Het Belastingstelsel in de voormalige Republiek, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Belastingstelsel in de voormalige Republiek van Frank van der Goes
'Het Belastingstelsel in de voormalige Republiek' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Nieuwe Tijd in 1909. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 242 ]
 

HET BELASTINGSTELSEL IN DE VOORMALIGE
REPUBLIEK.
[1]

 

Eerste Artikel.

I

 

De kapitalistische uitbuiting van de arbeidende bevolking is, zooals men weet, geenszins de eenige of eerste vorm van uitbuiting geweest. Maar bovendien hebben kapitaalbezittende klassen de middelen weten te vinden om zich ten nadeele van andere groepen te verrijken, lang voor het algemeen worden van de kapitalistische produktie.

De werkzaamheid van het oude handels- en woekerkapitaal leveren vormen van verrijking op, die voor de moderne uitbuiting hebben plaatsgemaakt naarmate de produktie zelve aan het kapitaalbezit werd onderworpen.

Om over het vreemde arbeidsprodukt te beschikken, hebben, in vele landen de krachtens grond- of kapitaalbezit regeerende klassen nog een ander middel toegepast. Zij deden dit door aan de massa van de inwoners een zoo groot mogelijk deel op te leggen van de kosten der staathuishouding. Hetzij als direkte verrijking in de gedaante van door regeeringspersonen genoten inkomsten—het middel waardoor de bureaukratie aan de uitbuiting deelneemt—hetzij als verlichting van haar eigen bijdrage, is het stelsel der openbare belastingen steeds een heffing geweest ten bate van de heerschende klasse, hier en elders.

Accijnzen en invoerrechten hebben met elkander gemeen dat zij den verbruiker in den prijs zijner levensbehoeften een gedeelte afnemen van zijn arbeidsprodukt ten bate van de schatkist, en alzoo direkt of indirekt ten bate van de regeerende klasse. Invoerrechten, bovendien, beschermen hetzij de grondbezitters, hetzij de industrieele kapitalisten, hen in staat stellende in de pacht der landerijen of den prijs der waren een evenredig hooger deel van het arbeidsprodukt der huurders of koopers zich toe te eigenen.

[ 243 ] Wanneer granen of fabrieksprodukten aan de grens bezwaard worden, kunnen de binnenlandsche voortbrengers hunne prijzen verhoogen met de som van het invoerrecht. Doch dit behoeft niet steeds een verhooging van hun winst te zijn. Zoodanige beschermende rechten zijn dikwijls geheven geworden om bepaalde ondernemers tegen verlies te waarborgen, en een jonge industrie tegen overmachtige buitenlandsche konkurrentie. De meeste kapitalistische landen hebben het stelsel toegepast dat aan de nationale industrieën een grootere stabiliteit bijzet en de wisselvalligheden van de kapitalistische produktie eenigermate intoomt. Het is waar dat de verbruikers hierdoor de voordeelen missen van de mededinging der vreemde kapitalen, maar niet minder waar dat voor de arbeiders de nadeelen der onzekerheid tot op zekere hoogte getemperd worden. De houding van de arbeiderspartij tegenover maatregelen tot protektie zal in ieder bijzonder geval door het vergelijken der waarschijnlijke voor- en nadeelen worden bepaald.

Een ander ekonomisch karakter dragen de accijnzen. Zij dienen niet tot bescherming van eenige industrie of van den landbouw. Zij maken de levensbehoeften duurder, maar de vraag naar arbeidskracht niet grooter. Zij hebben niet de strekking het kapitalisme te bevorderen, de ontwikkeling van het grootbedrijf te verhaasten. Het doel waarmee ze worden geheven is een volstrekt improduktieve uitbuiting van de massa der verbruikers, die met de massa der arbeiders samenvalt. Hunne uitgaven voor alle belaste benoodigdheden komen slechts gedeeltelijk aan hun levensonderhoud ten goede. Hetgeen zij zouden behoeven of wenschen wordt hun door overmacht onthouden. Krachtens willekeurige beschikking van anderen moeten zij zich tevreden stellen met minder gehalte of geringere hoeveelheid. Zoover willekeur en overmacht van de regeerende klasse reiken, zal het stelsel van deze verbruiksbelasting het voor de vervulling der levensbehoeften van de overige bevolking beschikbare bedrag versmallen, in gegeven omstandigheden beperken tot een bestaansminimum. Geen grootere inspanning zal [ 244 ] haar welvaart kunnen verhoogen, door uitbreiding of verzwaring van accijnzen gaat elke verbetering van levenswijze ten bate van de machthebbers verloren. De lagere bevolking wordt door de accijns niet slechts uitgebuit, maar uitgemergeld.

Op grooten voet en gedurende lange tijden heeft in ons eigen land de regeerende bourgeoisie van handel- en geldkapitaal zich van dit middel bediend. Het heeft gewerkt als een der oorzaken van het ontbreken eener nationale nijverheid toen het arbeidsveld van den internationalen handel vervallen was.

 

II

 

Vreemdelingen die over de Republiek schrijven vermelden de zwaarte van de verbruiksbelastingen met verbazing of afgrijzen.

"Van den heerlijken Franschen wijn," roept Montchrétien in 1615, "weten de Hollanders nog meer rechten van hun inwoners te trekken dan de prijs bedraagt bij inkoop!"

Sir John Reresby, wiens reisverhaal in 1657 verscheen, bericht dat alle openbare uitgaven bestreden worden door accijnzen op alle soorten van goederen, die daardoor ongeloofelijk duur zijn."—"Niets is er in het heele land," schrijft de samensteller van een reisgids een eeuw later, "dat niet op de een of andere manier belast is, zelfs wanneer iemand in het huwelijk treedt of komt te sterven moet er een belasting betaald worden, zoodat enkel de lucht vrij is die men inademt. (Travellers Companion, 1754; bl. 49)

Er zijn ook anekdotes in omloop over deze Hollandsche hebbelijkheid om wel niet alles, maar toch een zeer groot deel van hetgeen de regeerende aristokratie van de Beurs voor haar staathuishouding behoeft, uit verbruiksbelastingen te halen.—Sir William Temple, wiens bekende Observations van het jaar 1673 dateeren, heeft er een bewaard.—"Accijnzen, schrijft hij, zijn zoo hoog en veelvuldig, dat ik in Amsterdam heb hooren zeggen dat [ 245 ] als in een herberg een bepaalde vischschotel met bijbehoorende saus wordt gediend, er meer dan dertig verschillende rechten zijn betaald op alles wat noodig is voor dat enkele gerecht."

Sir William Petty (1676), de ekonomist, schat de heffing op eetwaren te Amsterdam de helft van de oorspronkelijke waarde te bedragen.—Gemalen koren betaalt 63 gulden per last, bier 113 stuivers per vat, huishuur een zesde van de som, en vruchten een achtste. De geheele opbrengst, over een inwonersgetal van 160.000, zal 800.000 £ beloopen, of bijna 50 gld. per hoofd. Volgens deze taxatie was dus een gezin van vijf personen gemiddeld belast met 250 gld. per jaar.

Evenmin ontbreekt het aan nauwkeurige berekeningen die de werking der accijnzen op den warenprijs en dus op het konkurrentievermogen der industrieelen doen kennen.

In de bekende kollektie diplomatieke en andere stukken, de Thurloe papers, wordt een adres uit het jaar 1651 van Engelsche kooplieden aan hunne regeering meegedeeld, die de wenschelijkheid betoogen van een kontrakt met Spanje wegens een monopolie van woluitvoer voor de lakenfabrieken in Engeland. Zij baseeren het verzoek op de mogelijkheid om te konkurreeren met de Hollandsche fabrieken. Volgens de stellers is nl. het arbeidsloon aldaar door de rechten op levensbehoeften hooger dan in hun eigen land:

 
"Een pond Engelsche wol van 12 stuivers, lezen wij, komt in den vorm van laken op 4 shilling, want drie vierden van de waarde bestaat uit den arbeid alleen, en die arbeid van spinnen, verven, weven enz. kost ons niet meer dan de helft van wat de Hollander betaalt wegens zijn hooge huishuren en dure levensmiddelen, waaraan alle loonen evenredig zijn,"—Het adres betoogt verder dat zoolang in Holland Spaansche wol verkrijgbaar zal zijn en bewerkt wordt, de Engelsche manufakturiers minder gunstig gesteld zullen blijven, aangezien deze wol een driemaal zoo dure grondstof is als de Engelsche, en dus in den produktieprijs van het laken daaruit vervaardigd, het bestanddeel van het arbeidsloon minder belangrijk is. Bovendien komt de Spaansche wol duurder in Engeland dan in Holland door het invoerrecht en de hoogere vracht, een verschil, dat de voordeelen van het lagere loon wederom opheft.—Alleen wanneer met politieke middelen het gebruik van Spaansche wol aan de Hollandsche fabrikanten onmogelijk zal zijn gemaakt, en zij dus verplicht zullen worden het goedkoopere Engelsche materiaal te nemen, zal men in Engeland van de lagere loonen kunnen profiteeren.

[ 246 ]

Met het Fransche laken kon omstreeks 1770, volgens een berichtgever, het Hollandsche niet meer konkurreeren. Het voordeel dat de Hollanders vroeger boven andere landen genoten, wijl zij minder aan het werkvolk betaalden, was reeds lang verdwenen. Accijnzen, hoofdzakelijk geheven om oorlogskosten te dekken, hebben den arbeid duur gemaakt. (Marshalls' Travells 1768—70, bl. 139 v.v.).
 

Een andere becijfering van dezen aard geeft de schrijver van de beroemde Gronden en Maximen in 1669.

Wat betreft de arbeiders aan een gewoon 700-lasten schip: "hoeveel die ondertusschen allen te zamen 't zij wegens verpondingen over de huishuur, 't zij wegens imposten zullen hebben betaald, bedraagt eenige honderden guldens meer dan de kosten van het schip". Komt het daarna in de vaart, dan is wederom de exploitatie duurder wegens de bezwaarde levensmiddelen van het scheepsvolk. "Op een half gewoon inlands laken van 70 gulden aan arbeidsloon komt 20 gulden 't zij aan imposten 't zij aan verponding wegens huishuur." (bl. 80–81).

Een derde berekening, eindelijk, vinden wij bij Luzac in zijn werk over Hollands Rijkdom van 1783. Bedoeld als voorbeeld, waarvan wij mogen aannemen dat het de werkelijkheid niet veel ontloopt, geeft de schrijver deze schets van den noodlottigen invloed eener verbruiksbelasting, die ditmaal niet de benoodigdheden van de ar[ 247 ] beidersklasse betreft maar het gereede produkt van den handwerker.

 
"Stel, zegt hij, twee schrijnwerkers van gelijke vermogens, ijver, kunde, werkzaamheid en bekwaamheid. Laat den een voor ieder kabinet hetwelk hij verkoopt, moeten opbrengen 8 gulden, en stel dat hij daar nog bij winne 2 gulden, zoo zal hij met het verkoopen van duizend kabinetten 2000 guldens winnen, en daarvan kunnen leven: en teffens 8000 gulden opbrengen.
Zoolang als de ander even zoo veel moet opbrengen, staan zij gelijk: maar stel verder, dat het opbrengen tot 9 guldens rijze, en dat hij van 1000 guldens leven kan, dan kan hij nog zijn handwerk aanhouden: zoolang namelijk als de ander zijn winst van 2 guldens niet vermindert; maar, wanneer de andere, in de plaats van 2 guldens te willen winnen, zich vergenoegen wil met één gulden winst, dan is het blijkbaar dat diegeen, welke 9 guldens moet opbrengen, de kabinetten niet kunnende verkoopen zonder winst, zijn handwerk niet zal kunnen aanhouden, en wel enkelijk om de verhooging van éen gulden op hetgeen hij opbrengen moet.
En dus zal diegeen, welke in de plaats van 9000 guldens, welke hij meende jaarlijks uit den arbeid van den schrijnwerker te trekken zelfs missen de 8000 guldens: want men kan niet stellen, dat de koopers, alles buiten dat gelijk staande, niet verkiezen zullen bij diegeen te gaan, bij wien zij 't goedkoopste gerieft worden." (Dl. IV bl. 79/80).
 

Bij Luzac heeft dit voorbeeld een hooge aktueele en praktische beteekenis. Het was op deze manier dat werkelijk de stand der handwerkers en fabriekeurs sedert onheugelijke tijden door de regeerende oligarchie uitgebuit was geworden. Luzac schrijft het diepe verval van de inlandsche nijverheid in de eerste plaats aan het systeem der verbruiksbelastingen toe, die zoowel den prijs van de arbeidskracht deden stijgen als den onder[ 248 ] nemer om een goed deel van zijn winst bracht ja, hem somtijds het bestaan onmogelijk maakte.

 

III

 

De heffing van verbruiksbelastingen staat niet apart als een fiskale maatregel zonder meer. Zij is een van de vele middelen tot uitbuiting van de lagere bevolkingsklassen, aangewend door de klasse van het handelskapitaal, die oppermachtig regeerde.

De ekonomische positie van den koopman[2] verklaart genoegzaam de groote politieke macht waarover zijn klasse beschikte. Hij was niet als nu de vertegenwoordiger eener fraktie van het totale kapitaal, belast met de circulatie van het industrieele kapitaal als haar afzonderlijke werkzaamheid. Hij representeerde het kapitaal in zijn geheelen omvang, in zijn eenige of althans toenmaals verreweg gewichtigste funktie, den handel met goederen, hoe ook geproduceerd.

De uitbreiding der moderne, kapitalistische industrie, heeft aan de funktie en daarmee aan het maatschappelijk overwicht van het voormalige handelskapitaal een eind gemaakt.

Kenmerkend is in dit opzicht het verschil tusschen de ekonomische geschiedenis van Nederland en Engeland. In Engeland heeft de handel de ontwikkeling van de industrie machtig gesteund en bevorderd. In de Hollandsche provincies, daarentegen, heeft de heerschappij van het koopmanskapitaal eene bloeiende nijverheid—manufaktuur en handwerk—eerst belemmerd en vervolgens meê ten gronde gericht.

De geografische en de geologische gesteldheid van Engeland hebben zich als krachtige ekonomische faktoren doen gelden. Steenkolen en metalen leverden [ 249 ] grondstoffen en hulpmiddelen, die de Hollanders moesten missen. Het kapitaal in den handel gevormd begon zich reeds vroegtijdig met een produktie bezig te houden, die, eenmaal op deze vaste grondslagen gevestigd, niet weer verdwijnen zou. De basis van de industrie in de Nederlanden was minder onvergankelijk. Haar grondstoffen moesten door den handel worden in-, haar produkten door den handel wederom uitgevoerd worden.[3] Een groot getal belangrijke bedrijven waren als zoodanig aan den groothandel ondergeschikt, wijl zij het voornaamste vervoermiddel, de schepen, leverden en alles wat tot de scheepvaart behoorde. Het is duidelijk dat het lot van deze ondernemingen aan dat van den handel gebonden bleef. De handel schept de bestaansvoorwaarden die de kapitalistische produktie behoeft: het kapitaal zelf en de afzetmarkt. Dan maakt het zich meester van de aanwezige kleine nijverheid en roept alzoo de moderne industrie in het leven. Op haar beurt steunt nu de produktie den handel, die voortaan aan de produktie ondergeschikt is. Dit is de loop van zaken in Engeland geweest, maar waar als in ons eigen land de industrie zich niet onafhankelijk van den handel kan ontwikkelen, zal zij door den val van den handel worden meegesleept. En de handel die geen eigen industrie heeft voortgebracht, zal zich op den duur evenmin staande kunnen houden.

Bij gebrek aan een sterke inheemsche industrie, die, door het handelskapitaal bevrucht, tot kapitalistische produktie op grooten voet gedijen kon, nam tegen het einde van de 18e eeuw in Holland zoowel de eene als de andere kapitaalwerkzaamheid een einde. De kapitalen die over waren, bleven nog slechts als geldkapitaal in gebruik, ter beschikking van buitenlandsche regeeringen.[4]

[ 250 ] Inderdaad is dit de eenige uitkomst voor een handelskapitaal dat zich niet bijtijds weet aan te passen aan de veranderde omstandigheden, als handelskapitaal ondergaande, om als industrieel kapitaal krachtiger dan ooit te herrijzen.

Reeds voor het einde van de 17e eeuw begon het Hollandsche fabriekwezen te verminderen. Wijl niet of weinig met eigen materiaal gewerkt werd, afgezien van andere omstandigheden die de mededinging verzwaarden, moest het teruggaan krachtens dezelfde groote oorzaak welke ook den handel bedreigde—nl. de ekonomische vooruitgang van andere landen.[5] Geheele landstreken, te voren geheel afhankelijk van de Nederlandsche scheepvaart en de Nederlandsche industrie, begonnen in den loop van de eeuw die wij noemden, door eigen handel en manufaktuur in hunne behoeften te voorzien. Bekend zijn b.v. de verderfelijke gevolgen der Engelsche "akte van navigatie" en van de maatregelen genomen door den Franschen minister Colbert.

[ 251 ] Toen het zoover met Amsterdam en Holland was gekomen, bleek ook de koloniale politiek die bij de heerschappij van het toenmalige handelskapitaal behoorde, geen grondslagen te kunnen leggen voor een blijvende welvaart van het moederland. Ook in dit opzicht is het verschil met de Engelsche historie zeer karakteristiek. Onze buitenlandsche bezittingen waren slechts uit een oogpunt van handelsbelangen geëxploiteerd geworden. De inboorlingen der tropische gewesten had men gedwongen te werken voor de Oost-Indische Compagnie—een volksplanting, van het noodige te voorzien door de nijverheid tehuis, was door haar niet gevestigd.[6] Volksplantingen, daarentegen, waren door de Engelschen aangelegd, op den grootsten voet in de gematigde landstreek van Noord-Amerika, waar zij de Hollandsche en Fransche nederzettingen veroverden. De enkele exploitatie voor den handel, die alleen produkten voor de Europeesche markten vraagt, maakt van de bewoners der bezittingen geen afnemers van de fabrieken in het moederland, noch stelt zij de koloniën open voor een vrije ontwikkeling van het industriëele kapitaal op de plaats zelf[7]. Met [ 252 ] beide is begonnen geworden door de Engelschen onder Raffles, wiens kort bestuur in 1811–16 bekend is gebleven om zijn "liberale" denkbeelden.

 

IV

 

Behalve dat in Holland de industrie de lotgevallen moest deelen van een handel wiens bloeitijd uit den aard der zaak beperkt was, heeft de regeerende klasse de industrie veelal direkt en opzettelijk tegengewerkt.

Zooveel is zeker, dat, zoover haar politieke macht reikte, hoofdzakelijk dus in het eigenlijke Holland en meer dan ergens in Amsterdam[8], het handelsbelang steeds [ 253 ] den doorslag gaf wanneer het tegen de eischen van de industrie werd opgewogen. Overtuigend is op dit punt de konklusie van Ravesteijn in zijn "Onderzoekingen over de Ekonomische en Sociale Ontwikkelinge van Amsterdam"[9]. De bescherming die de verschillende bedrijven genoten, zegt hij, "ging nooit verder dan zooverre de groothandel daardoor niet werd geschaad." Gedeeltelijk waren de kooplieden zelf manufacturiers of wel ondernemers die vele kleine meesters exploiteerden. Gedeeltelijk handelden zij met de produkten van min of meer onafhankelijke producenten. In beide gevallen kon het welzijn van de industrie aan hunne vertegenwoordigers in de regeering niet onverschillig zijn. Volkomen begrijpelijk is het dus dat zoowel in de 17e als in de 18e eeuw het niet aan protectie ontbroken heeft, evenmin als aan voorstellen of maatregelen tot aanmoediging en herstel van allerlei bijzondere takken. Alleen bleef steeds de koopmansstand zich het recht voorbehouden om de belangen van den handel boven alles te laten gaan, meermalen zelfs, zooals men weet, boven die van den veiligheid van den Staat. Het feit dat deze koopmansstand zich niet ontzag midden in den oorlog 's lands vijanden tegen betaling van krijgsbehoeften te voorzien[10], illustreert misschien [ 254 ] het treffendste de ekonomische positie van het handelskapitaal, dat, zelfstandig tegenover de uitersten tusschen welke het bemiddelt, beiden zooveel mogelijk aan eigen voordeel dienstbaar maakt. Ook de binnenlandsche nijverheid bestaat voor de kooplieden alleen om het onmiddellijk profijt.

Reeds zoo vroeg als 1447 b.v. lezen we van een besluit van den landsheer Filips van Bourgondië, die ten gunste van de Leidsche en andere lakenindustrie het invoeren en dragen van Engelsche stoffen in Holland, Zeeland en Friesland verboden had, maar op aandringen van de Hollandsche en Zeeuwsche kooplieden dit verbod wederom introk.—Het handelstraktaat van 1496 stelde in- en uitvoer van alle goederen tusschen Holland en Engeland volkomen vrij[11].

Driehonderd jaar later is de verhouding nog steeds dezelfde.—Onder den Vierden Engelschen Oorlog wil men de Engelsche koopwaren verbieden. De berekening is dat hiermeê aan 200.000 menschen voor 4 gl. per week werk te verschaffen zal zijn. Maar de regeering van Amsterdam verzet zich op grond van de te lijden nadeelen door den handel, die, zegt een schrijver, "overigens van zelve stilstond"[12].

Ander voorbeeld.—Bij het onderhandelen over de voorwaarden van het Twaalfjarig Bestand met Spanje werd dezerzijds de eisch gesteld van het behoud der vaart op Indië. "De Staten van Holland verklaarden, schrijft Blok, dat zij van de vrije vaart op welk deel der wereld ook, nooit afstand zouden willen doen en ofschoon sommige gewesten aanvankelijk zwarigheid hadden gemaakt om desnoods op dit punt alles te laten afstuiten, sprekende van een te grooten invloed der handelsbelangen tegenover die der nijverheid, kwamen de Staten-Generaal ten slotte eenstemmig tot hetzelfde besluit"[13].

Deze afkeer van alle beperking die het handelsbelang zou kunnen schaden, van iedere bescherming die niet [ 255 ] haar ten goede kwam, is de gehechtheid aan de "vrijheid van den arbeid" die de liberale ekonomisten zoo zeer hebben geprezen. "Alleen bij enkele neringen van overwegend gewigt, bij wier bloei de handel zelf overwegend belang had, gelijk de lakennering en de visscherij, vinden wij eigenlijke bescherming."—"Al klaagde, zegt dezelfde schrijver, de landbouw over verwaarloozing, al riep het fabriekwezen om verbodswetten, de Hollandsche kooplieden wilden zich het regt niet laten benemen om evengoed in buitenlandsche als in binnenlandsche waren handel te drijven, en het vrijzinnige Nederlandsche toltarief bleef eene schitterende uitzondering vormen op de verbodswetten en beschermende regten, waardoor in de 17e en 18e eeuwen de buitenlandsche handel bijna overal belemmerd werd".[14]

Werkelijk was het beginsel van vrijheid van handel in Holland tot een richtsnoer geworden, van welk onder geen omstandigheden mocht worden afgeweken. Het volharden bij dit systeem scheen met het klaarblijkelijke nadeel, ja met de zichtbare ruïne van de industrie niet te duur betaald. Een Amsterdamsche koopman, zegt een 18de eeuwsch auteur, houdt de gansche wereld voor zijn fabrieksplaats.

 
"Als hij de Amerikanen met lakens van Verviers, Aken of anderen kan gerieven, dan zal hij bij zijne landgenooten te Leiden niet komen koopen. Dit heeft men altijd gezien en men zal het altijd ondervinden." (Vrijaarts Openhartige Brieven, 1787; V, bl. 73.)
 

Hetzelfde en uitvoeriger schrijft Luzac in zijne meermalen genoemd werk. "De aard van onzen koophandel brengt mee, dat men geen onderscheid kan maken tusschen de plaatsen waar men zich van waren of manufakturen kan voorzien. De gansche wereld is een marktplaats voor onze kooplieden. Hun omtrent dit stuk palen te stellen en te willen, dat zij zich tot de vaderlandsche [ 256 ] manufakuren of waren bepalen, is iets dat rechtstreeks aanloopt tegen de algemeene grondbeginselen waarnaar onze koophandel zich moet richten."[15]

"Zou men, vraagt hij, willen, dat een Amsterdamsch koopman de Noordsche of Aziatische volken dwong waren die in Holland gemaakt zijn te nemen, wanneer dezelven van Italiaansche, Fransche en Engelsche waren voorzien willen zijn?" (T.a.p. bl. 268.)

