De toegeworpen handschoen, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De toegeworpen handschoen van Frank van der Goes
'De toegeworpen handschoen' werd oorspronkelijk gepubliceerd in Het Volk (pop. wetenschappelijk bijvoegsel) in 1927. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 373 ]
 

DE TOEGEWORPEN HANDSCHOEN.[1]

 

De religieuze socialisten zijn altijd van meening geweest dat aan de andere partijgenooten iets van groote waarde ontbrak—het godsdienstig geloof, de theologische zienswijze. Volgens de niet-geloovige socialisten, daarentegen, bezaten die partijgenooten iets dat men zeer goed, en beter zelfs missen kon: een bestanddeel van de burgerlijke levensbeschouwing dat althans in dezen tijd praktisch van geenerlei beteekenis was gebleken en theoretisch de geestelijke grootheid van het socialisme deed miskennen. Nog altijd staan deze overtuigingen als zoodanig tegenover elkander. Maar in den stand van de ideeënstrijd op dit punt is in de laatste jaren een verandering gekomen—en het demonstratieve, georganiseerde optreden van de religieuze partijgenooten in hun onlangs gehouden kongres heeft die verandering voor iedereen zichtbaar gemaakt.

Niet, dat de woordvoerders van deze richting hun overtuiging ooit onder stoelen of banken hebben gestoken, veeleer poogden zij hun denkbeelden in de hoofden te prenten van allen die naar hen luisteren wilden. Echter verschillen zij bij vroeger door de ontwikkeling van een grooter bedrijvigheid en zelfs door het aannemen van een beslist agressieve houding. Het is bij hen niet maar een konstateeren van een verschil, het wordt meer en meer het kritiseeren van een gebrek, en het bepleiten van eigen inzichten gaat over in de bestrijding van die van anderen. Men gaat thans van dien kant zoo ver dat men aan het streven der niet-religieuze socialisten alle geestelijke waarde en idealistische strekking ontzegt, en van dien aard alleen wil erkennen wat een theologischen stempel draagt. De sociaaldemokratie—leert men ons tegenwoordig—mag er zijn als politieke en sociale beweging en zelfs verdient zij den steun van alle welgezinden. Maar er is in de wereld nog iets anders dan politiek en zoo, dat immers louter stoffelijke dingen zijn. Over de andere dingen, de geestelijke en als zoodanig "hoogere" dingen, zwijgt de sociaal-demokratie, juist om[ 374 ] dat zij zich enkel met sociale en politieke zaken bemoeit. Welnu, in deze leemte, meer en meer als een schade gevoeld, moet worden voorzien. En welke beweging zou beter deze taak kunnen vervullen dan de aanhangers van de religieuze richting, die, zonder op te houden sociaal-demokraten te zijn, van het bevredigen der niet-stoffelijke behoeften hun specialiteit maken? Op deze wijze, meent men blijkbaar, zou een tegelijk billijke en nuttige arbeidsverdeeling tot stand kunnen komen: waarbij het wel onmisbare en achtenswaardige maar toch eigenlijk lagere werk van de politieke aktie en van de partij-propaganda aan de anderen werd overgelaten, en een religieuze groep zich zou belasten met de zorg voor het geestelijk heil van de tot dusver uit dat oogpunt tamelijk verwaarloosde socialistische massa. Hoogstens erkennen de woordvoerders van deze groep dat vroeger die trouwens veel kleinere menigte in haar strijd voor een maatschappij van hoogere orde de geestdrift vinden kon, die niet alleen den strijd-zelf vermocht te adelen, maar ook het zedelijk peil van de strijders deed stijgen. Maar de bronnen van dit Marxisme—verzekerde p.g. Banning—zijn, althans in Sneek en omstreken, verdroogd: een bewering welke in het kongres geen tegenspraak ondervond en dus als de uitkomst van een meer algemeene waarneming mag worden aangemerkt.

Deze verklaring: dat in de S.D.A.P. het Marxisme door het godsgeloof moet worden vervangen, verdient de aandacht. Zij is niet anders op te vatten dan als een oorlogsverklaring. Met haar bereikte de bespreking van het kongres een toppunt, dat naar onzen smaak tevens het toppunt is van theologische aanmatiging.

