onverbiddelijk fanatiek en eischt, dat Nansen de vrouw onmiddellijk wegstuurt. Hij brengt een brief van den bisschop, waarin deze beveelt, dat de vrouw op staanden voet verwijderd moet worden. Nansen protesteert, uit naam van Jezus zelven, die stellig gehandeld zou hebben als hij, maar Bronk is niet te ontroeren, en zegt hard: "Indien uw rechterhand u ergert, zoo houw haar af en werp haar van u". Zóó behoort Nansen de vrouw nu weg te stooten.

Maar Nansen weigert, nú aan het bevel van den bisschop te voldoen. Eerst moet de vrouw heelemaal beter zijn en haar kind, vóór hij zal gehoorzamen. "Gij gaat gebukt onder een dogma", zegt hij tot Bronk, "ik sta gebroken, maar réchtop".

Als het derde bedrijf aanvang is het kindje dood, en Nansen is geschorst. Bronk is pastoor ad interim geworden, en Nansen moet de pastorie ontruimen. Rita is bij Jannetje niet in huis gelaten, maar heeft haar kind in den koestal, bij de beesten, bij zich gekregen en is er toen mede naar de pastorie teruggeijld. Nu ligt het doode kindje gekist in de slaapkamer, en Rita waakt er bij. Zij wil niet dat het begraven wordt en wil iedereen aanvliegen, die nader durft te komen. Bronk wil met alle geweld dat het lijkje de deur uitkomt en gelast den koster, om, hetzij met geweld, hetzij met list, het kistje weg te nemen en te begraven.

Als Nansen voor 't laatst binnenkomt, kan hij enkel met de grootste moeite Rita overreden, met hem te komen spreken. Zij wil niet van 't lijkje weg, en komt eindelijk alléén op voorwaarde dat de deur van de slaapkamer blijft openstaan. Weêr volgt een zeer diepzinnig gesprek tusschen Nansen en Rita. De pastoor wil haar wijzen op "de ziel" van het doode kindje, maar Rita zegt "het kind hád nog geen ziel", waar later heel vreemd op volgt haar gezegde "dat een kind de ziel van je lichaam is". "Voor ons begint 't waarachtige leven met den dood", zegt Nansen, maar zij, die niet gedenkt te sterven, maar gedenkt te leven, wordt niet door hem getroost.

Midden onder hun gesprek hoort ze gerucht in de slaapkamer, snelt er heen en... de koster heeft heimelijk 't kistje weggehaald en gaat het begraven. Zij schreeuwt hem toe, 't lijkje terug te geven, Nansen doet het zelfde, met groot misbaar beiden, maar... blijven voor 't open venster tóch de begrafenis aanzien, hoewel ze, wat toch voor de hand lag, maar éven over 't lage kozijn behoefden te stappen om op 't kerkhof te zijn en de kist terug te nemen.

Als 't kind begraven is gaat een deur open en... op 't láátste moment wordt al de spanning gebroken en de aandacht afgeleid op een geheel nieuw personnage, Rita's man, die toevallig juist van de zee is teruggekomen.

Rita, met haar man, sterk en jong, voor 't nieuwe Leven staande, waarin hun nog zóóveel wacht, namen nu afscheid van pastoor Nansen.

Ook Rita's man blijkt goed philosophisch onderlegd te zijn, al is hij maar een gewoon matroos, en zegt literair en wijsgeerig zeer schoone dingen.

Als het spel niet "zinnebeeldig" was zouden wij verstomd staan, zóóveel philosophie en literairen aanleg te vinden bij menschen als deze matroos en zijn vrouw. Maar het symbool zal alles wel moeten redden.


(Wordt vervolgd).

HENRI BOREL.



>> Deel II