Wat de handelaar niet of niet naar den eisch tehuis gedaan kan krijgen, dat laat hij elders maken, en vreemde fabrikanten werken voor Nederlandsche rekening. "Wel is waar erkent Luzac, dat onze fabrieken daardoor nog meer te gronde gaan: maar nimmer moet een verlies tot reden strekken om ons een tweede verlies toe te brengen," enz.[16]

Inderdaad is deze positie van niet zelve de produktie uit te oefenen maar alleen de middelaar te zijn die den goederenruil tusschen allerlei produktiesferen tot stand brengt, welke onafhankelijk van dezen handel bestaan, tegelijk de kracht en de zwakte van het kapitaal op deze wijze werkzaam. Zoodra zich op eenig gebied een zelfstandige handel ontwikkelt, dan ook natuurlijk door politieke en militaire machtsontwikkeling vergezeld, lijdt de koopmanschap van het andere gebied schade. Ontstaat vervolgens in het vreemde land een kapitalistische industrie, die tegelijkertijd den handel onderwerpt en nieuwe krachten geeft, dan is de konkurrentie van de koopmansschap die enkel koopmansschap is gebleven, geheel onmogelijk geworden. Toen voor ons land de tijd was gekomen om de gedaanteverwisseling van handels- tot industrieel kapitaal te voltrekken, en de uitgeputte koopmansschap de hulp eener inheemsche nijverheid dringend behoefde, was er niets dat haar kon steunen en opnieuw doen bloeien. Met uitzondering van den landbouw, de eenige inheemsche nijverheid die, door het han[ 257 ] delskapitaal bevrucht,[17] en wegens haar natuurlijke gesteldheid ontkomen aan het gevaar tevens door het handelskapitaal verstikt te worden, was tegen het begin van de 19e eeuw, toen het ekonomisch verval ook staatkundige onderdrukking meebracht, niets van de oude bestaansmiddelen meer over.

Lang heeft men het einde zien naderen, zonder het evenwel te kunnen afweren. Het verscheen als een onoverkomelijk noodlot. "Iedere natie, schrijft Luzac, die zelve haren handel in 't geheel drijft, benadeelt middellijk of onmiddellijk den onzen". Het bedrijf der kooplieden zelve was van aard veranderd. Niet in den zin van het Fransche en vooral van het Engelsche, dat zich verjongd had in het bedrijf van den fabrikant, maar in de tegenovergestelde richting, die uithep op een roemloozen kommissie-handel. De Nederlandsche koopman beheerschte niet langer de uitersten die hij met elkander in verbinding bracht, hij was de gehoorzame dienaar geworden van den vreemdeling, die hem voor loon deed werken. Het was eenmaal een traditie geworden dat de Hollanders een zeevarend en handeldrijvend volk waren, en tot het einde toe gebruikte men hun tusschenkomst. Deze nieuwe en laatste vernedering was de wijze waarop de onderwerping van het handels- aan het industrieele kapitaal zich in onze koopmanswereld deed gevoelen. Met dit onderscheid bij anderen, dat het bij ons de onderwerping aan het industrieele kapitaal van vreemdelingen was. Het definitieve einde kwam toen zij ons ook het makelaarsloon van den kommissiehandel niet meer gunden, en met politieke middelen, Engeland en Frankrijk om strijd, den overgebleven rijkdom roofden, het geld, de schepen, de koloniën.

Indien de vertegenwoordigers van het handelskapitaal in de regeeringen van stad en land zoo weinig ontzag hebben getoond voor het bestaansmiddel van zoovele landgenooten als de handwerken en de manufakturen on[ 258 ] danks alles hebben opgeleverd, dan is het zeker niet vreemd dat zij de bezitters van die neringen naar hun vermogen ook rechtstreeks hebben uitgebuit. Zij deden dit o.a. gelijk wij reeds zeiden met de verbruiksbelastingen of accijnzen.

 

Tweede Artikel.

I

 

Zoolang het handelskapitaal de verreweg belangrijkste vorm is van het kapitaal in 't algemeen, en de klasse der kooplieden de politiek machtigste, zullen de groote klassetegenstellingen zich anders voordoen dan in de moderne kapitalistische maatschappij.

Ook thans is zeer zeker eenig antagonisme tusschen industrie en handel duidelijk genoeg merkbaar. In vele gevallen b.v. zullen kooplieden en fabrikanten strijden over de vraag van protektie, die nu zooals men weet in de meeste landen ten gunste van het industrieele kapitaal is beslist. Maar de vertegenwoordigers van alle kapitaal, politiek gesproken: die van alle burgerlijke partijen, hebben een overwegend belang dat hen vereenigt tegen de klasse van het proletariaat. De kapitalistische klasse, wederom, is in dit opzicht één met de staatsmacht, die, ofschoon uit haar voortgekomen en door haar beheerscht, toch als bureaukratie, burgerlijke en militaire, voor een eigen en somtijds tegenstrijdig belang heeft te waken. De groote klassetegenstelling in de moderne landen, hoezeer door ondergeschikte scheidingen doorkruist, een enkele maal zelfs verzwakt,[18] maar nooit uitgewischt of opgeheven, is daarom die van alle burgerlijke partijen, vereenigd met en voor de regeering, aan den eenen kant, tegen de arbeidende klasse aan den anderen.

In de voormalige republiek der Zeven Provinciën, althans en hoofdzakelijk in de provincies, die het ekono[ 259 ] misch karakter van den tijd het volledigst uitdrukken, in de provincie Holland bovenal, volgt de lijn der groote klassenscheiding een geheel verschillenden weg.

Er zijn, ten eerste, niet één maar twee staatsmachten, die der gemeentelijke en provinciale bestuurders en die van het stadhouderschap, de laatste met een aanhang van militaire en andere bureaukratie. De stedelijke en provinciale autoriteiten vertegenwoordigen het handelskapitaal en zoodanige grootindustrieën als reeds vroeg rechtstreeks aan de kooplieden onderworpen waren geworden.[19] Alle overige maatschappelijke groepen vormen tezamen één politieke partij tegenover de partij van de hooge bourgeoisie, in wier handen grootendeels de regeering ligt van stad en gewest.

Het is deze klassenstrijd, gelijk bekend is, die den inhoud uitmaakt van de groote historische gebeurtenissen gedurende zoowel de zeventiende als de achttiende eeuw. Hij doet in zijn scherpste uitbarstingen zich voor als een oorlog tusschen de groote volksmenigte, aangevoerd door de prinsen van Oranje (en somtijds door hen verraden als vrede sluiten met de regenten den stadhouder voordeeliger scheen), en de kleine maar machtige coterieën van deze regenten en rijken, wier geweldmiddelen bestonden uit stedelijke politie, schutterij[20] of garnizoen.

Een andere, met de genoemde samenvallende klassenscheiding die meermalen tot klassenstrijd in de hevigste gedaante verergerde, is de tegenstelling tusschen stad en land.

[ 260 ] "Het platte land," zegt O. van Rees, "werd door de steden volkomen op dezelfde wijze beschouwd, en, waar het mogelijk was, behandeld als volgens het koloniale stelsel, de koloniën door het moederland." Als een objekt dus van kapitalistische uitbuiting, toegepast op de eenige wijze die het handelskapitaal ten dienste staat en die voor de helft direkt geweld is, van openlijken roof weinig verschillende.

Met geweld werd niet alleen de industrie zooveel mogelijk van het platteland geweerd, geweerd ten bate van het grootbedrijf in de steden of van de handwerken onder kontrôle van de kooplieden, maar ook werden de boeren met geweld gedwongen hunne produkten uitsluitend aan de stedelijke handelaren af te staan en eveneens hun benoodigdheden in de steden te koopen. En niet het minst aan den handel met landbouwprodukten heeft het Amsterdamsche kapitaal zijn opkomst in de 16e eeuw te danken gehad.[21] Zoo werkt, volgens de veelzeggende gelijkstelling bij Van Rees van platteland en koloniën, het oude handelskapitaal: het produceert niet zelf maar legt met alle middelen beslag op de produkten van min of meer zelfstandige producenten. In de bedrijven die reeds direkt aan het kapitaal waren onderworpen, voorzoover de uitoefening in landdistricten mogelijk was, waren de boeren in een wijden trek om de steden bovendien loonarbeiders van de stedelijke werkgevers.[22]

Dat de boerenbevolking—"arbeidende" zegt de schrijver der Hollandsche Arkadia, niet alleen voor hun eigen onderhoud "maar ook voor dien dergenen die in de steden wonen"—in deze omstandigheden evenals de lagere standen in de steden, mede op de hand der Prinsen en vijandig gezind aan de stedelijke regeeringen was, is licht te begrijpen.—Geruchten dat de boeren uit den [ 261 ] omtrek waren opgestaan en op Den Haag aanrukten, hebben de kavallerie die de De Witten zou beschermen buiten de stad gelokt en den gebroeders het leven gekost. De volksbewegingen in Holland die in 1747 een eind maakten aan het tweede stadhouderlooze tijdperk, werden te Rotterdam en te Amsterdam begonnen of aangewakkerd door oranje-lievende demonstraties van schippers en buitenlieden[23]. En bij ieder oproer, al dan niet met prinsgezinde leuzen gestreden, rekende het proletariaat van de steden op de hulp van de boerenbevolking, die ook in de bloedige wraakneming op de "pachters"—ontvangers of exploitanten van de gehate accijnzen—dapper meêdeed[24].

Het streven der kooplieden om de stedelijke industrie voor zoover zij haar niet zelven uitoefenden, aan hun belang te onderwerpen, heeft zich maatschappelijk voorgedaan als een langdurige strijd met de gilden over ekonomische kwesties. De politieke vorm van dezen klassenstrijd was de evenzeer bekende worsteling met de gilden of georganiseerde handwerkers om de regeermacht, een kamp in Holland reeds voor het einde van de 16e eeuw in het nadeel van de gilden geëindigd. Ideologisch uitgedrukt, stonden hier maatschappelijk de stelsels van vrijheid van bedrijf en bescherming of monopolie; staatkundig, die van aristokratie en demokratie, tegenover elkander.

Ashley, die hetzelfde verschijnsel in Engeland aantoont, beschrijft deze internationale klassentegenstelling als volgt.—"In vele steden van Duitschland en de Nederlanden, zegt hij, woedde gedurende de 13e en 14e eeuw een hevige strijd tusschen de burgerlijke oligarchie, die op de stedelijke regeering beslag legde, en wier kracht nog in vele gevallen daardoor toenam dat zij in handelsgilden georganiseerd werd, en de handwerkers, vereenigd in de ambachtsgilden. De handwerkers vochten eerst voor het recht om afzonderlijke gilden te bezitten, vervolgens [ 262 ] om een aandeel te verkrijgen in het bestuur van de stad."[25].

Gelijk te verwachten is vindt men dat de kleine, niet-kapitalistische industrie haar ekonomische en politieke positie daar het langst heeft gehandhaafd waar het handelskapitaal het minst krachtig kon optreden. In Engeland langer dan in Holland; in Duitschland en Frankrijk langer dan in Engeland; in de landprovincien van Holland langer dan in de zee- en eigenlijke handelsplaatsen.[26]

"Bijna in alle steden van Holland, schrijft Blok, waar de opstand (tegen Spanje) de zege had behaald, was de regeering in handen gebleven van de aanzienlijke burgers, die reeds sedert bijna twee eeuwen in die steden zoo goed als zonder medewerking der overige stadsbewoners het bewind hadden gevoerd." "En, voegt hij er bij, wat er in de Noord-Nederlandsche steden buiten Holland en Zeeland aan invloed van de burgerij op de stedelijke regeering nog omstreeks 1550 aanwezig was, in het bijzonder aan invloed der gilden op het stadsbestuur, was tijdens de woelingen zoo goed als verdwenen; waar die invloed nog in naam bestond, beteekende hij metterdaad zeer weinig."[27]

Van de ekonomische ondergeschiktheid der handwerkers geeft Van Rees eenige voorbeelden, die, van zijn ideologisch standpunt, een verhouding blijkbaar door de overmacht van het handelskapitaal teweeggebracht, aan den invloed van het liberale of vrijhandelsbeginsel toeschrijft. Het is niet te ontkennen, zeker, dat het handelsbelang, voor zoover men niet bij de wet hen had kunnen [ 263 ] verbieden hunne waar anders dan aan de kooplieden, hun stadgenooten, te verkoopen, een zooveel mogelijk onbelemmerde konkurrentie onder de industrieelen eischte. "De koopman-winkelier was de bezitter van het kapitaal, die de kleine producenten, in naam vrij, doch inderdaad geheel afhankelijk, voor zich liet werken en hunne produkten opkocht."[28] Vrije konkurrentie, dus, die gelijk altijd middellijk ten voordeele van de verbruikers kon komen, kwam voort uit geen ander beginsel dan het onmiddellijk voordeel van de kooplieden, de regeerende klasse in den Staat. Doch zelfs naar den schijn van eenige principieele of belangelooze liefde voor de vrijheid van bedrijf zoekt men tevergeefs, b.v. in een door Van Rees aangehaalde Amsterdamsche verordening uit het begin van de 17e eeuw, die, "ten einde te voorkomen dat de leden van een schippersgilde hunne diensten te duur zouden laten betalen, de vrachtloonen vaststelde, onder bepaling dat wel minder maar niet meer zou mogen gevorderd worden."

Een nog korteren weg gebruikten sommige stedelijke regeeringen "door de vorming van een schippersgilde opzettelijk tegen te houden, opdat hun monopolie de belangen des handels niet in den weg zou staan."[29]

 

II

 

De zeventiende-eeuwsche ekonomisten in ons land—representanten van kapitaal en regeering—zetten den oorlog tegen de handwerkers en hunne strijdbare organisaties in hunne geschriften voort.

De gilden benadeelen de verbruikers, tegenover wie zij monopolies vormen. De nijverheid door het weren van vreemdelingen, die zij buiten het lidmaatschap sluiten. De [ 264 ] kooplieden, doordat zij hooge prijzen vragen en hun aldus beletten te konkurreeren met 't buitenland. Den Staat, eindelijk, door het sterker maken van de schamele, onwetende, tot baldadigheid en oproer geneigde bevolking.

Proef afleggen om lid van het gilde te worden, zegt een schrijver in 1662[30], is goed en kan strekken tot een aanbeveling van den gezel. Maar verkeerd is het verbod om zonder de proef te arbeiden, wijl een beletsel voor de industrie. Men zegt dat het de broddelaars voorkomt: onjuist, want de leerlingen worden tegen betaling ingeschreven en leeren niets anders van het vak dan juist het proefstuk. Zoo handelen de meesters uit inhaligheid, zij krijgen geld toe of behoeven bijna geen loon te betalen. Dan worden bovendien de leerjaren noodeloos verlengd. Het lakenbereiden kan in twee maanden worden geleerd, volgens de verordeningen wordt er twee jaar over gedaan.

De gildemeesters toe te laten tot een souvereine vergadering is daarom volkomen verkeerd. Door hun eed gebonden de belangen waar te nemen van hun korporatie, zullen zij natuurlijk gesteund worden door de gezellen in het vak, en daardoor een overwicht krijgen op hun medeleden. "En bijna het ergst van alles is dat gildemeesters, als afkomstig van ambachtslieden, doorgaans op het stuk van regeering zeer onwetend zijn, zonder opvoeding, studie, ervaring of kennis van vreemde toestanden. Lieden van kleine middelen zijnde, kunnen zij bij oorlog en revolutie weinig verliezen, en hun broodwinning gemakkelijk naar vreemde landen overbrengen." "Meer nog: het waarachtig belang der ambachten is meest altijd strekkende tot nadeel aller andere ingezetenen. Want vermits zij leven van het vertier der handwerken in hunne stad, loopen al hunne gedachten voortdurend over maatregelen waardoor zij hun waren aan hun mede-ingezetenen tot hoogere prijzen zullen kunnen opdringen."

Een publicist van 1684, schrijver van een "Vertoog dat [ 265 ] een Volksregeering voor de gemeene ingezetenen van Holland zeer schadelijk zou zijn", oordeelt in denzelfden geest.

"Wat de bijeenkomsten van Gilden of Ambachten betreft, zegt hij, is het kennelijk dat al de leden of gildebroeders van hun mede-burgers het levensonderhoud ontvangen, en nooit vergaderen zij dan met de gedachte om hun gild te bevorderen en hun profijt ten nadeele van medeburgers te verhoogen, zonder in 't minst te letten op het welvaren van de stad."

Duidelijk is dit de beschouwing van het kapitaal, dat de vrije beschikking verlangt over de arbeidskracht, een lagen dunk heeft van de lieden die haar leveren, ja, hun den prijs misgunt dien zij er voor maken, en dezen ongeveer gelijkstelt met een aalmoes.—In vroeger tijden, zegt deze schrijver, vergaderden in de Hollandsche steden de burgers tot behandeling van de openbare zaak. Doch als nu de gilden politieke macht bezaten, die alleen hun eigen belang zoeken, zou het spoedig op een burgeroorlog en daarmee op een monarchale alleenheerschappij uitloopen.

Pieter de la Court in zijn beroemde Gronden en Maximen[31] doet de tegenstelling van handwerkers en kooplieden scherp uitkomen.

Meest al deze door gilden vereenigde en beschermde neringen en handwerken, schrijft hij, verkoopen binnenslands aan ingezetenen, die door visscherijen, manufakturen, reederij en handel leven.

Begunstiging van de gildebroeders kan dus alleen plaats vinden ten nadeele van alle anderen, betere ingezetenen, die van verkoop aan het buitenland moeten leven.

En voorwaar, klaagt de schrijver, onze door allerlei imposten op de konsumtiën zoo bezwaarde visschers, handelaars in manufakturen, reeders in schepen, of op vracht aanleggers en negotianten, in hun nooddruft nog [ 266 ] meer te bezwaren door deze monopoliën der gilden, en meteen te gelooven dat het strekt ten voordeele des lands, omdat het strekt ten voordeele der gildebroederen, die waarlijk wel noodige, maar, na de lediggangers, de minst nuttige ingezetenen dezes lands zijn, omdat zij van buitenlands geen winsten halen om daardoor de inwoners van Holland te doen welvaren—dat schijnt een geheel onbegrijpelijke zaak.

Het eenige betrekkelijk goede dat De la Court den gilden toekent is hun streven tot wering van produkten der uitheemsche industrie. Maar ook dit is een benadeeling van kooplieden en manufakturiers in Holland, voor zoover het hun belet te koopen op de goedkoopste markt. Terwijl het begunstigen van vreemde producenten volstrekt niet noodig zou zijn als men vrijheid van bedrijf instelde, ook voor hen die hier te lande geen vaste woonplaats hebben.[32]

De zelfzucht van de vereenigde handwerkers maakt zijn verontwaardiging gaande. Hoewel zij zich steeds beroepen op het algemeen belang, dienen al de beperkingen en lasten die het gildewezen aan de burgerij oplegt, nergens anders voor dan om goede ambachtslieden buiten de steden te houden, waar zij zich zonder de vereische kwalificatie van afgelegde proeven en leertijd niet mogen vestigen. En ondertusschen geeft dit den gildebroederen gelegenheid om hunne waren aan de stedelingen en omwonende boeren zoo veel duurder te verkoopen, en hen aldus te bezwaren met een nieuwe impost.

De vertegenwoordiger van den handel steekt den draak met de pogingen om door keuren van overheidswege den aard van de bewerking voor te schrijven.

"Deze schadelijke en belachelijke gewoonte onderstelt twee ongerijmde zaken." Ten eerste, dat de vreemde [ 267 ] koopers zullen willen koopen zoodanig als het ons zal lusten te maken. En ten tweede, dat men in andere landen nooit zal fabriceeren de waren die wij verbieden. Integendeel is de waarheid: dat de makers moeten leveren naar de wenschen van de koopers, en ook: dat al onze waren op het platte land in Holland, in naburige landen en in eenige Hollandsche steden evenzeer gemaakt kunnen worden, en bovendien goedkooper wegens lagere imposten op de levensmiddelen[33].

Eindelijk waarschuwt De La Court, woordvoerder van de regenten, tegen den staatkundigen invloed die van de georganiseerde ambachten kan uitgaan. Welke vrijheid de bevolking genoot of welke de regeering geneigd was te verleenen—zeker niet de vrijheid van zich te mengen in het bestuur der openbare zaak. Zelfs het recht van vergaderen ontzegt de schrijver der Maximen en Gronden aan de gilden.

Aangaande hallen en gilden voor de manufacturen, ambachten, visscherijen, negotiën, en navigatie is het een waarheid dat de gildemeesters, indien zij volgens eigen goedvinden, op bepaalde plaatsen en gezette tijden mogen vergaderen, wijl zij door gemeenschap van belang een sterken aanhang bezitten van bootsvolk, wevers, gezellen en werkgasten, zij een schoone gelegenheid kunnen vinden om oproer te maken tegen de personen der weinig talrijke aristokratische regeerders, en zich zelf in hun plaats stellen. En dat dit geen ijdele vrees is, blijkt uit de geschiedenis van alle Nederlandsche steden waar de gilden deze gevaarlijke vrijheid hebben genoten: Gent, Brugge, Antwerpen, Dordrecht, Luik, enz.[34]

Alle bijeenkomsten en beraadslaging van handwerkers bedoelen in het oog van deze schrijvers niet dan de schade van hun medeburgers. Gedurig wekken de gildebroeders, zegt Jan de la Court, elkander op om iets nieuws te verzinnen tot hun voordeel en ten koste van die hunne diensten noodig hebben. In hun vergaderingen verbinden zij zich hunne diensten en waren op hoogen [ 268 ] prijs te houden. Het wordt als een schande onder hen beschouwd zijn woord te breken. Al wat zij op deze wijzen extra verdienen, wordt op hun bijeenkomsten verbrast. De zekerheid die de organisatie hun verschaft, maakt lui en verkwistend. Het arbeidsloon moet afhangen van de kwaliteit van het werk. De regel "gezet loon voor gezet werk", door de gilden afgedwongen, is verderfelijk, zoolang althans men niemand tot goed werk kan verplichten. Want wie voor redelijk werk evenveel loon betaald krijgt als de beste, zal zich niet bijzonder inspannen—voornamelijk als er geen overvloed van aanbod is. En door een moeilijke proef, lange leerjaren en beperking van getal meesters, zorgen de gilden er voor dat het aanbod zooveel mogelijk beneden de vraag blijft.[35]

Zoo spreekt het kapitaal, dat nog niet over de arbeidskracht naar willekeur beschikt, en, aldus in zijn rechten verkort, iederen weerstand van de arbeidende klasse—die zoowel de knechts als de bazen omvat—als een misdaad tegen het algemeene welzijn beschouwt.

 

III

 

"De geschiedenis van Hollands ondergang is de geschiedenis van de onderwerping van het handels- aan het industrieele kapitaal."

Deze uitspraak van Marx (Kapital III, Kap. 20) moet, meenen we, zoo worden opgevat dat niet alleen de macht van het industrieele kapitaal, dat tegenover ons land zich gedroeg als een vreemde en vijandige macht, maar ook de inwendige werking van het handelskapitaal, de nationale kracht sloopte en verbrak.

De ontwikkeling van een nationale kracht in den meer modernen zin van het woord, heeft de heerschappij van het handelskapitaal zelfs nooit toegelaten.

Het industrieele kapitaal schept vergelijkenderwijs een solidariteit van belangen en een nationalen band. Uit den boezem van de moderne kapitalistische maatschappij [ 269 ] wordt een protest gehoord wanneer sommige industrieele kapitalisten de exploitatie van het proletariaat al te roekeloos bedrijven. Bij den goeden gang van zaken, bij den bloei van nijverheid en handel, bij orde en rust in de samenleving, heeft een groote klasse van ondernemers en een talrijke middenstand voortdurend belang. De exploitatie van een nog talrijker arbeidende klasse, waarbij de geheele maatschappij is betrokken, waarin ieder lid van de andere klassen zijn deel heeft, doet althans de betrekking van patroons en werklieden ontstaan, welke een gemeenschap van lokale en zelfs van algemeene belangen niet insluit. Zoo zij, wat de hoofdzaken aangaat, elkanders tegenstanders zijn, zoo zijn zij toch geen vreemdelingen voor elkaar. Eveneens gevoelen zich de kapitalistische groepen onder het industrieele kapitaal enger verbonden. Kooplieden, fabrikanten, bankiers, hooge ambtenaren, deelen met elkander de onbetaalde arbeidsvruchten van het proletariaat en zijn geïnteresseerd bij een hoogen winstvoet en een bestendige, ongestoorde ontwikkeling van produktie en ruil. Ook tegenover het buitenland zijn alle maatschappelijke klassen, vergelijkenderwijs en zoover het kapitalisme haar eenige voordeelen geeft, solidair en nationaal.

Geheel anders is het met dit alles gelegen in de samenlevingen onder het handelskapitaal.