Vroeger, zeiden we, werd door de vertegenwoordigers van de religieuze minderheid in onze partij anders gesproken. Zij namen, ja, ook wel een aanvallende houding aan, maar in den regel zochten zij hun tegenstanders niet in maar buiten de partij. Hoewel ook nu en dan een door de woordvoerders verkeerd of ergerlijk geachte uitdrukking in het predikanten-orgaan berispt werd—en onze eigen verzameling van wetenswaardigheden bevat enkele [ 375 ] terechtwijzingen aan ons persoonlijk adres—legden zoover we weten zij zich op de inwendige zending niet bij voorkeur toe. Als de taak van op hun manier godsdienstige socialisten beschouwden zij veeleer de propaganda voor het socialisme onder de op die of andere wijs godsdienstige niet-socialisten. Geloovige arbeiders enz. kregen van hen voortdurend te hooren dat zij, als zij waarlijk ernst wilden maken met het geloof, als zij goede geloovigen wenschten te zijn of te worden, zij dan zich rekenschap hadden te geven van de socialistische waarheden, en metterdaad voor de moderne arbeidersbeweging moesten opkomen. Niet gezegd behoeft te worden dat hiermee een zeer nuttig werk werd verricht. Op de eenvoudigste en natuurlijkste en tegelijk op een zeer overtuigende manier predikten onze religieuze vrienden, meer door hun voorbeeld nog dan met hun woorden, de vereenigbaarheid van socialisme en godsdienst. Zooals het altijd gaat bij de aanhangers van een godsdienstig geloof, hielden zij hun socialistische overtuiging voor de aan een opperwezen welgevallige gemoedsgesteldheid, of meenden zij zelfs in de maatschappelijke ontwikkeling naar het socialisme de openbaring te aanschouwen van een goddelijken wil. De omstandigheid dat met hetzelfde recht politieke andersdenkenden het verzet tegen het socialisme aldus geboden achtten—als dit hen niet hinderde, behoefde het nog minder de ongeloovige socialisten te beletten de door hun geloovige kameraden gevoerde kampagne met hun beste wenschen te vergezellen. Met een ongeveinsd genoegen hoorden wij de socialistische predikanten, hetzij op gezette tijden in hun speciale bijeenkomsten of doorgaans in hun organen en partijvergaderingen, tezamen of afzonderlijk, socialistische strijdzangen aanheffen, welke te meer de klerikale arbeiders moesten treffen naar mate zij uiterlijk maar op psalmen geleken. En voor altijd is de strekking van de religieus-socialistische propaganda in dien tijd vastgelegd in het welsprekende geschrift van de nog niet vergeten brochure van onzen overleden partijgenoot Bakker: "Naast het Kruis"—riep hij den buiten onze partij staan[ 376 ] de geloovigen toe—"planten wij de Roode Vaan"!

Zoolang hoofdzakelijk in dien trant te werk werd gegaan, kon een schrobbeering nu en dan in de "Blijde Wereld" toegediend, onze eigen blijdschap niet verminderen. Voor een goede zaak, wisten we, moet men iets over hebben: en wie onder de nooit zeer harde banden van die redaktie somtijds als de zondebok van het atheïsme dienst moest doen, kon zich troosten met de gedachte dat naarmate hij klappen kreeg, de gehechtheid van zijn bestraffer aan het geloof des te treffender moest uitkomen tegenover de godsdienstige arbeiders.

Maar hierbij, weet men, is het niet gebleven. Gebruik makende van een recht dat niemand hun zal mogen betwisten, verwisselden sedert eenigen tijd vele religieus-socialisten van houding. Zeiden zij vroeger tot de geloovige proletariërs: wordt socialist—thans zeggen zij tot de socialisten: wordt geloovig.... De stroom waaraan gij weleer misschien uw naar idealisme dorstend hart hebt gelaafd, die stroom verdroogt in zijn beddingen. Maar gelukkig zijn wij er ook nog, en als een andere Mozes op het rotsgesteente slaande, doen wij nieuwe bronnen voor u vloeien, wateren ditmaal zonder den grondigen bijsmaak van materialisme, de klare en levenwekkende wateren van het moderne, verlichte Protestantisme.... Vereenigd blijven ook voor ons de oude symbolen, doch de stichting willen wij vernieuwen: onze en uwe leuze zij voortaan: boven de Roode Vaan het Kruis!

Over de oorzaken van de aangeduide verandering te spreken, daartoe ontbreekt in dit artikel de plaats. Maar reeds wenschen we over de mogelijke gevolgen een paar woorden te zeggen. Gelijk de religieuze partijgenooten het voeren van een stelselmatige, afzonderlijke en georganiseerde aktie voor hun levensbeschouwing beseffen als een behoefte en beschouwen als een recht, zoo ook kunnen anderen zich geroepen en gerechtigd voelen naar dat voorbeeld op te komen voor de hunne. En om deze twee redenen gelooven we dat die vraag overweging verdient. Welke wereldbeschouwing in een partij van socialistische arbeiders de overhand zal behouden, is voor ons [ 377 ] niet onzeker. Maar evenmin als eenige andere waarheid, overwint zij en handhaaft zij zich vanzelf: sluimerende in het bewustzijn van onze arbeiders, kan de ideeënstrijd de proletarische beschouwing maken het voortaan onaantastbare geestelijk bezit van de massa.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in Het Volk (Pop.-wetenschappelijk Bijvoegsel) (1927).