Domela Nieuwenhuis gestorven, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Domela Nieuwenhuis gestorven van Frank van der Goes
'Domela Nieuwenhuis gestorven' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Socialistische Gids in 1919. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 335 ]
 

DOMELA NIEUWENHUIS GESTORVEN.[1]

 

Voor de ouderen onzer was hij reeds lang geleden gestorven, en voor de jongeren had hij nimmer geleefd.

Toch is Domela Nieuwenhuis ten grave gedragen door duizenden en duizenden van de menschenklasse aan wier welzijn ook ons aller werken is gewijd, en hebben arbeiders zonder tal, mannen en vrouwen, met oprechte, diepe droefheid den stoet zien komen en gaan die de doodsbaar vergezelde. Wij zijn er niet zeker van, dat het sterven van een ander leider van hun beweging, wien ook, een zoo innig verdriet in hun harten zou brengen als nu het overlijden van den ouden man, dien zijn eigen geestverwanten haast nooit meer hoorden of zagen, die geen werkende kracht meer was in hun midden, wiens verleden voor velen het eenige was dat zij van hem wisten.

Hoe, dan, is het gekomen dat een deel van de arbeiders de dood van Domela Nieuwenhuis onbewogen heeft gelaten of bij hen nauwelijks een vluchtige weemoedige herinnering kon wekken, terwijl een ander deel zich diep verslagen en pijnlijk beroofd gevoelde?

De groote toeloop bij de uitvaart van den doode mag niet doen vergeten, dat hij ten slotte weinig aanhangers meer telde. Zijn vereenzaming is pas weer verbroken toen hij overleden was, en de menigte achter het ontzielde lichaam overtrof verre de groep die den levende placht te volgen.

Deze schoone plechtigheid was inderdaad een huldiging van hetgeen Domela Nieuwenhuis voor de Nederlandsche socialistische arbeiders eenmaal is geweest. Hij heeft den naam achtergelaten van te zijn geweest een krachtig en onverschrokken strijder, de legger van grondslagen waarop kon worden voortgebouwd, en dit voorgangerschap te hebben betaald met smaad en lijden. Dat Nieuwenhuis zich als openbare figuur had overleefd, zoodat werkelijk nog slechts bij overlevering zijn politieke persoonlijkheid gekend werd door de massa: hetzij uit eigen herinnering, hetzij uit wat een volgend geslacht had vernomen—het wordt bevestigd door de [ 336 ] onevenredigheid waarop wij doelden en waarvan het de verklaring geeft. Nog eenmaal is Domela Nieuwenhuis door talrijke scharen gevierd als held en martelaar, de verlaten grijsaard is ter aarde besteld als de populairste der volkstribunen, tranen zijn gevallen uit oogen die hem schier nimmer hadden aanschouwd en handen droegen hem die de zijne wel nooit hadden gedrukt. Zooveel plaats is er in wat men daarom met recht genoemd heeft het ruime hart van het proletariaat. Zoo overvloedig vergeldt het de aan zijn zaak bewezen diensten. Zoo welbewaard is in dezen bodem de zaadkorrel der herinnering welke plotseling kan ontbloeien tot bloemen van genegenheid en dank.

Intusschen heeft bij het overlijden van Domela Nieuwenhuis een deel slechts van de arbeidersklasse getuigd. Dit deel is van het andere gescheiden door een tijdvak in haar historie. De omstandigheid dat het sektehoofd—de bejaardste niet alleen maar ook de meest verouderde—overleden, neen: begraven is, als ware hij volksleider op het toppunt van zijn grootheid, kan de waarheid niet verbergen dat Domela Nieuwenhuis onherroepelijk tot het verleden behoorde nog eer hij was gestorven. Van een aantal medestanders en volgelingen geldt hetzelfde. Hun deelneming aan den grootschen ommegang zal voor velen de eerste keer zijn geweest na lange tijden van onthouding en onverschilligheid dat zij toetraden tot een publieke aktie en dezen keer ook stellig de allerlaatste. Nadat Nieuwenhuis opgehouden had de man te zijn die hij eenmaal was, had voor hen het openbare leven zijn aantrekkelijkheid verloren. Toen de herder was afgedwaald, moest ook de arme kudde het pad verliezen, en de uitsluitende gehechtheid aan dien éénen verbood het opgaan onder nieuwe leidslieden.