Bij afwezigheid van kapitalistische produktie, van een geheele groote klasse der bevolking, dus, wier arbeidsprodukten de bezitters der produktiemiddelen tot zich nemen, legt het kapitaal in zijn anderen vorm en werkkring beslag op het arbeidsprodukt van allen zonder onderscheid die het kan dwingen. Maar het bezit niet de produktiemiddelen, kan dus niet doen arbeiden door het koopen en gebruiken van de arbeidskracht. Het bezit alleen het geld—en die dwangmiddelen welke voor geld te koop zijn: legers en vloten. Het doet arbeiden, derhalve, niet door arbeidsmiddelen te doen gebruiken, maar door zelf gebruik te maken van dwangmiddelen.

Waar dit het gemakkelijkste gaat, op den uitgebreidsten voet mogelijk is en tevens de grootste winsten be[ 270 ] looft, is natuurlijk het gebied van zwakkere volken die kostbare produkten voortbrengen of kunnen vóórtbrengen: de tropische gewesten[36]. Arbeidsvruchten die reeds op deze of andere wijze geoogst werden, met geweld te onderscheppen, is een andere methode van het handelskapitaal, ook door de Hollanders aangewend zoolang zij er de kans toe zagen. Koopvaart en zeeroof heeft behoord tot de primitieve kapitalistische uitbuiting, allengs in onbruik geraakt toen de kapitaalbezittende klassen, voor deze ongewisse en wederzijdsch verderfelijke middelen, de zekerder en veiliger en op den duur produktiever manier konden toepassen van het exploiteeren eener vreedzame en weerlooze arbeiderbevolking, ieder in haar eigen land.

Voor het overige, behalve het geweld ter zee en in de koloniën, zoover het handelskapitaal inderdaad handel drijft, kent het ook dan slechts de methode van exploitatie die berust op de overmacht van het geldbezit. Bestanddeelen van die overmacht zijn de gewone geweldmiddelen en ook de kennis, de ervaring en de geestkracht in den handel zelf verkregen. Het koopmanskapitaal, niet als een speciaal onderdeel van het maatschappelijk totaalkapitaal en aan het industrieel kapitaal ondergeschikt, is alleen bestaanbaar in de maatschappij waarin kleinbedrijf en de daarbij behoorende gebrekkige staat van vervoermiddelen en geïsoleerdheid van landen en volken regel is. Bekendheid met vreemde waren en markten, met verre wegen, met behoeften en krachten van andere samenlevingen, met de gesteldheid der wereld, in één woord, buiten eigen stad of dorp, is in die tijden als een monopolie van de kooplieden[37].

[ 271 ] Zoolang deze toestand duurt, zullen de kooplieden, optredende als bemiddelaars tusschen de onontwikkelde gemeenschappen, hun voordeel kunnen doen met de achterlijke ekonomie der bevolkingen. Een groot deel van hare arbeidsoverschotten, waarvan zij den ruil tot stand brengen, verdwijnt in hun zakken.

 
"Zoolang het handelskapitaal, schrijft Marx, den produktenruil tusschen onontwikkelde gemeenschappen tot stand brengt, schijnt de handelswinst niet slechts bedrog en afzetterij, maar komt ook werkelijk grootendeels daaruit voort.
"Behalve dat het de verschillen tusschen de produktiewijzen van verschillende landen uitbuit (en in dit opzicht werkt het op de gelijkmaking en vaststelling van de warenwaarden) brengen die produktiewijzen mee, dat het koopmanskapitaal zich een groot deel van het meer-produkt toe-eigent, hetzij als tusschenpersoon bij gemeenschappen waarvan de produktie nog hoofdzakelijk het direkte verbruik ten doel heeft, en voor welker ekonomische inrichting de verkoop van het in de cirkulatie opgenomen deel der produktie, dus in 't algemeen de verkoop der produkten naar hun waarde, van ondergeschikt belang is—hetzij omdat in die vroegere produktiewijzen de voornaamste bezitter van het meerprodukt, waarmee de koopman handelt, de slavenhouder, de middeleeuwsche grondheer, de Staat (b.v. de Oostersche despoot) den genietenden rijkdom vertegenwoordigen, door den koopman om den tuin geleid wordt....

[ 272 ]

Het handelskapitaal in den tijd zijner volle heerschappij maakt aldus een stelsel van berooving uit... gelijk in Karthago, Rome, later bij Venetiërs, Portugeezen, Hollanders enz."
 

En niet alleen gewelddadigheid—het karakter van de oude koopmansschap is ook wisselvalligheid, spekulatie, roekeloosheid. Het industrieel kapitaal haalt zijn winsten, waarin thans de afgeleide en ondergeschikte kapitaalsvormen deelen, door een volledige organisatie van het bedrijf met bijna machinale zekerheid en regelmatigheid uit den arbeid van het proletariaat. Maar als de voorwerpen van uitbuiting vreemde en somtijds verre bevolkingen zijn, vaak door militair geweld of diplomatieke overeenkomst tot levering of tot aankoop van goederen gebonden, dan is iedere handelsoperatie als het ware een nieuw waagstuk, waarbij veel is te winnen, maar ook veel of alles te verliezen.

Traktaten kunnen worden verbroken, militaire overmacht verslagen; de beste berekeningen en meest omvattende handelskennis falen somtijds. Deze handel is uit den aard daarom een onzeker bedrijf wijl hij niet een industrie bedient die op regelmatige wijze voor den handel doet produceeren. En de ekonomische ontwikkeling van de landen, die elk op zich zelf het uitbuitingsgebied van het inheemsche kapitaal gaan vormen, wordt ten slotte de oorzaak die aan dezen handel als bedrijf een einde maakt. Deze oorzaak begint zich te doen gevoelen in allerlei verbodsbepalingen die den handel meer en meer belemmeren, dikwijls plotseling geheele Staten voor hem afsluiten. De Hollandsche kooplieden zijn op deze wijs verdreven uit Engeland, Frankrijk, de Oostzee, enz. Er bleef ten slotte bijna niets over dan de eigen koloniën. De volksplantingen, die vooral aan de industrie van het moederland ten goede kwamen, waren ons door de Engelschen reeds afgenomen: Zuid- en Noord-Amerika, daarna De [ 273 ] Kaap en eenige West-Indische eilanden. En Oost-Indië, niet voor de industrie geëxploiteerd maar door den handel uitgemergeld, was tegen het einde dezer tijden geen bezitting meer die veel opleverde.

Dat onder deze omstandigheden de handelaren optreden als verreweg de meest ondernemende en winzieke lieden van hun tijd, kan ons niet verwonderen.

Zij kunnen niet tevreden zijn met een relatief klein maar vast aandeel in het profijt, dat de uitbuiting van een arbeidende klasse, meerderheid van iedere bevolking, hun oplevert. De arbeidersklasse, die er vandaag is, is er morgen ook nog. Maar de stad of streek waarvan men als koopman de bevolking het vel over de ooren haalt, is misschien weldra door een "akte van navigatie", door hooge invoerrechten, door een verbod van vreemde waar, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of voorgoed, als object van uitbuiting, niet meer beschikbaar. De algemeenheid van de uitbuiting, thans, heeft een voor de kapitalistische klassen van alle landen onmisbare veiligheid van bedrijf en bezit geschapen. Bij het ontbreken van voldoende waarborgen van zoowel het een als het ander, moet de winst evenredig aan het risiko zijn. De waarborg die in den aard der moderne uitbuiting tot op zekere hoogte voor de uitgebuite klasse zelve ligt, komt bij die andere methode niet voor. Althans in den tijd, dat nog de heele wereld open ligt voor den koopman, is er geen sprake van eenige verschooning. De vermaning om het hoen te sparen dat de gouden eieren voortbrengt, heeft op hem geen vat, wijl het geheel onzeker is, dat niet een ander ze morgen zal rapen. De konkurrentie der kapitalisten onderling is in het industrieele tijdvak een krachtig motief. Doch zij wordt oneindig minder gewelddadig, willekeurig en onberekenbaar gevoerd dan in het zuiver kommercieele. De konkurrentie thans doet den winstvoet dalen. Voorheen vernietigde dikwijls de konkurrentie niet alleen alle kans op winst, maar deed kapitaal en winst beide verloren gaan. Zij voerde oorlog, rustte kapers uit, sloot havens, verdreef nederzettingen.

Zoo was het bedrijf een door tallooze gevaren bedreig[ 274 ] de en aan de nadeeligste en meest onzekere kansen onderworpen exploitatie van naburen en vreemdelingen, vriend of vijand, zonder onderscheid van klasse of stand. De rol van het proletariaat in de hedendaagsche maatschappij wordt daarbij vervuld door iedere bevolking in haar geheel, in zoover zij, voor behoeften of genietingen, van het handelskapitaal afhankelijk is. En de koopman, voorganger van den kapitalistischen ondernemer, moet, om koopman te kunnen zijn, tevens krijgsman, zeevaarder, ontdekkingsreiziger en diplomaat zijn. In al deze frakties staat hij bloot aan ruïneuze geldelijke verliezen, en moet hij, om zijn bedrijf te kunnen volhouden, zich trachten te dekken door beurtelings zich van al zijn krachten en bekwaamheden te bedienen. Dit komt de volkeren waarmee hij handelt te staan op zware kosten. Zij kunnen hem niet missen, maar verachten en haten hem. Zoo spoedig mogelijk ontslaan zij zich van zijn diensten. Voor de groote massa van de bevolking beteekent dit een verandering van meester, de onderwerping aan den industrieelen kapitalist.

Een voorbeeld, ten slotte, van de wijze waarop in dezen tijd de kommercieele uitbuiting gedreven werd, verreweg belangrijker dan de nog weinig ontwikkelde industrieele.

De verzameling brieven gericht aan Cromwell's minister Thurloe bevat een stuk uit het jaar 1656 inhoudende klachten van planters in Virginia, Noord-Amerika, dat na het verbieden van de Hollandsche scheepvaart hun tabak niet in voldoende hoeveelheid werd uitgevoerd. "Wanneer men er niet een weinig de hand mede licht, zal het tot groote schade strekken van het bedrijf dat het begunstigen moest. Evenwel wordt een deel van de tabak naar Hollandsche plantages gebracht en aldus in 't geheim door Hollandsche schepen verladen. Adressanten stellen voor door de Hollanders een gedeelte van den oogst te laten vervoeren, tegen betaling van rechten welke ten bate van moederland en kolonie aan te wenden zouden zijn. Ook, door de Hollandsche schepen negers te doen aanbrengen, en eventueele overschotten te gebruiken tot verbreiding van het Evangelie...."

[ 275 ] Nog iets anders als de onmisbaarheid van de Hollandsche vrachtvaarders blijkt uit dit dokument. Toen dezen nog met de Engelschen konkurreerden, waren de producenten van het artikel in veel betere konditie, schrijven ze. Nu zij nog maar alleen met hun landgenooten onder de kooplieden te doen hebben, waarvan eenigen ook zelf planters waren, moeten zij genoegen nemen met alle voorwaarden die hun worden gesteld. De koopman, dus, hij die den ruil tot stand brengt en den verkoop bezorgt, is de sterkste partij, de kapitalist, die de prijzen bepaalt:

 
„Welke voldoening, zeggen de schrijvers, de arme planter thans nog smaakt van zijn arbeid sedert de Hollanders uit de vaart verdreven zijn geworden, blijkt uit de klachten van allen hier dat zij thans slaven van de kooplieden zijn, die hun nauwelijks een halven stuiver per pond gunnen voor hun tabak.
Behalve dat, sedert de Hollandsche handel verboden werd, is een groote hoeveelheid tabak door gebrek aan scheepsgelegenheid achtergebleven en bedorven, tot bijna volkomen ondergang van velen hunner.
En dit zal weldra den kleineren man onder hen (driekwart van het geheele getal) geheel ruïneeren en hem brengen in een staat van slavernij tegenover de rest die, omdat zij kooplieden zoowel als planters zijn, des te beter hem zal kunnen onderwerpen".[38]
 

IV

 

De Nederlanders van de 16e en 17e eeuw hebben als volk denzelfden naam gedragen die in den loop der tijden gegeven is geworden aan de Joden als ras—berucht en gevreesd om hun geslepenheid en meedoogenlooze baatzucht in den handel.

In een wereld van enkelvoudige, vóor-kapitalistische waren-produktie veelal nog met direkte, slechts voor gebruik in eigen kring bestemde produktie, is de handel die [ 276 ] blijkbaar alleen verrijking op het oog heeft, noodzakelijk een zeer aanstootelijk bedrijf. Hoewel reeds onmisbaar en zich steeds meer onmisbaar makende, wordt de kommercieele uitbuiting, vaak van oorlog en diefstal nauwelijks te onderscheiden, gevoeld als een euvel, strijdende tegen de moraal van de overige samenleving.

Ziehier eenige getuigenissen—uit verschillende talen en tijden—uitweidingen op het thema in 1568 door Guicciardini, den Italiaan, in deze korte karakteristiek van de Nederlanders gegeven:—"tenans peu de comte de l'interest du prochain"[39].

"Het is een gangbaar woord", schrijft de Fransche ekonomist Montchrétien in 1615, "maar volkomen naar waarheid, dat zij alles bederven waar zij verkeeren, hetgeen goed overeenkomt met die andere uitdrukking welke zij dikwijls op zichzelven toepassen: waar een Hollander zijn behoefte heeft gedaan, wil niets meer groeien." Die natie heeft, zegt hij, aan de Franschen ontnomen den handel op Senegal, de kust van Guinea en Barbarije. Thans zijn zij bezig met Canada: altijd tweemaal zooveel biedende als een ander kan geven, tevreden met een kleine winst, om hun menigte schepen maar bezig te houden[40].

In het feudale Frankrijk, waar de ridderlijke deugden ook bij de burgerij in eer waren, zag men laag neer op een volk dat het meeste om voordeel gaf. "In den koophandel grootgebracht," zegt de auteur van een boek dat bestemd was vreemde bezoekers van de Republiek van dienst te zijn, "bevinden zij zich meer op hun gemak in een winkel dan in een schermzaal, en zijn beter geschikt om goud en zilver te tellen dan het staal te voeren."[41].

In een ander werk van denzelfden tijd, 1669, leest men:—"zij hechten minder aan de eer dan andere volken, zij zijn meer op winst gesteld, het is alsof hun met de moedermelk een verraderlijke begeerte naar rijkdom wordt ingegeven. Zij zien tegen geen moeite op en gaan [ 277 ] welgemoed naar Indië wanneer het hun lastig wordt gemaakt."[42]

Uit twee Engelsche reisgidsen voor Holland in de 18e eeuw:

 
"....het geld, afgod van de wereld, wordt hier hooger vereerd dan in eenig ander land, waar het de plaats inneemt van geboorte, geest en verdienste.
"In het algemeen is geld de godheid die in Amsterdam wordt aangebeden. Het schijnt dat niets anders op prijs gesteld of besproken wordt—alsof eer, verdienste en geluk er uitsluitend in bestond".[43]
 

Honderd jaar geleden was hetzelfde gezegd geworden door William Temple, den Engelschen gezant, overigens geen onwelwillend beoordeelaar: "Holland is een land waar het voordeel in hooger aanzien is dan de eer"[44].

Menigmaal, ook, wordt deze kritiek van een neiging die het volkskarakter meer dan iets anders scheen te kenmerken, toegelicht door het verhaal van feiten als enkel van Hollanders te verwachten waren. In de buitenlandsche politiek, b.v., kon men er zeker van zijn dat zij de partij van de sterksten kozen, indien ze althans niet onzijdig konden of durfden blijven. Toen de tijd voorbij was dat zij met geweld plachten te dwingen, kwam de tijd dat zij door vriendelijkheid zochten te behagen.—Een der groote Engelsche romanschrijvers en essayisten uit het midden van de 18e eeuw, Oliver Goldsmith, vergelijkt de houding van de Hollanders in het Oosten bij den indruk dien zij in Europa maken.—"Ik sta daarover verbaasd," zegt hij:

 
"In Azië zie ik hen als de trotsche gebieders van al de Indische zeeën; in Europa, de beschroomde inwoners van een onbeteekenend landje. Niet langer de zonen der vrijheid, doch de zonen der baatzucht; niet langer de strijders voor hun recht door stoutmoedigheid maar met onderhandelingen; zij kruipen voor hunne beleedigers en bukken onder de roede van iedere naburige mogendheid.

[ 278 ]

"Zonder een vriend om hen bij te staan in den nood en zonder de kracht om zich zelven te redden, zijn zij een zwakke staat en zullen door den rijkdom van hun bewoners de begeerigheid opwekken van een vreemden aanvaller".
 

Aan welken kant zal de Republiek zich stellen in den strijd tusschen burgerij en koningschap onder de Stuarts? Toen nog de monarchie de overhand had en sommige republikeinen op steun van Holland schenen te hopen, werd hun door iemand die onze natie meende te kennen aan het verstand gebracht "dat de Hollanders, zooals iedereen weet, de winsten van den handel boven alles lief hadden, dat het dus gevaarlijk zou zijn op zulk een slag van lieden zich te verlaten"[45].—Omgekeerd, nadat het hoofd van Karel I was gevallen en de burgerlijke revolutie had gezegevierd, noteerde niet zonder spijt een aanhanger van de reaktie, dat hem, maaltijdende bij den Nederlandschen gezant, te verstaan was gegeven dat de zaak van den toekomstigen Karel II niets te verwachten had van Nederlandsche hulp[46].

 
"De gezant gaf vrij wel toe dat in zijn land de menschen enkel hun eigen welzijn zoeken en niets uit dankbaarheid verrichten, dan alleen als het eigen voordeel of veiligheid dient; daarom moesten de Engelschen niet uitzien naar bijstand aan den verbannen koning."
"Dit", voegt de monarchale schrijver er bij, "was voor mij niet aangenaam om te hooren, ofschoon een zeer oprechte bekentenis".
 

Uit zuivere winzucht in hun bedrijf nemen de Hollan[ 279 ] ders de solidariteit der beschaafde Europeesche volkeren geenszins in acht. Natuurlijke en onverzoenlijke vijanden der koloniale mogendheden, zijn de oorspronkelijke bewoners van hare bezittingen. Onverzoenlijke en natuurlijke vijanden van de Protestantsche Staten, de regeeringen der Roomsche landen; de Turken, desgelijks, van de geheele Christenheid. Niettemin—zoo luidt de onophoudelijke beschuldiging van de internationale pers—leveren de Nederlandsche handelaren voor grof geld hunne diensten en goederen aan ieder zonder onderscheid die hen betaalt: aan de Amerikaansche roodhuiden, aan de Spanjaarden, aan de Mohammedanen.

Aan den protektor Cromwell wordt gemeld in November 1653 uit een plaats in Noord-Amerika dat de inboorlingen krijgsbehoeften hebben gekocht van de Hollanders.

 
"....en, schrijft de berichtgever, door middel van dezen verdoemelijken handel, gelijk de Hollandsche bewindvoerder het zelf noemt, betoont dit aardschgezinde ras, wier geld hun God is, zich uiterst voorkomend aan de barbaren die als een welgewapende macht hen zullen bijspringen, zoo wij iets tegen de Hollanders zullen ondernemen, en aanvallen op de Engelschen".[47]
 

Engelschen en Zweden, goed gereformeerde volken, zijn minder bij hen in tel dan het katholieke Spanje. Uit Amsterdam wordt in 1656 naar Engeland geschreven:

 
"Wat de gemeenschappelijke zaak betreft, is er geen de minste hoop dat Holland, in deze provinciën de aanzienlijkste, zich voegen zal bij hen die haar zoeken te bevorderen omdat zij voor deze laatsten meer haat en vijandschap gevoelen dan voor den gemeenschappelijken belager der Protestanten.
"Ook houden zij vol, dat hun belang meebrengt dat zij Engeland en Zweden tegen elkander doen opwegen, wat reeds een aangenomen leerstelling bij hen is; zoodat zij hiervoor openlijk uitspreken dat zij meer winnen met Spanje dan met al de overige Rijken...."[48]
 
[ 280 ] De korrespondent maakt de gevolgtrekking dat de Hollanders en voornamelijk die van Amsterdam, inwendig papisten, mogelijk zelfs wel atheïsten zijn. Er loopen onder de regeerders geen twee of drie waarachtige protestanten, "die in dit gewest alles besturen volgens de eischen van het partikulier belang."

Het wegwerpen van den nationalen trots, ja van menschelijke waardigheid wordt door Goldsmith aan Nederlandsche kooplieden verweten, die, bij uitsluiting van alle andere natiën, toegelaten worden tot den handel in Japan. Waar of onwaar, een beeld of een satire, doet het verhaal ons zien welke voorstelling men zich buitenaf maakte van de vernedering die de uitmuntende vertegenwoordigers van het kapitaal zich somtijds hadden te getroosten. De reiziger uit China, de "wereldburger" die verondersteld wordt zijn indrukken te geven van Engeland en de Engelschen, schrijft ditmaal uit de stad Jeddo, wier bewoners weinig in zijn smaak vallen. "Maar, zegt hij, ofschoon ik de inboorlingen barbaren vind, schijnen mij de Hollandsche handelaren die hier koopmansschap mogen doen, nog meer verachtelijk." "Aan hen heb ik geleerd wat een Europeaan zich laat welgevallen om winst."

De Hollandsche afgezant zal door den keizer worden ontvangen. Kostbare geschenken, den heerscher eerbiedig aangeboden, gaan vooraf, begeleid door muziek en dans. Vervolgens de representant der begunstigde kooplieden met zijn stoet, allen gehuld in zwarte sluiers die hun het uitzicht beletten, en begeleid door daartoe gekozen bedelaars van de straat, een optocht die reeds de vroolijkheid van de stedelingen heeft gaande gemaakt. Na eenig wachten verschijnen zij voor den keizerlijken troon. Op een teeken van een hofbeambte werpt de [ 281 ] gezant zich voorover en nadert op handen en voeten. Zich verheffende op zijn knieën buigt hij het hoofd ter aarde, en verwijdert zich wederom kruipende, met de bewegingen van een kreeft.

 
"De menschen, roept de verhaler uit, moeten wel ontzaglijk hechten aan rijkdommen als zij gewonnen moeten worden door daden van de meest verachtelijke gedweeheid.... Vereeren de Europeanen den Schepper zelf met de teekenen dezer gehoorzaamheid, tentoongespreid voor een barbaarschen koning, die hun verlof geeft om sieraden en porcelein te koopen? Welk een roemrijke ruil: de nationale waardigheid, en zelfs alle aanspraken op menschelijkheid, af te staan voor een kamerschut of een snuifdoos".
 

De tweede plechtigheid waaraan de Hollandsche vertegenwoordigers verplicht zijn zich te onderwerpen is zoo mogelijk voor hen nog smadelijker. De keizer en zijn hovelingen wonen zonder gezien te worden het schouwspel bij, dat het best vergeleken kan worden bij de ontgroening van jonge studenten. Behalve dat zij kruipen en in het stof buigen als te voren, worden hun een menigte belachelijke en vernederende vragen gesteld: hoe zij heeten en hoe oud zij zijn, zij moeten staan, zitten, elkander begroeten, beschonken zijn, Japansch en Hollandsch spreken, eten, drinken, zingen enz. En nog hield het plagen van de "mijnheers" hier niet mee op. Het pijnlijke bezoek moest worden herhaald bij ieder aanzienlijk hoveling die het gelastte—zelfs de kinderen vermaakten zich buitengewoon met de dansende Hollanders.

 
"Verga, laat Goldsmith zijn vreemdeling ten slotte uitroepen, verga de schat dien ik koopen moet met mijn eer en mijn waardigheid. Liever leed ik mijn leven lang gebrek dan rijkdommen te vergaren op deze wijs!"[49]
 
[ 282 ] Uit verscheidene pleidooien voor het geoorloofde van handel en vriendschap met de Turksche landen in de Middellandsche Zee, moet men opmaken dat zelfs vele landgenoten deze betrekkingen niet konden goedkeuren—of, zooals in onzen tijd Mr. H.J. Koenen zegt, "niet dan langzamerhand hun geweten onbezwaard voelden om zich te verbinden met de Ottomanische Porte, welke sedert de vermeestering van Konstantinopel als de grootste en geduchtste vijand der Christenheid werd beschouwd."[50]

Een geestverwant van Mr. Koenen, de streng rechtzinnige predikant Willem Baudart, heeft in zijn werk over de "gedenkwaardigste geschiedenissen" van de jaren 1603 tot '24, uitvoerig geschreven over de vraag—welke hij bevestigend beantwoordde—"of het den Christenen vrijstaat handelingen van vrije kommerciën te maken met Turken en Mahomenisten."—Nergens, leert hij, vindt men in den Bijbel de talrijke gevallen van verkeer en handel van Joden met Heidenen afgekeurd of verboden. Voldoende reden om te besluiten,

 
"dat de kinderen Godes ook mogten verbindtenissen maken met de genen die aan Godes Volk en Kerke vreemd zijn, strekkende tot burgerlijke rust en vrede of tot vreedzame bezitting der goederen die men van God ontvangen heeft, ook tot vermeerdering derzelven door koopmansschap en eerlijken handel".[51]
 

Onze landgenooten, herinnert Baudart, zijn trouwens niet de eersten onder de kinderen Gods die, om wat te verdienen, zich aangenaam gemaakt hebben bij den Turk. Waarom, vraagt hij, dan zoo erg afgegeven op ons, die alleen van voorgangers of konkurrenten hierin verschillen dat hun traktaat met den Grooten Heer voordeeliger is geweest? Bovendien, de oorlog tegen Spanje, toen Baudart schreef tijdelijk gestaakt, was een Gode welgevallige [ 283 ] maar kostbare onderneming—en wij verdienen, in plaats van bitse aanmerkingen, veeleer een felicitatie als de vaart op Turkije en de Levant ons een weinig schadeloos komt stellen.[52]

Een onzer reeds genoemde ekonomisten, Pieter de la Court, acht het blijkbaar onnoodig zich op andere autoriteiten te beroepen dan het welbegrepen eigenbelang. Hij geeft in zijn Gronden en Maximen het advies dat de in de kringen der handelskapitalisten gangbare meening blijkbaar ten volle en zeer duidelijk uitdrukt. Men bemoeie zich, vermaant hij, zoo weinig mogelijk met buitenlandsche twisten, vermijde tot elken prijs het oorlogvoeren en bepale zich tot een zuiver defensieve politiek. "Dit," schrijft De la Court, "is tegen den geest van de edellieden, de soldaten en het domme gepeupel, die meenen dat wij daardoor allen roem en reputatie zouden verliezen." Maar de vertegenwoordiger van het kapitaal heeft opgemerkt "dat beschimmeld zilver bij verstandige lieden meer waarde heeft dan blinkend koper"—en dat een Fransche spreekwijze niet ten onrechte zegt: qui en a le profit, en a l'honneur.[53] Zoo werd geschreven ruim twintig jaar na den Munsterschen vrede, toen de ervaring van de Engelsche oorlogen, die de militairen roem genoeg opgeleverd, maar aan de kooplieden schatten geld hadden gekost en ook reeds de nederzettingen in Nieuw Holland doen verloren gaan, de oorlogzuchtigheid althans in de handelswereld aanmerkelijk had getemperd. De tijd van de onbeperkte heerschappij ter zee was ten einde, en de tweede periode in de geschiede[ 284 ] nis van het handelskapitaal aangebroken wanneer de klandizie meer als een gunst gezocht dan als een prijs veroverd wordt.

Temple de gezant heeft in zijn meer genoemde gedenkschriften de hoedanigheden van den koopman die voor zijn oogmerk geen middel ongebruikt laat—die niet als de moderne ondernemer van nijverheid of handel een gansche bevolking, de arbeidende klasse in vijf werelddeelen tot zijn dienst en exploitatie gereed vindt, welke om strijd haar arbeidskrachten aanbiedt, maar die voor elke onderneming als het ware het voorwerp zijner uitbuiting opnieuw moet zoeken, een voorwerp dat hem telkens door konkurrenten afgenomen, door diplomatie en politiek verboden, door oorlog ontoegankelijk gemaakt kan worden, afgezien nog van de groote kans dat zijn berekeningen falen of wel de vruchten eener welgeslaagde affaire onderweg worden geroofd: en die daarom, wil hij kunnen slagen, wil hij vroegere verliezen goedmaken en tegen toekomstige verliezen zich dekken, geen enkel middel ongebruikt laten mag; Temple heeft de hoedanigheden welke onder den drang der omstandigheden gewekt worden, met groote scherpzinnigheid aangeduid. De geldgierigheid, die bij tijden als roekeloosheid en overmoed verschijnt, als lafheid en onderdanigheid bij andere tijden, is steeds de naar tijden zich wijzigende en aan omstandigheden zich passende koopmansgeest, in den strijd om het bestaan in de wereld van het oude handelskapitaal gevormd.

 
"Zij gebruiken, schrijft Temple, hun bekwaamheid en hun schranderheid om partij te trekken van anderer lieden onkunde en dwaasheid met wie zij in aanraking komen; en stellen hooge eischen als zij de sterksten zijn.
"In andere streken, als zij te doen hebben met menschen die even goed op de hoogte zijn als zij, en zij zich onder bereik bevinden van wet en recht, zijn ze de oprechtste en eerlijkste kooplieden van de wereld.

[ 285 ] "En dit schijnt minder voort te komen uit een voorschrift van het geweten of uit een beginsel van zedelijkheid, dan wel uit een gebruik of gewoonte door den eisch van den handel bij hen ingevoerd, welke handel evenzeer op goede trouw berust als de oorlog op krijgstucht, en zonder welke alles teniet zou gaan, de kooplieden in marskramers veranderen en de soldaten in dieven".[54]

 

V

 

Wij moeten nu, na dit weinige over de manier waarop het kapitaal in zijn oude gedaante en werkzaamheid naar buiten optrad, iets zeggen over zijn exploitatie van de eigen bevolking tot welke de handeldrijvende klasse behoorde. Wij zien daarbij af van hare verrichting als industrieelen, chefs van huisindustrie of manufaktuur, welke verrichting, ofschoon veelal in den persoon van den koopman met dien van den handelaar als zoodanig vereenigd, hier, wijl ekonomisch van geheel anderen aard, buiten beschouwing moet blijven. Het is trouwens reeds gebleken dat in de werkelijkheid de tegenstelling van industrieelen en handelaren zich voortdurend deed gevoelen, zoowel in de buiten- als binnenlandsche kommercieele en finantieele politiek, waarbij in den regel het belang van den handel de sterkste faktor bleek.

Het is ten eerste duidelijk dat het staatkundig gebied van het handelskapitaal niet in aanmerking komt bij de uitgestrektheid van terrein onder het moderne kapitaal. Een talrijke arbeidersklasse, groote oppervlakten voor het verbouwen of delven van grond- en hulpstoffen, voor de oprichting van haar werkplaatsen benevens de woonplaatsen van het volk en alle bijbehoorende inrichtingen,—het handelskapitaal heeft zoo min het een als het ander noodig. De beschikking over grond en menschen in zijn onmiddellijke nabijheid is zijn voornaamste streven niet. Zijn "proletariaat" is het inwonertal van alle Rijken [ 286 ] waar het den voet zet. Zijn grondgebied, de wijde wereld en de ruime zee. Een gunstig gelegen, goed versterkte, van een goede haven voorziene stad, met een genoegzaam aantal inwoners voor het gaande houden van de industrieën die van den handel onafscheidelijk zijn (en die aan een gedeelte van het aldus gebruikte kapitaal een ander karakter geven)—dit is al wat het handelskapitaal aan land en menschen behoeft. Zelfs een kloek en scheeprijk dorp als Broek in Waterland kan zijn zetel en daardoor een wonder van de wereld worden. Deze handel is nooit een bedrijf geweest dat groote Staten schiep, hij is het stedelijk bedrijf bij uitnemendheid: het werk dat, om alleen van de nieuwere tijden te spreken, Venetië en Genua, Antwerpen, Brugge en Amsterdam groot en geducht maakte. Behooren de handelssteden, als een gevolg van vroegere omstandigheden, historisch tot een grooter gebied, dan zal de eenheid met de overige bevolking nooit zeer innig zijn, en de tegenstelling tusschen stad en land, tusschen verschillende steden onderling, tusschen de deelen en het geheel, voortdurend voelbaar blijven. Het ekonomische geheel is inderdaad de handeldrijvende stad. Van haar standpunt is al wat het politieke verband meer omvat doorgaans overtollig en dikwijls schadelijk. Een ballast dien zij heeft mee te voeren, een aanhang dien zij moet verzorgen. Gebrek aan samenhang, onophoudelijke geschillen, afwezigheid van centrale leiding en eendrachtig handelen moest het kenmerk zijn van de geschiedenis onzer Republiek, waarvan de meest levensvatbare en heerschende bestanddeelen even zoovele afzonderlijke gemeenebesten waren van ongelijke sterkte.

De lotgevallen van het overige deel der Nederlanden konden b.v. de stad Amsterdam tot op zekere hoogte onverschillig blijven. In meer dan één oorlog, of bij andere gelegenheden, zooals men weet, heeft dan ook de regeering van Amsterdam een onafhankelijke politiek willen volgen, aparte overeenkomsten aangaan en uitsluitende voordeelen bedingen met vreemde mogendheden. Zoolang de koopman maar zijn schepen kon uit[ 287 ] rusten en de vaart niet meer dan de gewone belemmeringen en risiko's ondervond, wat ging hem dan de rest van de republiek, van de provincie aan? Sommige kooplieden waren tegelijk industrieelen, en de handel die de goederen vervoert, bewaart, sorteert en somtijds eenige bewerking doet ondergaan, heeft voor deze verrichtingen een zeker getal arbeiders noodig. Maar het gedeelte van het kapitaal voor arbeidsloon bestemd, zal uit den aard van het bedrijf bij dezen handel slechts een klein bedrag van het geheel kunnen zijn. Het industrieele kapitaal, daarentegen, dat groote arbeidersmassa's gebruikt, heeft ook veel belang bij den toestand van de streken en klassen, welke hem de onmisbare arbeidskracht bezorgen. Van welken landaard zijn werkvolk is, onder welke wetten zij leven en geleefd hebben, kan een groot verschil voor hem opleveren. Alle regelingen van staatswege welke de gesteldheid van het proletariaat betreffen, zijn voor hem van gewicht. Hij moet wenschen dat zoodanige regelingen, tot zijn voordeel ingevoerd, gelden voor een zoo groot mogelijk politiek gebied. Dit maakt dat het eindigt bij de plaats waar de industrie gevestigd is. Om de genoemde redenen was dit in volstrekten zin van het woord evenmin het geval onder het handelskapitaal, bij thans vergeleken evenwel was dat belang bijna nul. Omstandigheden tengevolge waarvan de Amsterdamsche kooplieden veel meer geïnteresseerd waren bij gebeurtenissen in een stad of streek van het verre Oosten of Westen dan bij wat er voorviel in Haarlem of in Utrecht, zullen zich dagelijks hebben voorgedaan.

De andere groote oorzaak van samenhang en eenheid over een veel uitgestrekter grondgebied in het moderne kapitalisme ligt hierin, dat de industrie niet slechts buitenlandsch maar ook binnenlandsch debiet begeert. Waar de staatkundige grenzen getrokken zijn, eindigt ook de binnenlandsche markt. Uit dit oogpunt kunnen die grenzen nooit ruim genoeg zijn getrokken. Afschaffing van alle binnenlandsche beperkingen van verkeer en vervoer, opheffing van tolliniën, stedelijke en provinciale invoerrechten enz., vervolgens ook vergrooting van [ 288 ] grondgebied, annexatie en imperialisme, invloed der nationale idee over een zoo groot mogelijk terrein: ziedaar eischen van het kapitaal in zijn latere periode.

Voor het oude handelskapitaal, omgekeerd, komen niet in de eerste plaats de landgenooten als afnemers te pas. Vandaar een veel beperkter opvatting van het begrip en een minder groote belangstelling in de personen. Amsterdam en andere steden waren stapelplaatsen, entrepôts, wereldmarkten. Het deel van de aangevoerde goederen dat aan de overige Nederlanders gesleten kon worden, moet betrekkelijk gering zijn geweest.[55] De uitbuiting van die paar millioen Hollanders, Zeeuwen, Gelderschen, Friezen enz., waarvan bovendien nog velen zeer weinig koopkracht bezaten en hoofdzakelijk van eigen produkten leefden, zou de rekening niet hebben gemaakt.

Er komt bij, verder, dat een aanzienlijk bedrag van de verscheepte waar niet alleen geenszins voor Nederlandsche handen bestemd was, maar ook nimmer onder Nederlandsche oogen kwam. Voortdurend werden ladingen van de eene vreemde haven naar de andere vervoerd, in vaartuigen die waarschijnlijk alleen bij uitzondering een Nederlandsche aandeden. Volgens De la Court werd in zijn tijd—wij noemen slechts een paar voorbeelden—de plaatselijke Spaansche handel en zelfs die van Frankrijk, geheel of grootendeels door Hollandsche kooplieden gedreven.[56] En nog honderd jaar later noemde Adam Smith ons land "het rijkste van de wereld, dat daarom het grootste aandeel heeft in de vrachtvaart [ 289 ] van Europa", en de "groote marktplaats voor alle goederen van Europa".

De vaderlandsche bodem is niet alleen een kleine plek, maar is, om zoo te zeggen, aan geen vaste plaats gebonden. De handelaar van dezen tijd is een wereldburger. Waar hij zijn kapitaal emplooi kan geven, zijn kantoor houden, zijn ladingen ontvangen en afzenden, daar kan hij zijn zaak vestigen en zijn woonplaats, en hij zal het oord verkiezen waar hem dit 't meeste voordeel belooft. Wat zijn geboorte- of vaderland hem als kapitalistisch ondernemer heden aanbiedt, kan hem morgen verschaft worden, ruimer of zekerder, te midden van barbaren of heidenen, bij haters van zijn landaard, smaders van zijn geloof, vijanden zijner natie. De eenige natuurlijke faktor welke onder dit kapitalisme als ekonomische faktor werkzaam is, is de gunstige ligging voor den handel. De minerale rijkdom van den bodem, of de aanwezigheid van andere grondstoffen (in Engeland b.v. de schapenwol voor de lakenindustrie) bindt, zoodra het industrieele kapitalisme zich begint te ontwikkelen, zijn vertegenwoordigers aan de plaats hunner vestiging. In den bloeitijd van het kommercieele kapitaal, ziet men de leden van het volkomen kosmopolitisch gezelschap der kooplieden herhaaldelijk van woonplaats, zelfs van nationaliteit veranderen: nederzettingen van Hollanders in verschillende staten van Europa en daarbuiten, en dikwijls geheel versmelten met het vreemde volk. En omgekeerd, nederzettingen van talrijke uitheemsche kooplieden in onze Republiek.

Niet alleen door hare omgeving die verbruikers en arbeiders levert, die de materialen voortbrengt welke zij bewerkt, ook door hare inrichting zelve is de moderne industrie aan de plaats van haar vestiging gebonden. Ondernemersklasse en overige bevolking worden, tegenover de buitenwereld, door den band eener nationale eenheid samen gehouden. Hoe de toestand is van de massa der binnenlandsche konsumenten en van het proletariaat, kan voor de regeerende klasse in dezen tijd geen onverschillige zaak blijven.

[ 290 ] De voormalige koopman, daarentegen, kent vergelijkenderwijs noch vaderland, noch nationaliteit, noch solidariteit met medeburgers. Hij leeft, betrekkelijk gesproken, te midden van vreemdelingen. Zelfs de uitbuiting door hem aan hen gepleegd, is niet, als de modern-kapitalistische, door den eisch bepaald, dat de uitbuiting voortbesta. Nog kan het handelskapitaal zijn gang gaan te midden van een bevolking zonder koop- en zonder arbeidskracht. Het scheelde niet veel toen in de Republiek het handelskapitaal was gekomen aan het eind van zijn loopbaan, en daarmee de Republiek zelve aan het eind van haar bestaan.

Welk stelsel van belastingen bij den aard van deze klassetegenstelling past zal uit het voorgaande gemakkelijk kunnen worden afgeleid.

 

Derde Artikel.

I

 

Het arbeidsprodukt van anderen tot zich te nemen: ziedaar het oogmerk van alle kapitaalverbruik. Evenwel is—zooals Marx heeft aangetoond[57]—het industrieele kapitaal de eenige bestaanswijze van het kapitaal waarin niet slechts de toe-eigening, maar ook de voortbrenging van meerwaarde of van meerprodukt een werkzaamheid van het kapitaal is.

In het ekonomisch hoog-ontwikkelde Nederland der Republiek was de kapitaalvorm die de produktie beheerscht, en daarmeê beschikking geeft over het arbeidsoverschot eener klasse van arbeiders, van betrekkelijk geringe beteekenis. En men zal dus bij het onderzoek der maatschappelijke toestanden een zeker getal uitbuitingsvormen moeten verwachten, die min of meer afwijken van de ons bij ervaring bekende vormen, behoorende tot de kapitalistische produktie.

Het stelsel der indirekte of der verbruiksbelastingen [ 291 ] was in de Vereenigde Provinciën een der middelen waardoor de regeerende klasse—onder welke wij hier alleen die der kooplieden in de ekonomisch meest ontwikkelde gewesten wenschen te verstaan—zich ten nadeele van de overige bevolking zocht te verrijken. Wij hebben reeds gezien dat de moderne bezwaren tegen verbruiksbelastingen, die het debiet beperken, en, voor zoover zij op artikelen gelegd zijn die de arbeidersklasse gebruikt, de arbeidskracht duurder maken, in Holland destijds hetzij weinig of niet konden gelden, hetzij in regeeringskringen geen gehoor vonden. De prijs van den arbeid was voor de handelaren van ondergeschikt belang, en van hun goederen slechts een klein deel bestemd voor binnenlandsche konsumptie. Wanneer deze regeerende klasse haar voornaamste of eenige bestaansmiddel, den handel, slechts onbezwaard en vrij kan houden, en haar inkomen zooveel mogelijk onbelast met direkte heffingen, dan heeft zij het belastingstelsel overeenkomstig den eisch van haar belang ingericht. Het eigen verbruik van de accijnzen ontslagen te krijgen, was, zooals wij zullen zien, althans voor de regeeringsklasse in engeren zin, geen onoverkomelijke moeilijkheid.

Klein en groot, overigens, rijk en arm, boeren en burgers, meesters en knechten, landzaten en vreemdelingen—allen waren voor hun verbruik cijnsplichtig aan de openbare kassen; direkt of indirekt, derhalve, geheel of grootendeels, aan de regeerende gezelschappen, die zonder eenige rekenschap of contrôle over de publieke geldmiddelen beschikten. Wat voor de rijken, behoudens hunne ontduiking op grooten voet, als een min of meer aanzienlijke versmalling van hun inkomen, geleden in hoogere uitgaven voor bijna alle benoodigdheden voelbaar werd, beteekende voor de armen het gedwongen afstand doen van alles boven het noodzakelijke onderhoud in den kunstmatigen prijs der onontbeerlijke waren. Krachtens de wet, alzoo, die met verbruiksbelastingen deze waren treft, worden in dit systeem de kleinere konsumenten—ambachtslieden, arbeiders en boeren—van hun arbeidsprodukt, dat zij gedwongen zijn aan de [ 292 ] duurder gemaakte goederen te besteden, voor een grooter of kleiner doel ontzet. In dit systeem zal bij vermeerdering van de welvaart, bij toeneming van arbeidsprodukt of arbeidsloon, de accijns worden verzwaard, zoodat alle ekonomische vooruitgang alleen aan de accijnsheffende klasse ten goede blijft komen. Het resultaat van alle uitbuiting is deze beperking van de middelen der arbeidende bevolking, waaronder in deze tijden ook de kleinere gebruikers van eigen produktiemiddelen zijn begrepen, tot een maatschappelijk minimum. De kapitalistische produktie onderwerpt aan deze uitbuiting de geheele klasse van het proletariaat, en door de onteigening van kleinere producenten vergroot zij onophoudelijk het terrein van hare werkzaamheid. De voormalige kapitalistische klasse moest met minder afdoende en omvattende middelen voor lief nemen. Voor de getroffenen, evenwel, was de uitkomst verderfelijk, en inderdaad was de volksbeweging die in ons land omstreeks de helft van de 18e eeuw zich vertoonde, tegen deze primitieve maar verderfelijke uitbuiting der massa gericht.

De plaats welke verbruiksbelastingen in de maatschappij der kapitalistische produktie innemen, zal in het vervolg van dit opstel worden behandeld. Doch reeds blijkt uit hetgeen hier gezegd is, dat wij bij de vergelijking één belangrijk verschilpunt niet zullen mogen voorbijzien.

In het moderne kapitalisme n.l., komt de accijnsheffer—ten bate van de schatkist der regeerende klasse—nadat de kapitalistische ondernemer zijn deel heeft gehad. Evenals b.v. de woekeraar: geldschieter of bank-van-leeninghouder. Wij kunnen dus niet de accijnzen van de 17e, of 18e, aan die van de 19e eeuw gelijkstellen, het bedrag der belasting door den minderen man betaald, niet vergelijken zonder meer. De mindere man was in den vroegeren tijd—voor zoover geen arbeider in den modernen zin—een kleine zelfstandige producent, boer of ambachtsman, op wiens arbeidsprodukt de kapitalist geen vat had, dan door middel van heffingen, waarvan de hier bedoelde niet de eenige voorbeelden zijn. Alle heffingen die thans de arbeidende bevolking drukken, zijn hef[ 293 ] fingen van het arbeidsloon, van het arbeidsprodukt, alzoo, dat reeds door de uitbuiting van den kapitalist gesmaldeeld is geworden. De verbruiksbelasting—en andere dergelijke afpersingen—mogen ook tevoren het voor de kleine burgerij beschikbare arbeidsoverschot tot een bestaansminimum hebben verminderd. Van de tegenwoordige accijnzen, echter, geldt dat zij van een bedrag worden afgenomen, dat reeds als bestaansminimum door den ondernemer in handen van den arbeider is achtergelaten.

De vergelijking van toen en thans zal in aanmerking moeten nemen, dat onder de heerschappij van het handelskapitaal de lagere klasse zware belastingen had op te brengen—en dat zij in het moderne kapitalisme niet slechts belastingen, maar alle kapitalistische inkomens opbrengt.

 

II

 

Pieter de Ia Court in zijn Gronden en Maximen van Holland ontkent geenszins de nadeelen van accijnzen voor de industrie. Schrijvende in een tijd toen de konkurrentie van Engeland en Frankrijk al zeer merkbaar begon te worden, pleit hij voor het verlichten van hare lasten—"te meer wijl onze Manufakturen, met de imposten op de konsumtiën, reeds veel meer dan onze Visscherijen, Negotiën en Rederijen beladen zijn." (bl. 115)

Het voornaamste bezwaar blijkt bij De la Court evenwel te bestaan in de belemmering die den buitenlandschen handel met manufaktuurprodukten wordt aangedaan, welke handel door de kooplieden werd gevoerd. De voorstelling dat de kapitaalwinst, in de cirkulatie gerealiseerd, ook eerst in de cirkulatie geproduceerd wordt, een voorstelling die de kapitalistische uitbuiting onzichtbaar maakt en in de burgerlijke litteratuur daarom niet misplaatst is, vindt men bij De la Court niet onduidelijk uitgedrukt. Het eigenlijke winstgevende bedrijf is voor hem de handel met vreemde landen, en de winst een wille[ 294 ] keurige prijsverhooging, een schatting, aan de koopers opgelegd. Wijl bij dezen handel de schatting door vreemden wordt betaald, door de verkoopers in ontvangst genomen en door hen in het binnenland aan arbeidsloon uitgegeven of in hun verteringen onder de menschen gebracht, zijn zij, buitenlandsche handelaren, de verreweg nuttigste burgers. De eenige manier waarop in dit stelsel een volk zich verrijkt, is geld weghalen uit andere landen. Binnenlandsche handel kan slechts, meent men, rijkdommen verplaatsen. Met de bestaande kapitalen houdt men het werkvolk in het leven,—de armen leven van de rijken[58]—maar deze laatsten moeten die nuttige verrichting opgeven als door de verbruiksbelasting de goederen zoo duur komen, dat van een noemenswaardige prijsverhooging in het buitenland geen sprake kan zijn, ja zelfs vreemde konkurrenten hetzelfde goedkooper kunnen leveren.

In deze beschouwing, ziet men, wordt het groote verschil in den aard van de werkzaamheid der beide gelijktijdig bestaande kapitaalvormen verwaarloosd. De winst, die zuiver-kapitalistische meer-waarde of het arbeidsoverschot van bezitlooze proletariërs is, niet onderscheiden van de winst verkregen door uitbuiting van bevolkingsgroepen in verschillende landen, tusschen welke de handel den ruil tot stand bracht. Alle kapitaalwinst wordt beschouwd als een vrucht van deze laatste werkzaamheid, de betrekkelijk onbelangrijke modern-kapitalistische uitbuiting over 't hoofd gezien—een begrijpelijk misverstand in een tijd toen "het voornaamste voordeel" inderdaad op de andere manier werd getrokken "en niet door uitvoer der produkten van het eigen land".[59]

Doch deze ekonomie van het handelskapitalisme wil meer zijn dan het pleidooi van een klassebelang, zij beoordeelt de eischen van een algemeen welzijn, uit afwijkende en soms tegenstrijdige belangen samengesteld. De onderdanen, zegt de schrijver der "Gronden en Maxi[ 295 ] men"[60], noemt men wel eens kinderen, die door de regeerders vaderlijk moeten worden bejegend. Werkelijk behoort de regeering, gesteld over alle onderdanen, die tezamen een politiek lichaam vormen dat wij den Staat heeten, anders dan de ouders van het gezin, onderscheid te maken tusschen de leden van den Staat, naar gelang van hunne nuttigheid. Indien men uit dit oogpunt de belastingen beschouwt en de accijnzen meent te kunnen aanbevelen, bedoelt men niet het persoonlijk voordeel van een deel der bevolking, maar let men enkel op de eischen van billijkheid en staatsbelang.