Mochten voor dezen de dagen van weleer een korte poos terugkeeren, en zij nog eenmaal het opperste genot smaken, door den weemoed van het verlies nog verhoogd, van te volgen waar hij voorging, er waren ook deelnemers van een jongere generatie voor wie het verleden door Nieuwenhuis vertegenwoordigd blijvend is [ 337 ] herleefd. Sommige uitgescheidenen van onze eigen groep hadden in hun vrijwillige ballingschap den ouderen eenling teruggevonden, die, evenals zij zelf, tot overdrijvingen en felle eenzijdigheid was vervallen bij het zoeken naar een vasteren grondslag voor zijn hoofdzakelijk door personenhaat gedreven aktie. In de geschiedenis van den strijd der richtingen bekleedt het anarchisme van Domela Nieuwenhuis een met het kommunisme van die anderen overeenkomstige plaats. En uit deze snoode bevruchting van ouden wrok met jonge verbittering is ontsproten de misgeboorte, die in de aanwakkering van de laagste hartstochten en de exploitatie van de domste vooroordeelen haar eenig levensdoel vermag te vinden. Al deze afvalligen kenden zoo goed als wij de persoonlijke en principieele zwakheden van den voormaligen sociaaldemokraat. Zij hadden hem en de vrienden die hem toen restten, wel niet meer in de jaren die aan de oprichting van de S.D.A.P. voorafgingen, maar dan toch in de jaren die daarop volgden aan het werk gezien. Zij hadden hem aanschouwd en de handlangers die hem omringden in de dagen en de nachten onmiddellijk na de verloren spoorwegstaking van 1903. Voor sommigen was dit de eerste kennismaking met den redakteur van de "Vrije Socialist". Doch dit heeft vroegere partijgenooten niet verhinderd zich te doen opnemen in de beruchte "Vrije" tafelronde van de nachtelijke zittingen in het Diamantwerkersgebouw op 11 en 12 April, en de methoden van dit gezelschap op hun beurt aan te wenden tegen de S.D.A.P.

Anderen, eindelijk, en dit was ongetwijfeld de groote meerderheid, hebben te goeder trouw hulde gebracht aan zijn nagedachtenis, wijl de tijd waaraan de naam van Nieuwenhuis is verbonden, voor hen nog niet heeft afgedaan. Deze werkelijke arbeidersvereenigingen staan echter blijkens vele teekenen dicht bij het einde van die periode, hun aanwezigheid in den rouwstoet spreekt van een oude gehechtheid, waarmee hun nieuwere inzichten en voornemens kwalijk zijn te vereenigen.

Gelijktijdig met deze verschillende bestanddeelen van [ 338 ] de socialistische beweging levend, en niettemin door een historischen afstand van hen gescheiden, hebben de organisaties die naast anarchisten, kommunisten en syndikalisten een volgend tijdvak vertegenwoordigen, zich bij de uitvaart van Domela Nieuwenhuis grootendeels onbetuigd gelaten. Wat zij weten van den lateren tijd van zijn loopbaan—de grootere helft van zijn politiek leven—is dat hij een hater en een bestrijder was van hun streven—die evenwel over eenigen noemenswaardigen invloed niet meer beschikte. Het zou van hun kant niet eerlijk en niet verstandig zijn geweest te verschijnen bij een manifestatie van gevoelens, die niet de hunne konden zijn. De rekening met den eenmaal geduchten vijand was vereffend, en als zijn heengaan niet gevoeld wordt als een verlies, kan het evenmin worden aangemerkt als een verlossing. Zoo lieten onze geestverwanten den doode begraven worden door de dooden, in den staat van de Nederlandsche arbeidersbeweging brengt het afsterven van Domela Nieuwenhuis geenerlei verandering, zij was te zijn opzichte reeds lang tot de orde van den dag overgegaan.

Geen ernstig oordeel over Domela Nieuwenhuis zal de persoonlijke tekortkoming van deze figuur, dunkt ons, onvermeld kunnen laten. Maar er komt een tijd dat alle gevolgen van zijn verkeerde daden zullen zijn uitgewischt. Dan zal alleen rekening behoeven te worden gehouden met de werking ten goede die van hem is uitgegaan, de eenige blijvende werking ook, en die zijn eigen latere afdwalingen niet konden wegnemen. Aan Domela Nieuwenhuis is het overgroote voorrecht ten deel gevallen een verkondiger te mogen zijn van het socialisme—de eerste zelfs—wiens woord ingang vond. Dit enkele maar beslissende feit verzekert hem, mag men aannemen, een plaats onder de bevorderaars van het heil der menschheid. Wien dit geluk werd toegekend, diens nagedachtenis zal nooit verloren gaan of geheel worden ontluisterd. En wij die, wilden wij zijn werk redden en het voortzetten, hem moesten bestrijden en niet konden eeren, wij huldigen mee zijn naam door [ 339 ] te verklaren dat hij niet altijd en alleen onze tegenstander is geweest. Domela Nieuwenhuis was ook eenmaal ons aller voorbeeld en wegbereider. Zijn assche, daarom, moge in vrede rusten, en kome spoedig de tijd die uitsluitend zal gewagen van zijn verdienste als stichter van de socialistische arbeidersbeweging in Nederland.

Zoo zal zijn beeld voor het nageslacht verschijnen, gezuiverd van het vergankelijke dat den levende eigen was.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Socialistische Gids (1919).