Begunstigd moeten worden, in dit systeem, ten eerste: de inwoners boven de vreemdelingen. Vreemdelingen die in ons land den kost winnen, doen dit noodzakelijk "ten laste en ten nadeele dergeene, van wie zij hun levensmiddelen trekken". Vervolgens is het klaar "dat alle inwoners, die hunne winsten en onderhoud van 't buitenland trekken, meer begunstigd behooren te worden als de zoodanigen die binnenslands op hunne mede-inwoners azen".

Ten slotte blijkt "dat zoodanige inwoners die door hunne buitenlandsche winsten alhier de meeste inwoners, en bij gevolge den Staat in het leven houden, ook allermeest begunstigd behooren te worden—met dien verstande evenwel, dat altijd de meesters boven de dienaars, en onze kooplieden die de produkten van onze eigen manufakturen en visscherijen in vreemde landen verhandelen, begunstigd worden boven alle anderen die zich onledig houden met de produktie—manufaktuur en visscherij—zelve".[61]

Duidelijker en beslister kan men het beginsel van deze leer: den voorrang van handel boven industrie, wel niet uitspreken. Een beginsel nogmaals en in zijn konsekwentie ten opzichte van bepaalde klassen en bedrijven uitgewerkt in deze slotsom:

 
[ 296 ]
"Welk alles wel overwogen zijnde, blijkt onwedersprekelijk, dat de politieke regeerders van Holland meer en meer begunstigen moeten:
de inwonende ambachtsgezellen, ambachtsmeesters, leeraars, kunstenaren, slijters van eenige waren binnenslands, landbouwers, binnenlandsche visschers, renteniers, reeders van schepen, handelaren, visschers, en eindelijk allermeest zoodanige inwoners als zich met het vertier van waren buitenslands bezig houden".
 

Wat nu de belastingen betreft, men zou zich vergissen indien men meende dat de wetgever bij de verdeeling deze lijst slechts had te volgen. Zoo eenvoudig is het met de zaak niet gesteld. Want deze opsomming houdt alleen rekening met de nuttigheid der klassen of der bedrijven voor den Staat, en de belastingheffer heeft ook te letten op de draagkracht. Draagkracht, bovendien, is niet hetzelfde als bereidwilligheid om te dragen. Met de zucht om zich te onttrekken dient in aanmerking te komen de mogelijkheid van verplaatsing, verplaatsing van personen of bedrijven, en hiervan wederom de gevolgen voor den Staat.

Dit alles bedenkend, waarschuwt De la Court in de eerste plaats, gelijk wij zeiden, tegen het verzwaren van den druk op de nijverheid. Gingen de fabrieken het land verlaten dan zouden ook de buitenlandsche kooplieden en de reeders die de fabrieksprodukten vervoeren en daarmee winst maken, zich naar die streken begeven. En de schrijver herinnert aan de omstandigheid welke voor ons het bezit van fabrieken of manufakturen aan een bijzonder gevaar blootstelde: "alzoo wij de ruwe stoffen daartoe noodig zijnde, uit onzen eigen bodem niet verschaffen". Eenmaal die "levensmiddelen" verloren hebbende, "overgegaan tot landen die de ruwe stof daartoe noodig opleveren", zouden wij ze waarschijnlijk nooit zien terugkomen. Kortom, nieuwe lasten te leggen op de industrie behoort volgens de "gronden en maximen" van goed ekonomisch beleid, in de Republiek vermeden te worden.

[ 297 ] De la Court wil niet zeggen dat de accijnzen moeten vervallen. Hij schijnt veeleer een invoerrecht op grondstoffen, dat ook den handel in die goederen zou bemoeilijken, op het oog te hebben. Men mag de manufacturen, "waardoor in Holland wel zeshonderd en vijftigduizend inwoners worden gevoed", niet verjagen[62]. Ware het middel om hen te ontlasten, de afschaffing der accijnzen, niet te nadeelig voor de bezittende klasse, die alsdan de kosten der staatshuishouding met direkte heffingen van hun vermogen of inkomen te dragen zou hebben, men zou het kunnen probeeren. Vermindering van accijnzen, overigens, zou een groote massa ten goede komen die toch moeilijk het land kan verlaten waar zij voor haar onderhoud van de rijken afhankelijk is. En tegen direkte heffingen, in dit geval tegen verhooging van eenige bestaande, verzet de vertegenwoordiger van den rijkdom zich ten sterkste.

"De imposten op de konsumtiën" zijn, meent De la Court, mits niet te hoog opgevoerd, uitmuntende belastingen. "Zij raken de koopmansschap en de handwerken niet, dan voor zoo ver de lieden die er zich mee bezig houden, menschen zijn en leven moeten". Zij treffen voornamelijk de artikelen bestemd voor "pracht, overdaad, weelde en vermaak". Zij worden dus slechts voor een klein deel opgebracht door "visschers, fabrieksarbeiders en bootsgezellen, die meest zeer arme lieden zijn". "Zij schijnen, het kan niet worden ontkend, vrijwillig betaald te worden". Zij bezwaren—moreel voordeel naast de finantieele en maatschappelijke—hoofdzakelijk de ondeugd en bevorderen de deugd van matigheid en overleg[63].

Direkte belastingen, daarentegen, op te brengen van vermogen of inkomen, hoewel de Staat er niet geheel buiten kan, zijn zooveel mogelijk te vermijden.

"Voor de grootte van hun bijdragen zijn de aangeslagenen veelal afhankelijk van gunst en afgunst der [ 298 ] schatters". "De aangeslagenen kunnen zich met goed overleg en spaarzaamheid nooit geheel ontlasten". "Getroffen wordt de naarstigheid, en beloond verkwisting en luiheid". Bovendien kunnen de renteniers gemakkelijk het land verlaten[64].

Hetzelfde onverhulde klassestandpunt vinden wij ingenomen door den broeder van den schrijver, Johan de la Court, in zijn beide geschriften de Politieke Discoursen en de Consideratien van Staat van 1662 en '61. Aan het overzicht van zijn uitvoeriger gemotiveerde bezwaren ontnemen we nog het volgende.

Iedereen zal, uit vrees voor deze schattingen, den staat van zijn middelen zooveel mogelijk bedekken.

Zelfs op een eed gedaan, verdienen de opgaven van velen geen vertrouwen; en "zoo zouden de ruimste gewetens de kleinste bedragen geven".

Voor kooplieden is het zelfs met goeden wil dikwijls moeilijk hun bezit te taxeeren.

De rijken worden uit het land verdreven.

Wilde men dus hen evenwel bezwaren, dan ware het beter dat het met accijnzen, imposten op de konsumtiën, geschiedde, die hen allen gelijkelijk zouden treffen en minder verbittering wekken. Onjuist is het bovendien, 't geen sommigen zeggen, "dat men het goed moet halen waar het is en dat men de armoê der armen behoort te verschoonen om het te nemen van den overvloed der aanzienlijken". Immers dit zou de groote deugd van de rijken, de spaarzaamheid, verlammen, die bovendien reeds in het onderhoud van hunne bedienden, een groote som opbrengen aan accijnzen[65]. Twee nog niet genoemde nadeelen bestaan hierin: dat de kooplieden voornamelijk roerende goederen bezitten "die gemakkelijk te executeeren zijn"—en dat direkte belastingen de strekking hebben van imposten te vervangen, en "verbinden daardoor de geringe onderdanen aan de regeering, ten nadeele van de rijken."[66]

 
[ 299 ]

III

 

Er zijn bewijzen ten overvloede voor de bewering dat de gebroeders De la Court, Pieter en Johan, hunne lezers trachten te misleiden als zij zeggen dat de mindere man door de accijnzen weinig wordt gedrukt. De mindere man zelf, althans, dacht er anders over dan deze woordvoerders van handelskapitalisme en hooge bourgeoisie. Wij hebben gezien dat niet alleen de proletarische arbeiders van handwerk en manufaktuur, maar ook de menigte kleinere en grootere ambachtsbazen, winkeliers, en, buiten de steden, de massa der boeren, tegenover de kooplieden en bureaukratie de elementen opleverden eener onderworpene en verdrukte klasse. In handen van de regeerders was het belastingstelsel een werkzaam instrument tot hare uitbuiting. En de teekenen, zeiden we, zijn menigvuldig dat de lagere bevolking van stad en land over de geheele Unie, verre van op dit punt onkundig of onverschillig te blijven, de imposten op de verbruiksartikelen misschien zwaarder gevoelde en feller haatte dan eenig ander van hare vele plagen. De gekleurde draad eener reeks van oproeren loopt door de geschiedenis van het gemeenebest; uitbarstingen van een volkswoede, gewekt door de invoering van nieuwe accijnzen of door de verhooging van bestaande, of wel gericht tegen personen bijzonder hatelijk gemaakt bij de inning.

Het "Pachtersoproer" van 1748, de meest bekende en uitgebreidste van deze bewegingen, was niet de eenige of de eerste daad van verzet tegen de gevreesde afpersing.

Geen enkel artikel van verbruik—in de provincie waar de macht van het handelskapitaal het meest onbeperkt en de overblijfselen van politieke macht der lagere klassen het volledigst verdwenen waren, in Holland[67], hooger en over een nog grooter getal voorwerpen dan elders—geen enkel artikel was onbelast gelaten. De eet- en drinkwaren, de brandstoffen, het huisraad, de kleedingstukken, de bouwmaterialen, de tabak, het gedistilleerd, het zout, de zeep en de kaarsen, de nieuws[ 300 ] bladen en brochures,—in den prijs van al deze meest verschillende goederen, tot de behoeften te rekenen van iederen inwoner, werd een gedeelte van de middelen der koopers, ook der armsten, in de openbare kas gestort, waarover de regeerende klasse, die niet meer dan een regeerende kliek was, naar welgevallen beschikte. Heffingen voor zegels op alle authentieke stukken, rechten op het trouwen en het begraven, op het bezoek van koffiehuizen, voltooiden de lijst van hare middelen.—"Behalve lucht en water", zegt een later schrijver, "was niets onbelast, van alles moest voor den Staat een deel afgezonderd worden."[68]

In wiens handen, werkelijk, de opbrengst hoofdzakelijk terecht placht te komen, zullen wij nog nader kunnen zien. Wat aangaat den druk op de bevolking, geven de verhalen van haar telkens terugkeerende weigeringen of wraaknemingen de beste inlichtingen.

Bijna alle gevallen die de schrijver van een tegen het politieke bondgenootschap van stadhouders en geringe burgerij gericht werk (hij ontziet ook de derde partij in deze kombinatie, de gereformeerde geestelijkheid, niet) tot zijn onderwerp rekent als hij in Het Beroerd Nederland[69] "tot waarschuwing van derzelver tegenwoordige burgers en leden van Regeering" een overzicht geeft van de onheilen, door dit driemanschap in den loop der tijden aangericht; bijna al zijn voorbeelden vóór 1748 handelen over belasting-oproer.

Het eerste van dien aard speelt in het voorjaar van 1624 te Amsterdam. De Spanjaarden, in de Veluwe gevallen, bedreigden de stad. Om de buitengewone kosten der te nemen veiligheidsmaatregelen te dekken, verhoogde de regeering den impost op boter met een gulden per vat, een besluit der Staten van Holland. "In verscheidene steden, zegt de geschiedschrijver, verwekte dit merkelijke opschudding onder de burgerij, dien last ongewoon."

"Doch nergens," voegt hij er bij, "klom de beweging zoo [ 301 ] hoog als in Amsterdam."—Het einde was, dat na eenige baldadigheid gepleegd aan het kantoor van den pachter van deze belasting op den Dam, en grooten schrik te hebben verspreid onder allen die iets te verliezen hadden, "het misnoegde en muitende grauw", gelijk onze schrijver zich onveranderlijk uitdrukt, door de gewapende macht met sabelslagen werd verstrooid. Een volksbende had ondertusschen van de gelegenheid gebruik gemaakt om gerechtigheid te voltrekken aan een oude vrouw uit de buurt, tot straf voor haar hekserij in het water van de Geldersche kade gelijk een hond verdronken.

Minder eenvoudig en minder bloedeloos verliep een oproer, dat bijna een opstand heeten mocht, in het jaar 1678 aan den Zaankant. Een wijziging door een plakaat der Staten van de provincie bevolen in het meten van de turf—verplicht gebruik van een ton van bepaalden inhoud, in plaats van de ongelijke tonnen en manden te voren in zwang—bracht te Oostzaan de smalle gemeente in beweging. Zoowel de koopvrouwen als de marktbezoekers achtten zich benadeeld, drongen bij de wethouderschap aan op intrekking van de nieuwe keur, en zetten, toen hun dit geweigerd werd, de plaats overeind. Het huis van den ontvanger of pachter van den gehaten impost was, gelijk altijd, het voorwerp van den eersten aanval. Gelijk dikwijls gebeurde, haastte zich het stadsbestuur op eigen gezag het plakaat te herroepen, toen in de woning van den pachter, tevens gemeentesekretaris, alles kort en klein was geslagen. Doch dit deed—evenmin een zeldzaam verschijnsel—de overmoedigheid slechts toenemen. "De Regeering," riep men nu openlijk, "had haar gezag uit handen gegeven. Men moest de gelegenheid aangrijpen om nog meer andere pachten te doen afschaffen." De burgemeester, wien de naam naging, dat hij deel had in de pachterijen, insgelijks met plundering bedreigd, wist, door het offeren van eenige vaten zwaar bier en tabak "waarmee de oproerigen den volgenden nacht zich vroolijk maakten", erger kwaad te voorkomen. Zaandam, Wormerveer, Krommenie, Westzaan zagen dezelfde tooneelen, bedreigingen en gewelddadig[ 302 ] heden ten nadeele van belastinggaarders, eerst met behulp van schutters en soldaten bedwongen, toen de storm ook de goederen van anderen, van de gezeten burgerij zonder onderscheid, scheen te willen aantasten. Het einde was hier het transporteeren van eenige belhamels naar Den Haag, waarvan sommigen voor de tweede keer naar Zaandam terugkeerden om slechts, ter waarschuwing van hun rotgezellen, aan de galg te worden gehangen.

Overal, inderdaad, heeft het lagere volk van arbeiders en kleine burgerij voortdurend gereed gestaan om te grijpen naar het eenige voor haar beschikbare wapen in haar klassenstrijd—het gewelddadige oproer—tegen de uitbuiting die haar iedere bete broods en ook het schamelste genoegen misgunde. Schijnbare nietigheden waren voldoende aanleidingen tot een verzet, waarvan de hevigheid getuigt van de scherpte eener klassetegenstelling, die in de bewegingen van 1747 en '48 den burgeroorlog nabij kwam. Twee voorvallen uit het jaar 1670, een te Rotterdam en een te Haarlem, willen we nog kortelijk vermelden. Iedere gebeurtenis van dezen aard bevat een nieuwe toelichting van de werkzaamheid der primitief-kapitalistische uitbuiting. Telkens anders, doen zij ons zien, dat het de methode, die uit elke behoefte van de massa geld wist te maken voor de regeerders, niet ontbrak aan verscheidenheid van middelen.

Om het verblijf op de hoofdwacht van het stadhuis te veraangenamen, had een officier der Rotterdamsche schutterij, in den nacht van 28 op 29 Augustus, zijne manschappen willen vergasten op een half anker wijn. "Eenige der schutters, uitgezonden om den wijn te halen, werden aangehouden door de gebroeders Van der Steen, pachters der wijnen, vergezeld van hunne handlangers of zoogenaamde verklikkers." Tusschen deze partikuliere kommiezen, onder bevel van hunne chefs, de pachters, en de schutters, terecht of ten onrechte voor smokkelaars aangezien, kwam het tot een vechtpartij, waarin een der eersten, ongelukkig, het leven liet. Van den manslag beticht, onschuldig, zeide men, en op de pijnbank bekennende wat hij niet had misdreven, werd zeker wijnkooper (niet [ 303 ] onwaarschijnlijk een bij het personeel der accijnzen befaamd sluiker) eenige dagen later in 't openbaar onthoofd. "Meer was er niet noodig om het grauw, buitendien reeds op de pachters gebeten, tot uitersten te doen overslaan." Volgt de gebruikelijke plundering en vernieling bij een der heeren Van der Steen. Wijl, zooals gewoonlijk de schutterij voor hen geen vertrouwbare bescherming opleverde, verzochten de pachters militaire hulp aan de hoogere autoriteiten in het naburige 's-Gravenhage. Oogenblikkelijk echter was het volk nog meer verstoord op den hoofdofficier van justitie, Van Nieveld, wien men den dood van den mishandelden wijnkooper verweet. Een woedend straatgevecht ontbrandde tusschen de aangerukte soldaten en de volksmenigte, die zelfs kanonnen van de wallen haalde, er de woning van den hoofdofficier mee beschoot en de geregelde troepen deed wijken. Burgemeesteren, daarop, meenden het oproer te zullen stillen door de militairen te laten vertrekken; onder hen verkleed redde schout Van Nieveld zijn leven. Ook de schutters vertoonden zich niet weer, 't geen den muiters vrij spel gaf; zoowel het huis in de stad als de naburige buitenplaats van den magistraat werden verwoest. Toen eindelijk ook de tuchtelingen uit de gevangenis door hen werden vrijgelaten, en nog meer aanzienlijken, waaronder een schepen en een andere pachter, met plundering bedreigd, begreep de gewapende burgerij het verzet te moeten breken. De voornaamste aanvoerders werden naar Den Haag gebracht. Welk lot hen daar gewacht heeft, vindt men niet vermeld.

"Van de gegrondheid der reeds meer dan eens gemaakte opmerking," zegt deze berichtgever, "dat een kleine vonk licht tot een groot vuur ontbrandt, verschaft ons Haarlem een bewijs, in den jare 1690."—De vonk, ditmaal, die de steeds aanwezige en uiterst ontvlambare brandstof van den klassehaat tegen de regeeringspersonen en hunne fiskale afpersingen ontstak, werkte als een aanleiding geheel buiten de zaak.

Aanleiding nl. tot het openbare misnoegen was "een verbod van tabakrooken op de straat, in schuiten, op [ 304 ] wagens en elders alwaar brand konde gesticht worden, op een boete van zes guldens voor elke overtreding."—Gerechtelijke boeten en verbeurdverklaring van goederen behooren mede tot de primitief-kapitalistische vormen van uitbuiting, wanneer ook alle finantieel beheer bij de rijken berust. Op deze wijs worden de inkomsten van sommige duur gekochte ambten gewonnen, als de rente van de in openbare betrekkingen gestoken kapitalen. Zoo verschijnt de kapitalistische ondernemer en de ambtenaar in een en dezelfde persoon tegenover de lagere bevolking, die daarom van hem dubbel afkeerig is.

In Haarlem, nu, had de schout—het geval is tevens een voorbeeld van de beperkte schaal waarop deze exploitatie somtijds plaats vindt—een jongmensch betrapt met een brandende pijp, en hem eigenhandig, toen de bekeurde weigerachtig of onbekwaam bleek de boete te betalen, van zijn voornaamste kleedingstuk ontdaan. Spoedig krijgt de schout een hoop volk voor zijn deur, die behalve de in beslag genomen jas ook verscheidene betaalde geldboeten, om dezelfde overtreding verbeurd, terugeischt. Het hoofd der politie is zoo goed niet of hij moet toegeven. "Men smeet de glazen in, pleegde nog anderen moedwil, en dreigde openlijk de huizen sommiger regenten met plundering." En onmiddellijk keert zich de opgewekte woede van het straatpubliek mede tegen het andere verafschuwde instrument hunner verdrukking. "'t Gemeen," lezen we, "thans aan 't hollen sprak nog van meer ondernemingen; eenigen wilden dat men van de tegenwoordige gelegenheid zich moest bedienen om de afschaffing te bewerken van de zoutpacht en andere belastingen." Alleen de binnenkomst van een duizend man soldaten, afgezonden door de Staten van Holland, heeft de uitvoering van dit plan belet en het oproer beteugeld. Het laatste woord, wederom, behield de scherprechter.

Reeds uit deze enkele voorbeelden[70] laat zich het [ 305 ] wezen van de proletarische en kleinburgerlijke verzetbewegingen tegen de heerschappij der regeerende klasse gemakkelijk bepalen. Weinig slechts is noodig om den volkstoorn te doen overloopen en uitbarsten. "Een heimelijke nijd heerscht er tusschen de geringe standen en de grooten." De ongenoemde schrijver van het patriotsche werk dat wij raadpleegden heeft zich in de aanwezigheid dezer groote klassen-tegenstelling niet vergist. "Zij staan deswegen," zegt hij van de arbeiders en arbeiders-gelijken, "zij staan als 't ware op de wacht om bij voorkomende gelegenheden hunne ontevredenheid openlijk te doen blijken." "En hoe groot," roept hij uit, "zijn niet de buitensporigheden, wanneer het hollend paard eens den teugel heeft afgeschud en alles wat het aantreft meêsleept in zijn loop!"

Dit losgebroken paard, echter, moet spoedig tot gehoorzaamheid terugkeeren. Hoogstens kon de volksopstand wraak nemen op personen en eenige kleine tegemoetkomingen afdwingen. De tijd dat het proletariaat blijvende overwinningen op het stelsel behaalt dat het verdrukt, was nog niet aangebroken. De kracht van het handelskapitalisme tegenover de lagere klassen ligt hoofdzakelijk in zijn onafhankelijkheid van, en dus in zijn onaantastbaarheid door die klassen. De la Court schat in zijn tijd het getal personen die door scheepvaart en buitenlandschen handel leven op tweehonderdvijftigduizend belanghebbenden bij industrie en vierhonderdvijftig-duizend bij de visscherijen. Scheepvaart en buitenlandsche handel kunnen zich, bovendien, meer dan andere bedrijven, ook van vreemde arbeiders bedienen. Met brand en plundering had de volksmassa zeer zeker den grooten kooplieden aanmerkelijke verliezen kunnen [ 306 ] toebrengen. Doch wat het moderne proletariaat vermag, de produktie, reeds op grooten voet georganiseerd en gekoncentreerd, aan de kapitalisten ontnemen, was buiten alle mogelijkheid in een tijd en een land die het kapitalistisch grootbedrijf nog nauwelijks kenden. De ekonomische onkwetsbaarheid van haar positie verschafte tegenover alle populair verzet aan de toenmalige kapitalistische klasse haar politieke overmacht. Al mocht het gemeen nu en dan tijdelijk den baas kunnen spelen, een revolutie was en bleef uitgesloten. Het handelskapitalisme schept geen revolutionnaire klasse, het wekt enkel de wraakzucht van de massa die het verdrukt.

 

IV

 

Indien de kapitalistische produktie de eenige bestaansvorm van het kapitaal is welke ook het arbeidsprodukt voortbrengt waarmee het zich verrijkt, maar alle vormen van het kapitaal zich verrijken met vreemd arbeidsprodukt, dan behoeven de andere en oudere kapitaalsvormen bijzondere instellingen of middelen waarmee zij de onteigening van den vreemden arbeid uitvoeren. De instelling waarvan het handelskapitalisme zich bedient, voor zoover het den arbeid der binnenlandsche lagere bevolking betreft, is de staatsmacht.

De staatsmacht vervult in dit oudere kapitalisme een funktie die van haar tegenwoordige op sommige punten verschilt. De klasse die de kapitalistische produktie beheerscht heeft buiten dit produktie-proces zelve geen middelen noodig waarmee zij zich meester maakt van het produkt der arbeidende klasse. De onteigening van vreemden arbeid is met de onderwerping van de produktie aan het kapitaal volledig en bij uitstek werkzaam geworden. De klasse welke aldus haren rijkdom wint: het totale en steeds toenemende produkt van den maatschappelijken arbeid, slechts verminderd met het noodige levensonderhoud van de voortbrengers, zou, zonder zich te verarmen, van verdere heffingen op dit levensonderhoud kunnen afzien. Werkelijk is het bedrag, dat het hedendaagsche proletariaat in de staatskas stort als be[ 307 ] lastingen, geheel onbeduidend bij het overige, dat de bezittende klasse uit hare handen ontvangt. In het hedendaagsche kapitalisme hebben de organen van den Staat hoofdzakelijk het bevorderen en bevestigen der kapitalistische uitbuiting ten doel. Indien nog altijd de regeerende klasse een zoo groot mogelijk deel van de kosten harer staatshuishouding zoekt te verhalen op arbeiders en arbeiders-gelijken, en hoe drukkend voor zeer kleine inkomens de direkte en indirekte belastingen mogen zijn, zoo is toch deze funktie van den Staat volkomen ondergeschikt. Het werkelijke bedrag der door het proletariaat gedragen lasten is het totaal der kapitalistische inkomens. De verreweg belangrijkste funktie van den Staat is het ontwikkelen en beveiligen van het produktiestelsel dat deze inkomens voortbrengt.

Van de wijze waarop, daarentegen, in de vroegere kapitalistische periode, de staatsorganen tot de uitbuiting zelve werden aangewend, hebben wij een en ander meegedeeld.—Een algemeen toegepaste en vruchtbare methode was het heffen van verbruiksbelastingen. Een niet versmade bron van inkomsten leverden de geldstraffen op.[71] Wederom een andere manier, die niet de groote massa in haar konsumptie trof, noch bepaalde personen in hun bezit, maar die bijzonder de zelfstandige kleine producenten in hun bedrijf op het oog had, was de uitoefening van die bedrijven afhankelijk stellen van het verlof der regeeringspersonen.

Wat den omvang aangaat, zijn al deze methoden nietig [ 308 ] bij een eenigermate ontwikkelde kapitalistische produktie, met recht een centenwerk te noemen bij de uitbuiting door de moderne industrie. Doch in beginsel komt deze laatste met de kapitalistische uitbuiting op eenige punten overeen. Meer dan de andere houdt zij verband met arbeid en produktie. De arbeider, handwerker of ambachtsbaas koopt de vrijheid van zijn brood te verdienen met een uitkeering aan den bezitter, niet van de produktiemiddelen, maar van de staatsmacht. De produktiemiddelen blijven het eigendom van den arbeider, doch het recht ze te gebruiken betaalt hij met een deel van zijn produkt. Het is dezelfde voorwaarde op welke de arbeider thans tot de kapitalistische werkplaats wordt toegelaten, die eveneens met een deel van het produkt zijner handen (al hetgeen zijn onderhoud te boven gaat) deze gunst betaalt. Het gebruik van eigen produktiemiddelen houdt op een voordeel te zijn, wanneer de arbeidsopbrengst aan zoodanige schattingen onderworpen is. De konkurrentie tusschen de kleine lieden onderling, juist als die onder de moderne arbeiders, zal het deel wat in handen van den werker blijft, tot een maatschappelijk bestaansminimum beperken. Thans geeft de kapitalist van het arbeidsprodukt, dat rechtens zijn produkt is, het minste waarvoor de arbeider genegen is te werken. Voorheen verkocht de regent het recht om te werken aan den meestbiedende. Het saldo van onbetaalden arbeid behoudt in beide gevallen de vertegenwoordiger der machtige partij.

Het middel om in het latere kapitalisme dit bedrag zoo hoog mogelijk op te voeren, ligt voor de hand. Naarmate de arbeider produktiever is, des te grooter is het arbeidsoverschot. Het latere kapitalisme heeft zich dan ook op de verhooging van die produktiviteit met alle kracht toegelegd. De klasse wier politieke overmacht niet op het bezit van kapitaal in produktiemiddelen berust, heeft deze manier niet tot haar beschikking. Haar stelsel van uitbuiting laat de produktiewijze onaangeroerd, zij heeft slechts de voordeelen van de bestaande produktiewijze aan zich getrokken.

[ 309 ] En toch, wil zij voor het bedrijf waarmee zij handelt, een hoogeren prijs kunnen bedingen, dan moet zij het voor den kooper winstgevender maken. De invoering van betere techniek staat haar niet ten dienste. Het eenige middel, dus, om een arbeidsopbrengst te vergrooten welke haar ten goede komt, bestaat in het verminderen der konkurrentie tusschen de koopers, die dan, naar evenredigheid, den prijs hunner waar kunnen verhoogen. En het middel om de konkurrentie te verminderen is eenvoudig het beperken van hun getal en dat van de beschikbare bedrijven. Het is waar dat vermindering van koopers den prijs van het bedrijf, koopsom of periodieke uitkeering, zou kunnen doen dalen, maar aan den anderen kant zal de grootere winstgevendheid de intensiteit der konkurrentie, ondanks het kleinere getal gegadigden, verscherpen. De uitkomst, derhalve, is dat het stelsel van heffingen te nemen van zekere neringen, leidt tot monopolie. Het belang van de schattingheffers eischt dat het arbeidsprodukt overeenkomstig een bepaalde behoefte, geleverd wordt door een zoo gering mogelijk getal personen. Ieder zal, in ruil, een evenredig hoogeren prijs kunnen vragen voor zijn artikel, vrees voor een te groot aanbod is uitgesloten, de voordeelen van het monopolie maken zich voelbaar. De monopolisten blijven afhankelijk van den regent die de bedrijven te koop biedt. Maar tegenover de verbruikers kunnen zij zich laten gelden, op hen de schade verhalen van de schatting die men hun afdwingt.

Inderdaad heeft de strekking van deze uitbuiting zich aldus voorgedaan—tegenovergesteld aan de kapitalistische produktie, waarin de methode tot verhooging der meerwaarde als een vermeerdering van produktiviteit, een verlaging der prijzen werkt.—"Bijna alle neringen, schrijft De Bosch Kemper, doelende op het Tweede Stadhouderlooze Tijdvak, toen de gebruiken, die in het oog der latere kapitalistische auteurs misbruik heetten, in vollen bloei stonden, "bijna alle neringen waren onder toezicht van stedelijke ambtenaren geplaatst, waardoor in vele broodwinningen een drukkend monopolie ontstond [ 310 ] en het getal der stedelijke betrekkingen tot in het oneindige vermenigvuldigde".[72]

Eenige bijzonderheden geeft o.a. Dr. J. Hartog in zijn Patriotten en Oranje van 1747 tot 1787.[73] Sprekende van den tijd die aan de revolutie van 1747 voorafging zegt hij: "van zakkedragers, schuitenvoerders, lantaarnopstekers bedingen zij jaarlijksche uitkeeringen", en dus (in de woorden van een tijdgenoot) "gaan die onverzadelijke schrapers en liefhebbers van het geld met het zweet van den gemeenen man gerust slapen". Van een Amsterdamsch burgemeester wordt verhaald dat hij den doodgraver van de Westerkerk verplichtte om alle jaren duizend gulden aan een zijner dochters te betalen, indien hij zijn post als doodgraver wenschte te behouden.

Een poging van Amsterdamsche regenten tot beperking der konkurrentie in een der aan hen cijnsbaar gemaakte of nog cijnsbaar te maken bedrijven, verwant aan het laatst genoemde, heeft een oproer teweeg gebracht, als "Aansprekersoproer" in de geschiedenis bekend, een hevige uitbarsting van den klassenstrijd dezer tijden. Uit het omstandige relaas in het te voren aangehaalde werk blijkt duidelijk wat de reden geweest is van de zeer bloedige botsing; bovendien, dat de plegers van het verzet zich volkomen rekenschap hebben gegeven van den toestand.

De patriotsche of regentschgezinde schrijver, partij voor de regeering kiezende, wil dat zij overdaad in de begrafenisplechtigheden willende bedwingen—"de wetten op de Pracht en Verteringen waren te allen tijde een zeer gewichtig voorwerp van staatkundige wijsheid"[74]— ten onrechte van baatzuchtige of tyrannieke oogmerken beticht is geworden. Doch uit zijn eigen verhaal blijkt het anders.

Het beroep van aansprekers, zien we allereerst, placht [ 311 ] vrij te zijn, "zij werden niet door Stads Regenten aangesteld". "Ieder kon dit werk verrichten, indien hij zich aanbood of daartoe werd verzocht". En hetgeen de stadsregeering vóór had, was, volgens onzen schrijver, het opheffen van deze vrijheid: "het aanspreken[75], benevens het dragen van de lijken en de lantaarnen, tot een vast ambt te maken"—met welke bedoeling, is duidelijk genoeg. Onze berichtgever trouwens, laat niet na er de aandacht op te vestigen. "Het ontbrak niet, zegt hij, aan de zulken die uitstrooiden dat het den Heeren alleen te doen was om het begeven van bedieningen, en om, tot schade van 't algemeen, hunne vrienden te kunnen voorthelpen"—volgens hem een kwaadaardig verzinsel waarvoor echter ongetwijfeld maar al te goede gronden zullen geweest zijn. Men vindt, wel is waar, een verzoekschrift vermeld, uitgegaan van de bidders zelven, dat hun getal beperkt en "een openvallende plaats door de Heeren vervuld mocht worden". Het zal echter niet moeilijk geweest zijn "sommigen hunner" tot het opstellen van een zoodanig adres over te halen, waarvan de uitwerking, immers, eenige vakgenooten met de voordeelen van een monopolie beloonen moest.

Vrees voor de nadeelen van een monopolie, daarentegen, toen (10 Januari 1696) een gemeentelijke verordening in dien geest uitgegeven was geworden, bracht de publieke opinie in beweging. De mindere man, voornamelijk, begreep dat hij van de nieuwe regeling niets goeds te verwachten had. Neringen door de regenten vergeven, en aan de regenten cijnsbaar, moesten dure neringen zijn, instrumenten waarvan de begiftigde zich bediende om op zijn beurt de lieden af te zetten. De vrees, in dit geval, dat men voortaan alleen werk zou maken van teraardebestellingen waarbij ruim gerekend kon worden, en de goedkoope lijkjes zonder veel omhaal onder den grond stoppen, moest zeer gerechtvaardigd schijnen. De bediening der dooden, in dien tijd een veel omvattende plechtigheid, waaraan de overblijvenden gaarne groote [ 312 ] kosten besteedden, konden althans de minder gegoeden niet zonder weerzin aan een onvrij beroep zien overgaan. Voor allen, eindelijk, moest het monopolistisch bezwaar gelden dat, voor de bedienaren der begrafenis, de nabestaanden voortaan uit het korps geen vrije keuze meer zou hebben. Wat de anti-demokratische samensteller van het "Beroerd Nederland" als overdreven bezorgdheid of nijdige verdachtmaking verre van zich werpt, is, meenen we, niet anders geweest dan een volkomen begrijpelijke oppositie tegen een nieuwen aanslag van hoogerhand op de beurs van de menigte, samengaande ditmaal met een aanslag op teedere of heilige gevoelens.

Hoe de stedelijke keur op het begraven en aanspreken door het publiek werd ontvangen, hoore men nog van den schrijver zelf:

 
"Eenige wargeesten, zegt hij, bliezen der schamele gemeente in 't oor, dat de keure alleen op de behoeftigen neerkwam; dat men de rijke lieden eerlijk voor hun geld zou begraven, maar dat de geringen als bedelaars zulks om Gods wil zouden moeten bidden. Kwaadaardiglijk voegden anderen er bij, dat de armen in een gewone, withouten kist, met het Amsterdamsche wapen beschilderd, zonder roef, naar het kerkhof zouden gebracht worden. Anderen wederom morden, dat de burgerij, door deze keur, in haar recht en vrijheid werkelijk benadeeld werd, dewijl voorheen ieder aansprekers naar zijn welgevallen had kunnen gebruiken, doch zich nu moest vergenoegen met dezulken die hun door kommissarissen werden toegezonden."
 

Het ergste evenwel waren de vakgenooten zelven er aan toe, die in grooten getale naar een andere broodwinning hadden om te zien. Reeds was het cijfer, aanvankelijk op 36 aansprekers en 72 dragers gesteld (een regeling welke blijkbaar de beoefenaren van dit beroep bij het dozijn berekent), door burgemeesteren op verzoeken en klachten van de gegadigden, verhoogd tot ongeveer de helft van het vroegere, dat minstens driehonderd beliep. Men [ 313 ] ziet dat het de regeering niet om een kleine wijziging te doen was geweest. Gesterkt, mag men aannemen, door het algemeene misnoegen, bleven de met broodeloosheid bedreigden aandringen op intrekking van de keur. In weinige dagen, toen de stadsregeering antwoordde met militair machtsvertoon en scherpe proklamatiën, kwam het tot plundering en straatgevecht.

Herroeping van den maatregel die de volkswoede had gaande gemaakt, baatte niet. Niet tegen dezen of genen maatregel alleen is zij gericht; de scherpe klassenhaat, gewekt door stelselmatige en onophoudelijke verdrukking, heeft niet één maar duizend grieven te wreken. De armen hebben weinig minder vijanden dan er rijken zijn. Geen gelegenheid om geleden smaad of nadeel op de personen en bezittingen hunner vijanden te verhalen, wordt verzuimd. Zij kunnen het stelsel niet veranderen dat hen plundert, alleen somtijds eenigen van de plunderaars straffen. Wat hun als diefstal en geweld daarbij verweten wordt, is niets meer, meenen zij, dan een billijke vergelding, waaraan enkel mankeert dat zij niét over alle aanzienlijken wordt uitgestrekt. Doorgaans, als om het karakter der terechtstelling volkomen te bewaren, wordt door sommigen uit den hoop gewaakt dat niemand iets van het geroofde meedraagt[76]. Alles wat het deftige huis bevat moet worden geschonden en vernield,—het kostbaarste het eerst—want het is een onrechtmatig verworven goed, en dat reeds wijl het rijkdom is in een wereld vol armoed[77].

[ 314 ] Deze klassehaat is louter nijd en wraakzucht, niet bij de arbeiders alleen maar ook bij de kleine burgerij—de gruwelijke moord van de De Witten is het werk meest van lieden uit de middelklasse, waaronder een notaris, geweest—wijl zijn donkere kleuren niet zijn doorvlamd met de tinten van hoop en het besef van eenen revolutionnairen plicht.

 

Vierde Artikel.

I

 

Het moderne kapitaal dat in het proletariaat, een steeds aangroeiende fraktie van iedere bevolking, het voorwerp eener stelselmatige en al meer omvattende uitbuiting beheerscht, duldt geen uitbuiting op eigen hand door de organen van de staatsmacht.

De vertegenwoordigers van het oude handelskapitaal, daarentegen, konden elke onderdrukking der massa door de regenten met onverschilligheid aanzien. Immers hadden zij weinig of geen belang bij het produkt eener arbeidersklasse in hun onmiddellijke nabijheid, wijl zij zich plachten te verrijken ten koste van alle ekonomisch minder ontwikkelde natiën, tusschen welke zij als kooplieden den produktenruil tot stand brachten. Bovendien behoefden zij hun aandeel in de afpersingen door de regenten geenszins te versmaden. De burgerlijke schrijvers van lateren tijd oordeelen met groote strengheid over deze extra-kapitalistische uitbuiting.[78] En inderdaad heeft de moderne kapitalistische klasse er voor goed een einde aan gemaakt. Haar belang vindt zij in de exploitatie van een proletariaat, dat, wel verre van buitendien door een beambtenstand te worden mishandeld, als staatsburgers zooveel vrijheid en voorspoed geniet als met de kapitalistische exploitatie vereenigbaar is. Regenten of bureaukraten die zich aan de massa vergrijpen, bestrijdt zij als [ 315 ] konkurrenten en nog meer als belagers van de openbare orde en veiligheid welke de kapitalistische produktie behoeft. Het moderne kapitaal eischt als een onvervreemdbaar en natuurlijk recht de uitbuiting van het arbeidende volk voor zich op. Zoo weinig gunt het eenigen regeeringspersonen een aandeel—wel te verstaan: boven het aandeel dat de kapitalistische klasse aan sommige regeeringspersonen om voor haar overwegende redenen gelieft uit te keeren—dat zijn heerschappij de periode opent van de betrekkelijke rechtschapenheid en nauwgezette plichtsvervulling der openbare ambtenaren. Zij hebben de kapitalistische uitbuiting te bewaken en te bevorderen, maar mogen haar niet uitoefenen voor eigen rekening. De hedendaagsche bureaukratie, met inbegrip van het koningschap, oefent geen heerschersrecht meer uit; zij bestuurt slechts in naam van het kapitaal.

Anders was dit in onze Republiek tot het einde der 18de eeuw. Eerst de annexatie bij Frankrijk, waar menige vrucht van de burgerlijke revolutie behouden is gebleven, heeft de Hollanders van de plaag der omkoopbare en roofzieke agenten verlost[79].... natuurlijk zoover de verandering ten goede kon komen aan een volk dat in zijn geheel een voorwerp van afpersing werd. Een oogenblik geweken voor den revolutie-storm van 1795, had de [ 316 ] stedelijke en provinciale oligarchie zich even spoedig hersteld als zij het onweer van 1747 en '48 te boven was gekomen. "Reeds in 1805", schrijft Dr. H.E. van Gelder, "herleefde de regenten-tijd"[80]. De bevrijding van het juk der Fransche overheersching bracht de oude meesters weer terugen "in de pas aangebroken eeuw moesten nog een viertal decenniën voorbijgaan, vóór het in 1795 begonnen werk met vrucht zou worden voortgezet"[81]. De burgerlijke omwenteling van dat jaar was grootendeels het werk van vreemde helpers geweest; de revolutionnaire klasse[82] "was nog te zwak en ekonomisch te onbeduidend om zich met eigen kracht te doen gelden"[83]; eerst van 1848 dateert in Nederland de heerschappij eener talrijke middelklasse.

De verbruiksbelastingen leverden aan de regeerende klasse het middel op om de kosten der staathuishouding hoofdzakelijk door de lagere bevolkingsklassen te doen dragen. En zij verschaften tevens aan de besturende coterieën de fondsen waaruit het ambt werd beloond en menig extra voordeel genoten. Dit extra voordeel vond men langen tijd in de wijze van heffing. Het pachten van verbruiksbelastingen is een primitief-kapitalistisch bedrijf geweest[84], waarover de regenten de beschikking hadden en dat zij, evenals andere en minder winstgevende bedieningen, slechts tegen direkte of indirekte retributie aan de gegadigden verleenden. De pachters kochten van de regeeringspersonen de bevoegdheid om bepaalde imposten te heffen, en kregen daarmee hun handen vrij om zooveel van de ingezetenen te trekken als de verordeningen slechts veroorloofden. Het stilzwijgend of uitdrukkelijk overeengekomen beding bracht mee dat de pachters de aanzienlijken verschoonden, om met des te [ 317 ] minder erbarming, door de overheid gesteund, de overige bevolking te plunderen.

In iederen vorm zijn verbruiksbelastingen—op artikelen van algemeen verbruik gelegd—middelen tot uitbuiting: maar door de opbrengst te verpachten wordt de uitbuiting nog verscherpt door de tusschenkomst van een kapitalistisch ondernemer, die het in de pachtsom belegde kapitaal winstgevend heeft te maken.

Dit kapitaal, echter, wordt zelve niet produktief aangewend: voor zoover de pachtsom niet vloeit in de partikuliere kassen der regenten, komt zij in de staatskas. De ondernemer-pachter, dus, koopt geen produktiemiddelen om te doen arbeiden—hij legt beslag op een gedeelte van het arbeidsprodukt der massa dat hem wordt afgestaan als een impost op haar verbruik. Met den modernen kapitalistischen ondernemer heeft de belastingpachter het winstbejag gemeen, niet, echter, de produktieve funktie. Wat hij zich toe-eigent is geen deel van een onder zijn verantwoordelijkheid en op zijn risiko voortgebrachte produktswaarde, waarvan althans een ander deel, als de prijs der geleverde arbeidskracht, aan den arbeider wordt gelaten. De pachter staat geheel buiten alle voortbrenging. Hij is geen werkgever. Hij laat geen loon verdienen. Hij ontziet geen bestaansminimum. Hij verhoogt geen welvaart. Hij verlaagt geen prijzen. De pachter, integendeel, weet enkel van nemen. De pachter oogst waar hij niet heeft gezaaid. De pachter maakt alle waren duurder, versmalt ook de kleinste inkomens, verzwaart alle bestaande armoede. De pachter eischt zijn deel zelfs van aalmoezen, hij gaat de gezinnen zonder kostwinner niet voorbij. Alle geringe staatsburgers vallen onder zijn bereik en de meest weerloozen vervolgt hij met het minste meêdoogen. De pachter is niet een ambtenaar die voor anderen ontvangt; hij is de spekulant die zijn kosten moet goedmaken en zijn voorschotten doen rendeeren. De pachter hanteert zijn kapitaal als de woekeraar het zijne, en heeft vóór op den woekeraar, die somtijds door een wet beperkt wordt, dat zijn knevelarijen krachtens de wet worden bedreven.

[ 318 ] De overheid beschermt den belastingpachter wijl hij haar de handen stopt[85]. De middenstand veracht den woekeraar die de burgerij doet bloeden zonder dat zijn tusschenkomst de openbare kassen vult. De lagere klasse haat hem als den armoedzaaier die geldgieriger is dan eenig patroon en onverbiddelijker dan eenig despoot. Voor de manifestatie van langgetergden volkstoorn in het reeds genoemde jaar 1748, dreigende met een opstand die een revolutie scheen te willen worden, durfde het regentendom in de aangetaste provincies de verpachting niet handhaven. De accijnsen bleven bestaan maar werden voortaan direkt, bij kollekte, ontvangen.

 

II

 

Het Pachters-oproer van 1748 is de hevigste en algemeenste uitbarsting van den klassenstrijd geweest[86] door de lagere bevolking gevoerd tegen de heerschappij van de kapitalistische klasse, vertegenwoordigd door de regenten van stad en provincie. Reeds in de 17e eeuw waren herhaaldelijk gevallen van min of meer hevig verzet voorgekomen; hetzij tegen de uitbuiting in den scherpsten en meest verafschuwden vorm van accijnsverpachting; hetzij, als bij het Aansprekersoproer van 1696 te Amsterdam, tegen afpersing van overheidswege bij de uitoefening van bepaalde bedrijven; hetzij, eindelijk, direkt tegen de bestaande regeering en ten gunste van Oranje als in 1672.

De beweging tegen de pachters, in den voorzomer opgekomen, is zeer duidelijk een voortzetting van de politiek-revolutionnaire aktie die in Mei 1747 een einde maakte aan het Tweede Stadhouderlooze Tijdperk. De direkte aanleiding tot de verheffing van Willem IV was, gelijk men weet, dezelfde geweest die in 1672 de hooge [ 319 ] bourgeoisie had doen zwichten: het dreigen eener Fransche overheersching voor welke de volksklasse alleen door het herstelde stadhouderlijk gezag zich meende te kunnen redden. De regenten-klasse, vreesde men, was niets te goed om het land, wanneer zij er partikulier voordeel in bespeurde, aan vreemden te verraden. Waarom zou zij, die, om zich te verrijken, nooit iets had ontzien, aarzelen de natie-zelve te verkoopen? Met een even juist besef werd geoordeeld dat een prins-stadhouder, daarentegen, als hoofd van een centraal gezag, voor de onafhankelijkheid des lands alles zou over hebben. Inlijving bij een andere mogendheid zou den Oranjes hun prinselijke kroon hebben gekost, den kooplieden van de groote steden niet meer dan een andere vlag op hun vloot.

Niet alleen echter om zich te beschermen tegen de Franschen verlangde de massa ditmaal naar een nieuwen stadhouder. Na den dood van Willem III in 1702 was de macht der plaatselijke regenten grooter dan ooit geworden.

"Die regentenheerschappij kreeg, ten gevolge van de in alle steden en deelen des lands in dezen tijd opnieuw gesloten contracten, alliantiën, tourbeurten, almanakken en hoe men de overeenkomsten tusschen de regeerende personen en familiën meer mocht noemen, meer en meer het karakter van een gesloten kasteheerschappij, bij de steeds meer uitsluitend onderling gesloten huwelijken zelfs van een familieregeering, die ten slotte het landsbestuur in handen mocht brengen van een klein getal oligarchen. Die familiën, in het bezit van de regeering van stad en land, beschouwden zich weldra als de rechthebbenden op die regeering; van volksrechten, van oude privilegiën in die richting was nergens sprake meer sedert de mislukking der pogingen van de gilden en gemeenslieden in Gelderland en elders in het begin der eeuw."[87]

En van de beschikking over deze politieke almacht bedienden de bezitters zich om de ekonomische grondslagen hunner positie nog meer te versterken.

"Eenmaal zoover gekomen, ontzagen zij zich niet om [ 320 ] den last der regeering te verzoeten door het genot van de voordeelen der talrijke bedieningen, die hun thans zonder verzet ten deel vielen; zij achtten het bezit dier voordeelen zelfs een recht, ontleend aan hun regeeringsplicht en daarmede onverbrekelijk samenhangend. De belastingen werden een opbrengst aan hen, waarmede zij.... handelen konden naar welgevallen. De rechtspraak werd verlaagd tot een middel om hunne heerschappij te bevestigen en te verdedigen, ja zelfs eenvoudig tot een bron van inkomsten van de rechtsprekende personen; het leger en de vloot tot instellingen bestemd voor de verrijking van kinderen en familieleden door middel van voordeelige posten; zelfs de Kerk scheen een middel tot verbetering der inkomsten van regeeringsleden te zijn"[88].

De revolutionnaire gebeurtenissen van 1747 en '48 zijn allereerst te verklaren als een reaktie tegen dit drijven eener grove klassezelfzucht. Bovendien was sedert verscheidene jaren een verslechtering van ekonomische toestanden ingetreden, die de eigenlijke kooplieden weinig deerde, maar die voor den kleinen man den verzwaarden druk ondragelijker dan ooit maakte.

Althans de industrie had veel geleden.—In de tweede helft van de 17e eeuw begonnen ook hier de handelskapitalen, van bestemming veranderende, zich meer en meer op de produktie toe te leggen en niet zonder aanvankelijk succes. Het was dezelfde beweging die zich in Engeland en Frankrijk voordeed. Wij hebben reeds doen opmerken dat in Nederland de grondstoffen voor belangrijke takken van nijverheid en ook de binnenlandsche markt vergelijkenderwijs ontbraken. De koloniale politiek der groote kompagnieën van uitsluitend kooplieden had in meer dan een werelddeel de inboorlingen geplunderd, en niet gestreefd naar het stichten van een markt voor de nijverheid van het moederland. Engeland, bovendien, had de voor een volksplanting met Europeesche behoeften meest geschikte gewesten in Noord-Amerika ons reeds vroegtijdig afgenomen. Zoolang echter de Hollandsche [ 321 ] industrie met die der minder ontwikkelde natiën de konkurrentie kon volhouden, loonde het de moeite de grondstoffen uit min of meer verwijderde landen hier te verwerken. Het andere onmisbare element, de levende arbeidskracht, hoewel altijd eenigszins aan de manufaktuur door de organisatie der gilden betwist, was betrekkelijk overvloedig voorhanden in gewesten, welke reeds voor het eind van de 16e eeuw de gilden aan het grootkapitaal en de regeerende kooplieden ondergeschikt hadden zien worden. Van dit samengaan der omstandigheden was een bloeiperiode der industrie het gevolg, die zich uitgestrekt heeft tot in het begin der 18e eeuw. Een bijkomende omstandigheid is de toeloop der Fransche "Réfugiés" geweest, die, in naam van de godsdienstvrijheid verwelkomd, en ter eere van de vrijheid van arbeid van den gildedwang ontheven, aan het industrieele kapitaal een nieuwen voorraad van meerendeels geschoolde arbeidskracht ter beschikking stelde.[89]

Bij de bijzonderheden van het vervallen der industrie, die voor de normale kapitalistische ontwikkeling van naburige volken wijken moest—ook het noodzakelijk hoogere arbeidsloon als gevolg van de zwaar belaste levensmiddelen, belemmerde meer en meer den verkoop aan het buitenland—behoeven wij ons niet op te houden. Protektie van eigen bedrijf, en zelfs verbod van Nederlandschen invoer, voltooiden de werking van een voor ons overmachtige konkurrentie. Hoewel wat aan buitenlandschen handel tegen het jaar 1740 was overgebleven, nog steeds zeer aanzienlijk was, en ook de winsten uit de exploitatie der koloniën overvloedig bleven, kon dit alles de verarming van de groote menigte niet beletten. En toen nu, bij eenige natuurlijke rampen, als watervloeden en strengen winter,[90] de nadeelen en gevaren van [ 322 ] den oorlog kwamen, kon de revolutie die den Frieschen stadhouder ook in de machtiger provincies aan het hoofd der regeering bracht, niet lang uitblijven.

Het programma van Willem IV en zijn partij was door de omstandigheden van zijn verheffing aangewezen: het fnuiken van den georganiseerden roof door de familiegenootschappen, de herstelling van het fabriekswezen, het afschaffen der belastingpachterij, het invoeren van direkte belastingen. De prins is reeds vier jaar na zijn benoeming tot het erfstadhouderschap gestorven, maar behalve den tijd heeft Willem IV ook de kracht gemist om zijn regeeringsprogram uit te voeren.

 

III

 

Het verval der tijden, de last van den oorlog, de geringheid der dagloonen, dit waren, zegt een tijdgenoot, de fakkels die den bitteren haat tegen al wat naar pachters of pachten geleek, deden ontvlammen.[91]

Opheffing van het pachtstelsel was reeds in het vorig jaar tegelijk met de aanstelling van den Prins van Oranje geëischt geworden. "De eisch van het volk in Holland, schrijft Nijhoff,[92] was ten eerste de instelling van een in mannelijke en in vrouwelijke linie erfelijk stadhouderschap, en ten tweede de afschaffing der pachten." En: "de samenvoeging van die beide eischen was wel een duidelijk bewijs, dat het volk door de meerdere verheffing van den Prins voor zich zelf tegelijk verlossing van onrechtmatigen druk verwachtte." Verlossing van buiten is inderdaad wat de volksklasse verwacht, zoolang zij niet, als het moderne proletariaat, in zich zelve de macht voelt groeien die haar bevrijden zal. De bevordering van een Oranjevorst tot de hoogste waardigheid viel in de gedachten van de verdrukte menigte geheel samen met een verbetering van haar eigen toestand. De ervaring met het erfstadhouderschap heeft overigens het hare gedaan om deze uit besef van afhankelijkheid ge[ 323 ] boren voorstelling te verstoren. Er moesten twintig jaar van onrust en ellende voorbijgaan eer de Nederlanders, na 1795, nogmaals een Oranjevorst als een "vader des volks" inhaalden.

Gelijk de beweging voor Willem IV gepaard ging met een demonstratie tegen de verfoeide belastinggaarders, ging men in het volgende jaar hun te lijf onder het aanroepen van den Oranjenaam. Van zekeren Egeling, wijnkooper te Utrecht, bekend smokkelaar, en als alle smokkelaars dubbel gebeten op de houders der pachten, verhaalt een gedenkschriftenschrijver[93] dat hij in April 1747 door de straten liep met de populaire kleur op zijn borst, luidkeels de leuze uitsprekende die blijkbaar zoowel alle geplaagde verbruikers als neringdoenden vervulde: Vivat Oranje, vrije negotie!

De Prins—ander voorbeeld—eenmaal in Holland benoemd, zou, meenden zijn aanhangers, nu ook in Friesland bekleed moeten worden met de grootere macht hem in Holland opgedragen. In Juni ('48) traden aldaar de volksleiders bovendien met den algemeenen eisch op: "herstel der burgerij in haar oude politieke wetten en voorrechten", naast dezen bijzonderen eisch: "afschaffen der imposten en vervanging door een familiegeld."[94]

Evenzoo te Amsterdam.—In een pamflet van den dag:—"men hoort (lezen we) het gemeen openlijk zeggen: wat baat het ons, Z.H., dien beminden Vader des Vaderlands, tot onzen Erfstadhouder verheven te zien, indien men Z.H. blijft wederstreven? Wij zullen nooit van onze bloedzuigers, de Pachters, verlost worden, indien wij zelf geen handen aan het werk slaan.... Daarop barstte het misnoegen uit, gelijk door het plunderen van de huizen der pachters gebleken is."[95]

Men ziet het: ook als het zelf zijn handen gebruikt, gevoelt het "gemeen" zich een werktuig van den prinselijken verlosser. Den Prins als stadhouder gehuldigd en [ 324 ] de misbruiken niet afgeschaft nog: het bewijst, dat men Z.H. "wederstreeft". "Het gemeen, schrijft Mr. de Roever,[96] geloofde dat wie zich aan de Pachters vergreep, daarmede een aan den Prins welgevallig werk moest doen."

Evenzoo te Groningen (stad), waar in Juli een oproeping verspreid werd voor een volksvergadering op het plein voor het stadhuis—gericht tot "alle patriotten en voorstanders van Oranje", om, tot heil des lands, een aanslag te doen op de bureaux van de "cherchers": beambten onder de pachters.—Van elders bericht een tijdgenoot-geschiedschrijver hetzelfde: "'t Grauw, wanende voor den prins te ijveren, schroomde niet aan te vallen op de opzichtershuisjes, die omvergehaald en vernield werden."[97] Waar of niet, deze overtuiging was algemeen. "Kort na de verheffing van Z. H. was, schrijft Wagenaar, onder 't volk verspreid en geloofd dat de Prins de pachterijen zou doen afschaffen en de algemeene lasten, bij wijze van hoofdgeld, doen heffen".[98]

Werkelijk stelde Willem IV, nadat de volkswensch aldus was gebleken, en de plaatselijke autoriteiten, om erger te voorkomen, reeds hadden toegegeven, de intrekking niet slechts der verpachtingen voor, maar van de verbruiksbelasting zelve, te vervangen door eenige direkte belastingen. Zijn plan bevatte:

een hoofdgeld van twee stuivers per week;
een personeele belasting op de huishuren, als schatting van vermoedelijke "verteering en omslag";
een bedrijfsbelasting, of naar de werktuigen, of naar de grondstoffen, of naar de huurwaarde der gebouwen.

Mochten, echter, geen dezer middelen aan de Staten van Holland bij wien het voorstel 2 Mei 1749 ingeleverd werd, gepast voorkomen, dan verzocht de stadhouder althans bevestiging van de afschaffing der pachterijen, invoering der accijnzen bij kollekte, en, eindelijk, een vermindering van de rechten op aardappelen en rogge, "ten [ 325 ] einde de kleine gemeente eenigszins te verlichten. Tegelijk werd, met dezelfde bedoeling, aanbevolen om te zorgen dat in den wintertijd, "bij besloten water", de armen hun turf voor denzelfden prijs konden koopen als de rijken, "die zich bij tijds voorzien konden"[99]....

De nieuwe erfstadhouder, ziet men, was de man niet om van de gelegenheid gebruik te maken. Hetgeen hij voor zijn bondgenooten in den klassenstrijd, waaraan hij zijn verheffing te danken had, meende te moeten vorderen, was luttel. De eenige werkelijke verbetering had de kleine gemeente, ten koste van het leven van verscheidene belhamels bij het oproer die men vervolgens aan de galg hing, zelf aan de regenten afgedwongen. De pachters waren voor goed verdwenen, maar de verbruiksbelastingen daarmee niet afgeschaft. Want evenmin als een jaar vroeger, toen, den dag na het begin der plundering van de pachtershuizen te Amsterdam, 24 Juni, de Prins in de vergadering der Staten van Holland verschenen was, om behalve het opheffen van de verpachtingen ook de invoering van een hoofdgeld te vorderen[100], waren de heeren thans genegen in een wezenlijke verlichting van de volkslasten toe te stemmen. Twee maanden na de indiening van het uitvoeriger voorstel volgde het besluit tot handhaving van de accijnzen, voortaan bij kollekte te innen[101].

Reeds de afschaffing van het onhoudbaar geworden pachtstelsel had bij de aanzienlijksten groot misnoegen gewekt. Ongetwijfeld verlangde en verwachtte de volksklasse dat nu het geheele belastingstelsel veranderd, de vermogende burgers zouden worden aangeslagen. Daarvoor echter, was de tijd nog niet gekomen, de machtsverhoudingen nog niet gunstig. De heffing waartoe men in allerijl had moeten overgaan toen de inkomsten uit de pachten plotseling ophielden, en die wel niet anders dan min of meer direkt naar bezit of welstand had kunnen zijn, beviel aan de regeerende klasse volstrekt niet. Het [ 326 ] is volkomen begrijpelijk dat juist dit begin van een andere verdeeling der publieke lasten haar van een voortgaan in deze richting afkeerig maakte, en haar, toen de eerste indruk van het geweldige oproer voorbij was, het oude systeem in beginsel deed bestendigen.

 
"Middelerwijl, schrijft Wagenaar, waren de pachten zoodra niet afgeschaft, of het regende alomme ontwerpen van de andere middelen van belasting, welke men voor beter hield. Kundigen en onkundigen hielden zich bezig met dit werk. De meeste ontwerpen liepen uit op een hoofdgeld en familiegeld en kwamen in zooverre overeen met het voorstel van den Prins"[102].
 

Doch wat een zoodanig hoofdgeld beteekende, dat, om de zware accijnzen te kunnen vervangen noodzakelijk een progressief karakter had moeten dragen, had men aan de tijdelijke heffing eenigermate gewaar kunnen worden.

Bepaald was geworden, nl., dat het bedrag der afgeschafte pachten op te brengen zou zijn door een heffing, "bij schatting van de ingezetenen, huishoudingen en personen," naar den maatstaf, "zoo na doenlijk, van hunne vertering". De burgemeesters in de steden, de schouten op het platte land zouden voor de inning van het bedrag verantwoordelijk wezen. "Eer deze schatting behoorlijk zou kunnen geschieden, werd elke ingezetene vermaand om zich zelf te schatten naar hetgeen hij in de pachten had opgebracht of had behooren op te brengen."[103]

 
"Deze schatting echter, voegt Wagenaar erbij, kwam meest neer op de gegoeden. Geringen en behoeftigen werden of niet geschat of voldeden niet 't geen van hen opgevorderd werd, ofschoon zij voorheen zoowel als de gegoeden en rijken naar gelang hunner verteringen in de afgeschafte pachten gedragen hadden.

[ 327 ]

Over de ongelijkheid dezer schatting, een gebrek dat vooral in groote steden bezwaarlijk te voorkomen is, werd zeer geklaagd.
Ook zag men ongaarne, dat de doorreizende vreemdelingen vrij bleven van verscheidene lasten welke zij te voren hadden gedragen: al hetwelk te weeg bracht dat de schatting in de plaats der afgeschafte pachten niet zonder veel gemor en misnoegdheid werd opgebracht".[104]
 

Willem IV, zagen we, is evenmin genegen geweest voor de zaak van de klasse die hem aanhing met kracht op te komen. De zwakheid en dubbelzinnigheid van zijn houding in deze voor de kennis van onze geschiedenis zoo merkwaardige tijden, was voor velen een groote teleurstelling. De bestaande machtsposities maken het begrijpelijk: een vertrouwbaren grondslag voor het aanzien van zich en zijn Huis leverde de gunst van de volksmenigte niet op. Veilig gevoelde zich de Stadhouder alleen in de gunst der burgerlijke aristokratie[105]. Omgekeerd zijn er teekenen genoeg dat bij de kleine burgerij en werkmansstand de geestdrift voor Oranje spoedig bekoelde. "De groote liefde, die de Prins eertijds onder het volk genoot, is veranderd in onverschilligheid en verachting, ja, in nog iets ergers"[106]. Zoo werd nog vóór zijn vroegen dood over hem gesproken. De populaire en "filosofische" vorsten die de 18de eeuw voortbracht, zijn alleen mogelijk geweest in landen waar de massa der burgerij een periode doormaakte van ekonomischen en politieken vooruitgang.

Wat het Pachters-oproer zelf aangaat, is het zelfs de vraag wie deze volksbeweging meer heeft verfoeid: de regenten tegen wie, of de stadhouder in wiens naam zij werd gevoerd. Toen in Februari 1749, eer de nieuwe finantieele regeling was getroffen, afgezanten uit de stad [ 328 ] Utrecht naar 's-Gravenhage waren vertrokken "om de bedroefde gesteldheid hunner kassen te demonstreeren", ging de Prins zoover van zich bij hen te verontschuldigen —: "God tot getuige aanroepende, geen oorzaak van het afschaffen der pachten te zijn"[107].

Ruim een half jaar later passeerde—volgens denzelfden berichtgever—Willem IV, naar "Het Loo" gaande, de stad:

 
"Komt in de vergadering der Staten, harangeert lang omtrent de gesteldheid der finantiën, excuseert zich omtrent het afschaffen der Pachten, rekommandeert wat bij kollekte kan geschieden te doen, geeft bedektelijk hier en daar een korrektief omtrent het nieuwe middel, enz."
 

Een maand daarna, in Oktober, komt het denkbeeld ter sprake de pachten te herstellen. De schrik zat er blijkbaar nog in: "suffisante lieden willen er niet aan"—wel zou men het abonnement op de accijnsbelasting weder wenschen in te voeren: ander middel om zich met de administratie te verstaan. "In de vergadering"—teekent de auteur dezer gedenkschriften aan—"zoude Z.H. in September gezegd hebben, dat het hem evenveel was, abonnement ("admoniatie") of kollekte, als de naam van pachten maar ontzien werd".

Den zelfden indruk hadden te Amsterdam de tegenstanders ontvangen toen de stadhouder in September '48 die stad kwam bezoeken. Bij Z.H.'s vertrek zeiden de meesten: "Hij heeft de regeering naar zijn zin veranderd en niets voor ons gedaan"[108].

In Rotterdam, eindelijk, heeft Willem IV de aktie tegen de regenten en hunne trawanten direkt tegengewerkt. Door tusschenkomst van een partijgenoot Van der Meer[109] trachtte men van uit Den Haag het agiteeren voor [ 329 ] een adres aan het stedelijk bestuur wegens het verkoopen der openbare ambten te doen ophouden—"vermits mijnheer de Prins van het verlangen der burgerij betreffende de ambten kennis had, en dat die zaak met de regeering wel geschikt kan worden zonder dat het rekwest wierd gepresenteerd.... dat er een gerucht ging dat het door 4 à 5 honderd personen gepresenteerd zou worden, en dat dergelijke bewegingen zeer te duchten waren".—Van der Meer antwoordde dat het beletten niet in zijn macht stond, beloofde intusschen te zullen zorgen dat het adres "in stilte en met beleefdheid zou worden gepresenteerd"[110].

 

IV

 

Wagenaar, sprekende over de schatting tijdelijk ingevoerd in de plaats der verpachte accijnzen, deelt meê hoe in de provincie Holland het bedrag over de steden met bijbehoorend gebied omgeslagen was. De provincie, had niet minder dan tien millioen gld. op te brengen aan dit enkele middel; Amsterdam: 3.800.000; Delft, de tweede stad, bijna 1.500.000; Rotterdam: iets minder dan 1.000.000; Leiden, 780.000; Haarlem: 800.000, enz. Ziedaar wat in de provinciale schatkist kwam. Naarmate het misbruik, krachtens de toenemende willekeur van de gesloten en met uitsluiting van alle openbaarheid handelende stedelijke regeeringen, grooter werd, vertegenwoordigde dit bedrag—men was er algemeen van overtuigd—slechts een deel van de sommen door de pachters en hun dienaren aan de bevolking afgenomen.

Daarvoor pleitte, ten eerste, het feit van de ontzaglijke rijkdommen van de pachters[111], gewoonlijk in korten tijd bijeengebracht.

"Geen een is er die niet rijk is", schrijft een tijdge[ 330 ] noot.[112] "Het was genoeg in de eene of andere pacht geinteresseerd te zijn om binnen 2 à 3 jaar van slechts een gewoon burgerman een soort van heer te worden en een luisterrijke stoet te houden."

Voorbeeld: "Een pachter heeft een impost van 120.000 gld. gepacht die hem jaarlijks 50.000 winst geeft, behalve de 10 à 12.000 welke hem zijn kommiezen en verklikkers kosten".—Zoo leest men op menige bladzijde van de tallooze geschriften die de kampagne tegen de regeeringsknevelarijen meemaakten. Niet vreemd dat de kapitalen aldus aangewend een hooge rente droegen—"hooge renten", zegt een ander tijdgenoot door Dr. Hartog geciteerd, "waarop aan de beginnende pachters geld voorgeschoten wordt, en die de ingezetenen betalen moeten"[113]—natuurlijk behalve de grove ondernemerswinst en het arbeidsloon der "verklikkers". De herkomst van groote fortuinen op deze wijze gewonnen vindt men nog vele jaren later aangewezen.—De beide riddermatige goederen Oud- en Nieuw-Ameliswaard b.v., tusschen De Bildt en Utrecht gelegen, waren in den Franschen tijd het eigendom van iemand, wiens vader—naar een ongenoemd schrijver meent te weten[114]—"als fatsoenlijk Utrechtsch burgerman begonnen, als provinciaal pachter der brandewijnaccijnzen zich zulk een belangrijk vermogen verwierf, dat de zoon, onder Napoleon maire van Utrecht geworden, aanzienlijke landgoederen in die provincie kon aankoopen, waarvoor hij jaarlijks 20.000 gld. aan grondbelasting had te voldoen, en naar een van welke de eigenaar zich voortaan "Bosch van Drakenstein" noemde.

Dat de sommen, die het middel der accijnzen voor openbare doeleinden opleverde, maar een gedeelte uitmaakten van de sommen die hetzelfde middel aan de ingezetenen kostte, kon men ook hieruit afleiden, dat, behalve regelmatig bedongen rente van voorgeschoten kapitalen, ook vele onregelmatige uitkeeringen door de pach[ 331 ] ters te kwijten waren aan regeeringspersonen of hunne vrienden.

"Ook in de provincie Holland", schrijft Blok, "was het, zoo niet wettig bewezen, dan toch feitelijk bekend, dat een groot deel der door de burgerij opgebrachte penningen in de zakken der regenten verdween, dat de pachters door het verzekeren van aanzienlijke voordeelen aan de heerschende personen en familiën gunstige voorwaarden plachten te bedingen en zich door geschenken de welwillendheid en den steun der regenten wisten te verschaffen."[115]

Doch zelfs al trokken de regenten niet rechtstreeks van de pachters, gelden die de pachters weer verhaalden op de overige belastingschuldigen, zoo waren reeds de vrijstellingen en het smokkelen van de aanzienlijken oorzaak van een onevenredig zwaren druk op den minderen man[116]. Een van de reeds genoemde pamfletschrijvers veroorlooft zich met deze misbruiken den spot te drijven. Hij wil "aan de leden der Regeering" voorrekenen dat ook zij voordeel zullen hebben bij de afschaffing der accijnzen. Door de vermindering van den prijs der goederen zullen zij voor hun huishouden de helft niet hebben te betalen van vroeger.

 
"Wie kon gelooven, vraagt hij, 't geen wel gezegd wordt: dat de accijnzen ten hunnen laste niet kwamen; dat zij heimelijk dezelfde vrijdommen genoten die de ministers der vreemde mogendheden genieten; dat zij zelfs zich met de pachters verstonden, met wie zij den koek deelden, en dat zij hun daarom zoo kenbaar in alle hunne knevelarijen en trouweloosheden de hand boven 't hoofd hielden waardoor de steêman zoowel als de landman zoozeer moesten zuchten en allengs tot den bedelstaf gebracht werden, zonder het land te verrijken?"

[ 332 ]

Ironisch luidt schrijvers antwoord: "ik moet bekennen, dat ik niets van die geruchten geloof...."[117]
 

Van eenige juiste begrooting van hetgeen de schatkist aldus te kort kwam, is natuurlijk geen sprake. Volgens Sickinga werd algemeen geloofd dat het ontvangen bedrag niet de helft, geen vierde, zelfs geen vijfde was van de werkelijk geheven imposten[118]. Een geschrift van 1739 beweert dat te Amsterdam niet meer dan één twintigste wordt betaald, "en dat met konniventie van de magistraat, zóó dat Den Haag over wijnpacht meer opbrengt dan geheel Amsterdam."

Indien dit de manier was waarop het geld werd besteed, moest de manier waarop het werd gewonnen des te meer ergernis geven. De vrijheid aan de grooten toegestaan, kan niet anders dan door een zwaarderen druk op de minderen worden ingehaald. Overgroote strengheid tegen de zwakken behoort tot het wezen van de verpachting. Wie pachter wordt geniet een gunst, een gunst die niet gratis wordt verleend; de kleine belastingschuldige betaalt den prijs die de rijken in den zak steken, hetzij als ontheffing, hetzij zelfs door deelen in de opbrengst. Kleine belastingschuldigen kunnen gemakkelijker ontduiken. Zij vormen bovendien de talrijkste rubriek. Gevolg: hooge kosten van inning en contrôle, kosten die zij wederom zelven grootendeels moeten betalen.

Inderdaad is de wijze van inning en contrôle een der werkzaamste oorzaken geweest die het stelsel en de personen zoo ontzaglijk gehaat hebben gemaakt. Terwijl de rijken onbelemmerd hunne weelde genoten of zelfs uit de belastingpenningen voordeel trokken, moesten de armen van ieder mandje turf, ieder maal aardappelen, elken slok bier en elken boterham accijns opbrengen. De aanzienlijken smokkelden ongeveer in het openbaar zooveel zij wilden. Geen behoeftige was veilig voor de handlangers van den pachter, die goede vrienden was met de politie. Alleen de belasting van de armen was een bate [ 333 ] waarop te rekenen viel; hoe minder zeker van de guldens van de gegoeden, hoe ijveriger men passen moest op de duiten van de rest. En zoo vertoont zich het systeem als een onophoudelijke jacht op de schraalste beurzen, een ambtshalve gevoerden oorlog tegen de geringe bevolking.

Van uit een oneindig getal kleine blokhuizen welke het land bedekken, wordt die oorlog gestreden. In ieder een garnizoen: de kommiezen van den pachter, bijgestaan door helpers die het volk "verklikkers" en "kraaiers" pleegt te noemen. De blokhuizen vindt men overal waar de groote massa komt om te koopen of waar voor de behoeften van de massa wordt gewerkt. Een opzichtershuisje—somtijds genoemd cherchers-huisjes of -hutten—bij iederen molen voor het meel, bij iedere brouwerij voor het bier. Huisjes ook aan alle havens, op alle markten, naast alle poorten. Pakhuizen voor zeep, pakhuizen voor zout, pakhuizen voor wijn, bezet met personeel van den pachter dat geen pond of geen flesch laat uitgaan zonder dat de accijns is voldaan. En behalve deze vaste bezittingen in sterkten die elk haar omtrek voortdurend brandschatten, gaan mobiele kolonnes onvermoeid door het land, ieder aanhoudende, ieder betastende, ieder taxeerende die een boodschap bezorgt of een last vervoert aan accijns onderhevig. Geweld, bekeuring, arrestatie en boete bij poging tot sluikerij, bij het geringste verzuim van eenige formaliteit, bij het lichtste vermoeden op bedrog. Andere afdeelingen van deze offcieele rustverstoorders, die elken burger tevens als vijand en als schuldenaar hebben te beschouwen, dringen in de werkplaatsen van accijnsplichtige waren, leggen molens aan kettingen, verzegelen deuren, dooven vuren uit, gebieden den meester, verbieden den arbeid, nemen op nietige gronden in beslag, beschadigen en straffen naar welgevallen. Nog andere dienaren van dit gezag dat de tirannie van den bureaukraat vermenigvuldigt met de schraapzucht van den woekeraar, staan in hinderlaag waar wagens en schuiten aankomen om van de passagiers een bijslag op het reisgeld af te vorderen, of begeven zich aan boord om te zien of de lading behoorlijk is gedekt. Zoo is een enorm leger, [ 334 ] dat het terrein zijner operatiën als een vijandig land beschouwt dat hem tot plundering is opengesteld, sedert menschenheugenis aan het werk. Niet minder dan 40.000 man heeft de accijnspachter noodig, wier onderhoud op zich zelf een verpletterenden oorlogslast nabijkomt. Toen het uur der vergelding sloeg, had een medelijdende ziel de oplettendheid om te informeeren hoe deze duizenden voortaan den kost zouden moeten winnen. Hoe nu, antwoordde een vaderlander, zullen dan één millioen en 600.000 inwoners gestadig door 40.000 bloedzuigers aangerand, gevild en allengs tot de uiterste ellende gebracht moeten worden?"[119].

Het antwoord dat de opstandelingen van Juni 1748 gaven was de wraakoefening die niets meer ontzag. "Zelfs de papegaaien werden de hals omgedraaid, de honden werden in 't water gegooid en dood geslagen, omdat deze dieren gelijk men meende, van het zweet en bloed der armen onderhouden en gevoed waren."[120]

Rustig zagen de opgeroepen schutters bij de plundering toe. Aangespoord hun plicht te doen antwoordden zij:—"voor de wettige regeering, voor de goede burgers goed en bloed te willen wagen, maar niet voor pachters en kraaijers!"[121] Zoo te Leiden, te Haarlem, te Utrecht, te Den Haag. Uit Amsterdam wordt bericht dat de strafoefening door de deftigste lieden met voldoening werd bijgewoond—"ja men hoorde eenigen in het weggaan zeggen: het is een droevig gezicht, doch de pachters hebben de arme gemeente lang genoeg getergd".[122]

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Nieuwe Tijd (1909).
  2. In de Vragen des Tijds van Mei en Juni polemiseert de oud-hoogleeraar Treub tegen schrijver dezes o.a. over de strekking van de door de regeerende bourgeoisie meermalen genomen maatregelen tot afschaffing of verlaging van verbruiksbelastingen.
    Wij willen met deze beschouwingen doen zien, en zullen aan het slot op het betoog van Treub terugkomen, dat de drijfveer steeds geweest is het welbegrepen ekonomisch belang van den kapitalistischen ondernemer.
  3. Marx, Kapital, III Kap. 20: Geschichtliches über das Kaufmannskapital.
  4. "De ruwe stoffen door onze handelsvloten aangebracht.... werden gedeeltelijk hier verwerkt. De laken- en zijdefabrieken kwamen tot grooten bloei. Buitendien gaf de vaart op Indië aanleiding tot het oprichten van vermiljoen en loodschuimfabrieken. Onderscheidene raffinaderijen voor kamfer, borax en suiker verrezen, zoodat er in deze (17e) eeuw hier te lande alleen zooveel suikerraffinaderijen waren, als in andere landen en steden van Europa te samen".—E. W. de Rooy, Geschiedenis van den Nederlandschen Handel, Amsterdam 1854; bl. 530.
    "Op het gebied der suikerraffinaderijen was Amsterdam zonder tegenspraak in de 17e eeuw de eerste stad der wereld. De groote aanvoer deed als van zelve een bloeiende industrie ontstaan".—Prof. Brugmans, Handel en Nijverheid van Amsterdam in de 17e eeuw, Den Haag, 1901—4, bl. 208.
    "Het is dan de Scheepvaart en de Commercie, die aan onze Ingezetenen de occasie heeft gefourneert, omme de wolle en verdere ingrediënten, die tot de Fabryk der Manufacturen noodig waren, uit andere Landen herwaarts over te brengen.... welke gefabriceerde Goederen vervolgens met onze Schepen, en door onze Koopluiden onder hunne andere Negotie met zeer goede gevolgen zijn verzonden na alle Oorden van de Wereld".—Luzac, Hollands Rijkdom, Leyden, 1783, Dl. IV, Bijlagen, bl. 57.
    Zie hier eenige bijzonderheden over de wol- en lakenindustrie, volgens het hier boven aangehaalde werk van Brugmans.—De in Holland verwerkte wol kwam uit Spanje en Engeland; de inlandsche scheen voor "de draperie" minder geschikt te zijn geweest. "Wel 45 van de Spaansche wol ging naar Nederland, terwijl omgekeerd het laken voor een groot deel weer naar het land der merinosschapen terugging."
    Reeds in 1614 werd de uitvoer van ongeverfd laken, dat naar Holland placht te gaan om geverfd te worden, door de Engelsche regeering verboden. Het schijnt echter dat dit verbod niet werd nageleefd wijl men in Engeland die kunst niet verstond. De ververij bleef nog lang een voorspoedig bedrijf. Overigens deed de bepaling die den uitvoer van wol en den invoer van laken aldaar belette, aan de Amsterdamsche manufaktuur groote schade.
    Sir W. Petty beschrijft in 1676 de Hollanders als de "vrachtvaarders van de geheele handelswereld, bij machte waarvan zij alle goederen aanbrengen om thuis bewerkt te worden en dan weer terug naar het zelfde land waar de stof vandaan komt."—Immers zij bewerken, zegt hij, suiker van West-Indië; timmerhout en ijzer uit de Oostzee; hennip van Rusland; lood, tin en wol van Engeland; kwiksilver en sijde van Italië; garens en verfstoffen van Turkije, enz." Political Arethmetick, ed. 1751; bl. 31 en 71.
  5. Tegenwoordig verslinden de geldopnemingen der buitenlandsche mogendheden, en zelfs de volksplantingen der buitenlandsche volken, het grootste gedeelte (onzer) rijkdommen (Luzac, Hollands Rijkdommen, 1783; IV, 765).
  6. De Engelsche gezant Sir William Temple schrijft in zijn 1673 verschenen Observations upon the United Provinces:—"Ik ben van gevoelen dat de bloei van den handel voor eenige jaren het toppunt heeft bereikt en thans merkbaar vermindert.... De eerste reden is: dat zoovele volken er zich op hebben toegelegd, nu sedert ruim twintig jaar."—Niet slechts Zweden en Denemarken noemt de schrijver, maar ook Frankrijk en Engeland.
    Het is deze klacht die, sedert dien ontelbare malen uitgesproken en met gegevens toegelicht, den waren aard van de kommercieele grootheid aanwijst op het voormalige handelskapitaal gegrond.—Ons welvaren, zegt een schrijver uit de tweede helft van de 18e eeuw, zoo in de Commercie als in de Fabrieken, verwekte een groote jalousie in alle onze naburen met die fatale gevolgen, dat men alom, doch ten opzichte van de manufakturen wel speciaal in Groot-Brittannie, naar alle bedenkelijke middelen uitzag, om ons van die voordeelen te ontzetten." Verbod van woluitvoer in 1660 is een van die middelen geweest. Eén nadeelig gevolg voor ons was het verlies van een groote hoeveelheid lakens die men gewoon was in Engeland te debiteeren; een ander, dat men de grondstof miste, die vroeger tot goedkoope artikelen verwerkt werd. "Onze fabrieken dan verslapten, of namen af naarmate dat die van Groot-Brittannië avanceerden." (Aangehaald bij Luzac, IV, 52/3, Bijlagen).
  7. Zeer belangrijk zijn in dit opzicht de inhoud en geschiedenis van de plannen door Usselincx omstreeks 1600 voorgesteld. Usselincx bedoelde de oprichting eener West-Indische Compagnie, die, anders dan de Oost-Indische, minder den handel dan wel de industrie ten goede zou komen. Zijn oogmerk, dus, was geen nederzetting die den inboorlingen met geweld hunne bezittingen zou afnemen, maar een volksplanting die de kapitalistische ontwikkeling van het moederland zou bevorderen, gelijk later inderdaad gezien is in de Engelsche koloniën in Amerika. Het plan van Usselincx, zegt Van Rees, "was het stichten van volksplantingen zonder slaven in Amerika, niet om daar goud en zilver te zoeken, maar om een voor- deeligen ruilhandel van manufacturen tegen grondstoffen tusschen moederland en kolonie tot stand te brengen."—"Zijn verwachtingen, zegt Dr. van Ravesteijn, beantwoordden wezenlijk aan de behoeften der klein-producenten, vooral aan de textiel-nijverheid.". "Voor een scherpzinnigen geest, die belang stelde in de textiel-nijverheid, moest het duidelijk zijn dat een dergelijke handel voor het geheele land (en niet uitsluitend voor de handelskapitalisten) een veel grooter belang was dan het opkoopen van specerijen in Indië, dat geheel en uitsluitend ten voordeele kwam van een kleine groep groote reeders." (Onderzoekingen over de Economische en Sociale Ontwikkeling van Amsterdam, enz., Amst. 1906, bl. 216 en 218).
    Doch dit was, gelijk Ravesteijn verder uitvoerig betoogt, geen onderneming die de regeerende kooplieden kon bevredigen. Het handelskapitaal, toen nog geheel in de periode waarin zijn werkzaamheid van direkte geweldpleging niet of nauwelijks te onderscheiden is, gaf de voorkeur aan het meer avontuurlijke, krijgshaftige en onmiddellijk veel winstgevender bedrijf van den Oost-Indischen handel die zuivere plunder was. "Krijg en buit," zooals Van Rees schrijft (Geschiedenis der Staathuishoudkunde in Nederland, 1868; II, 80) stonden op den voorgrond."
    —In de 18e eeuw kwamen de klachten, toen het te laat was.
    "De Hollanders, natuurlijkerwijze meer geneigd tot handel en scheepvaart, dan tot den landbouw, zagen in 't eerst in hunne veroveringen en bezittingen in Amerika niet anders dan nieuwe wegen en middelen om hunne scheepvaart en hunnen koophandel te vermeerderen: indien zij om de aarde dachten, was het slechts voor zoo verre zij zich vleiden, er eenige goud- of zilvermijnen in te zullen vinden." (Luzac, Hollands Rijkdom, IV, 201).
    Met duidelijke en scherpe woorden verwijt de schrijver van "Vrijaarts openhartige brieven" het verwaarloozen der koloniën als afzetmarkt van de moederlandsche industrie aan de regeerende kooplieden. Door het koloniaal bezit, zegt hij, is scheepvaart en koophandel aangewakkerd, maar de fabrieken en manufakturen hebben er geen voordeel bij gehad. "Engelands groote macht (daarentegen) bestond uit zijn handel op Amerika.",,De alles overtreffende bloei hunner manufakturen, waarvan de welverzekerde aftrek het meest tot hare volmaking heeft bijgebracht, strekt tot overtuigende bewijzen."—En, vraagt de schrijver, "heeft die zelfde weg niet voor ons opengestaan?" De Engelschen hebben aan 't wezenlijk oogmerk van koloniën voldaan: nl. hunne fabrieken en manufakturen te bevorderen; en wij, wat hebben wij gedaan, onze koloniën gebracht tot een allerellendigsten en jammerlijksten staat, zonder een eenigen stap te doen, om er onze fabrieken en manufakturen min of meer wat door op te beuren en gaande te houden. En vermits de goedkoop van vreemde fabrieken ons overal, zelfs in onze koloniën, of wat meer is, in de steden daar onze fabrieken in fleur plachten te wezen, de deur sluit, enz." (V, 66 v.v.)
  8. "Handel was in Amsterdam steeds nummer één." (Brugmans, t.a.p. bl. 197).
  9. Amsterdam, 1906; bl. 163.
  10. De Raad van State is door de Staten-Generaal geraadpleegd geworden, in 1637: "over de middelen, om zonder versperring en verkorting van de Navigatie in Commercie en de Middellandsche Zee, te voorkomen dat de schippers en schepen dezer Landen den Koning van Spanje om geld gaan dienen tegen die van Frankrijk [bondgenoot der Republiek]." En in het zelfde jaar: "over het straffen der geene, die den Koning van Spanje in zijn scheepsarmade gediend hebben, of hadden laten dienen, jegens hunne mede-ingezetenen dezer Landen, en voorts hoe men voor het toekomende zouden weren het presteeren van diergelijke diensten door de ingezetenen dezer Landen aan den Koning van Spanje." (Mr. Simon v. Slingelandt, Staatkundige Geschriften, uitg. 1785, III, 49/50).
    "Gedurende de vredesonderhandelingen en lang voor het sluiten van het traktaat werd door eenige Amsterdammers kontrakt gesloten met den Koning van Spanje, over transport van zilver tot betaling van zijn volk in Vlaanderen en Braband. Eenige millioenen werden daarop binnen Amsterdam gebracht, gelost en naar Braband verscheept, onder konditie dat een derde deel hier te Lande in de munt gebracht zoude worden.
    Gelderland en Utrecht soutineerden dat deze waren voor goeden buit verklaard moesten worden en wilden die niet laten passeeren.
    Holland en Zeeland drongen het onbekommerde transport door. Het voordeel bleef bij partikulieren; 't Land profiteerde daarvan niet. Andries Bicker, toenmaals gedeputeerd uit Amsterdam in de Vergadering van Hunne Hoog Mogenden, werd gesuspecteerd part daarin te hebben." Gedenkschriften van Jhr. A. van der Capellen, 1634–54; uitg. 1778; Dl. II, 270/71).
  11. O. van Rees, t.a.p. I, 50/51.
  12. Mr. D., Aloude Vrijheid van Handel enz. 1840, bl. 294.
  13. Gesch. v. h. Nederl. Volk, III, 521.
  14. T.a.p. I, 159.
  15. Hollands Rijkdom, IV, 268.
  16. Hollands Rijkdom, IV, 269.
  17. "De handel in boter en kaas nam met de groote uitbreiding der hollandsche scheepvaart in de 16e eeuw een ongekende vlucht," (Blok t. a. p. II, 496).—Vergel. Van Rees, I, 6, en Fruin, Tien jaren enz., uitg. '89; bl. 186.
  18. Voorbeelden: in ons land het samengaan der socialisten en liberalen tegen klerikalen bij herstemmingen. In Duitschland, somtijds, van de arbeiderspartij met de katholieken voor het algemeen kiesrecht.
  19. Bijzonderheden hierover bij Van Ravesteijn, Onderzoekingen over Amsterdam, enz. Schr. noemt vijf bedrijven, "welke zich van ouds te Amsterdam mede in 't bezit der groote of handelsburgerij bevonden: textielnijverheid, zeepziederij, touwslagerij, olieslagerij en brouwerij." (bl. 163).
  20. "De steden behoorden de rijke burgers steeds in de wapenhandel geoefend te houden, en de armen alléén in oorlogstijd, wanneer zij geen genegenheid en kracht bezitten om oproer te maken." (Gronden en Maximen van Holland, 1669, bl. 378). Volgens dit advies is in het kritieke jaar 1672 te Amsterdam gehandeld, toen de Fransche legers Naarden reeds hadden ingenomen. D. Willink, Amstellandsche Arkadia (1737, II, bl. 292) verhaalt: "Alle de winkeliers, suikerbakkers en andere knechts wierden onder de schutterseed gebragt.... om des noods zijnde mede ter wallen te gaan." Een schrijver bericht in 1753 dat aldaar jaarlijks een inspektie over de geheele stad werd gehouden tot aanvulling van de schutterij. "De meeste nauwe stegen en gangen" werden daarbij overgeslagen "waaruit," zegt hij, "de opzieners der brandspuiten hun volk nemen." (Struyck, Nadere Ontdekkingen enz., bl. 131).
  21. Blok, Geschiedenis van het Nederl. Volk, II, 496. O. van Rees, Geschiedenis der Staathuishoudkunde, I, 165 e.v. Fruin, Tien Jaren, uitg. 1889, bl. 186.
  22. "De bevolking van het platteland werd soms uren ver in den omtrek, in dienst gesteld van de Leidsche drapeniers." (Dr. N.W. Posthumus, Leidsche Lakenindustrie, Den Haag, 1908; I, 274). "Een groot deel van het Hollandsche platteland was bij den aanvang der 16e eeuw aangewezen op den loondienst ten bate van het ontstaande kapitaal in de steden." (Dr. W. v. Ravesteijn Jr., Ekonomische en Sociale Ontwikkeling van Amsterdam, Amst. 1906; bl. 44).
  23. De Beroerten in de Vereenigde Nederlanden, Amsterdam, 1787; II, 46 v.v.
  24. Beroerten in de Vereenigde Nederlanden, enz., 1748, bl. 27 v.v.
  25. Histoire et Doctrines économiques de l'Angleterre, Paris, 1900; I, 1906.
  26. O. van Rees, t.a.p. bl. 140/1.—"In de Geldersche en Overijselsche steden oefenden nog steeds colleges van gemeenslieden, die de burgerij heetten te vertegenwoordigen, eenige contrôle op de regeering van het stedelijk patriciaat". (Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, IV, 87). "Wat onderscheidde de stad Amsterdam van andere steden, zoowel als buitenlandsche? De eenvormigheid van haar poorterij: het totaal ontbreken van een machtigen ambachtsstand, in gilden georganiseerd, het absolute overwegen van de handelsbelangen," enz. (Van gilden georganiseerd, het absolute overwegen van de handelsbelangen," enz. (Van Ravesteijn, t.a.p., bl. 172).
  27. T.a.p. III 353/4.—"Wij zien dus overal de gilden slechts een ondergeschikte rol vervullen. De stedelijke regeering houdt de magt in handen, beslist over de oprichting van nieuwe gilden, stelt hunne reglementen vast en bepaalt in één woord de stelling, die zij in de gemeente hebben in te nemen". (Van Rees, t.a.p., bl. 124).
  28. Dr. W. van Ravesteyn Jr. t.a.p. bl. 165.
  29. Van Rees, t.a.p. bl. 133.—"In de definitieve uitspraak van Karel V betreffende het stapelregt van Dordrecht komt insgelijks een bepaling voor met het doel om te voorkomen dat het uitsluitend regt van het wijnkoopersgilde aan den buitenlandschen handel afbreuk zou doen." (Id., bl. 131). "De ordonnantiën omtrent de dienaren van den handel hebben slechts één kenmerk: zij zijn uitgevaardigd in het belang van de kooplieden, van den handel, als men wil." (Van Ravesteyn, t.a.p., bl. 50).
  30. Consideratien van Staat ofte Politijke Weegschaal, beschreven door V.K., Amsterdam 1662, bl. 288/89.—Volgens O. van Rees is Jan de la Court de samensteller: "Verhandeling over de Gronden en Maximen van Pieter de la Court", 1851, bl. XIII.
  31. "Aanwijzing der heilsame politike Gronden en Maximen voor de Republike Holland en West-Vriesland", Leiden en Rotterdam, 1669. Hierover het genoemde proefschrift van O. van Rees, en zijn "Geschiedenis der Staathuishoudkunde", Dl. I.
  32. "Gronden en Maximen", bl. 76/7. Honderd jaar later de zelfde klacht in het tijdschrift De Koopman, 1770; II, 242:
    "Dooven de besloten gildens door al-te-gerustheid en te zekere winst niet de lust en ijver van hier aanlande kunstige vreemdelingen uit?.... Zij hier geen droog brood ziende te winnen, dan na zooveel jaren voor knegt gewerkt te hebben.... keeren liever naar elders daar zij meer met open armen ontvangen worden. Eigenbelang en zugt tot meesterschap is de oorspronk der besloten gildens en deze weer zijn de oorzaken van het verval der konsten, der fabrieken en der handwerken. En hierdoor moet ons land ten grond".
  33. "Maximen en Gronden", bl. 89.
  34. Idem, bl. 411.
  35. "Politike Discoursen enz., beschreven door D.C.", Amsterdam 1662, bl. 4 v.v.
  36. Jan de la Court geeft in zijn reeds genoemd werk Politike Discoursen (1662) de volgende beknopte samenvatting van primitieve koloniale politiek:—men neemt in beslag eenige belangrijke zeehavens, richt versterkingen daarbij op, om den handel op de rivieren welke er uitloopen te beheerschen. Krachtens die middelen zullen "de inwoners van andere landen voor de inwoners van het moederland moeten arbeiden en onze garnizoenen betalen", (bl. 9/10).
  37. Bakhuizen van den Brink, in zijn studie over den vermaarden koopman Isaäc le Maire (gest. 1624) beschrijft als volgt de positie der vertegenwoordigers van den ouden handel. Zij bezaten, zegt hij, bij uitsluiting alle "kennis van de gelegenheid, van de uitgestrektheid van de behoeften, van de hulpbronnen van landen en volken, van de betrekkingen der laatstgenoemden onderling, hunne wederkeerige genegenheid en afkeer, van de neigingen der onderdanen tot hunne vorsten en van deze tot hen.... van de wetten en regten waardoor de maatschappij werd geregeld, van de losgebroken of nog ingehouden veeten en van de kansen van den oorlog over de geheele wereld, van de financiën der Staten en van de verplichtingen, die deze veelal jegens bankiers en kooplieden hadden op zich geladen.
    Daarbij, de wereldkaart van die dagen vertoonde vele zwarte plekken van ongedeeld, van betwist, van onbekend gebied, maar waarvan de kennis ook voor staatkundige berekeningen van onmisbaar belang bleek.
    Daarbij, geene dagbladen, geene onafhankelijke drukpers.... Wat de geboren Staatsman uit overlevering van kundige voorgangers of uit onvolledige.... boeken moest leeren, dat vernam de koopman op eigen reizen, door eigen ervaring, of van zijne eigen vennooten in alle deelen der wereld. Wat de koeriers naar de kabinetten onveilig en ten halve overbragten, dat fluisterde in alle volledigheid de wind aan de zeilen in en het schip aan den koopman".—De beste berichten omtrent den toestand van ons land b.v., voegt Bakhuizen er bij, zijn wij aan de mededeelingen van kooplieden verschuldigd.—Guicciardini, Gresham, Van Meeteren—zooals ook kooplieden door staatslieden dikwijls met moeilijke diplomatieke zendingen belast werden. (Studiën en Schetsen over Vaderlandsche Geschiedenis en Letterkunde, 's-Gravenhage, 1877; IV, 254/5.)
  38. Thurloe-papers, V, 80/1.
  39. Discription de tout le Pais-Bas etc. par Messire Z. Guicciardini, Anvers, 1568, p. 37.
  40. Traité de l'Economie politique, 1615. ed. 1889, I, 64.
  41. Boussingault, Guide Universelle, 1673; bl. 13.
  42. Dilices de la Hollande, 1669, bl. 19.
  43. The Travellers' Compagnon through the Netherlands, 1754; bl. 130.
  44. Observations etc. 1673; bl. 188.
  45. Citizen of the World, 1761; No. 55.
  46. Memoirs of Edm. Ludlow, 1626–1627, Oxford 1894; II, 377.
  47. Thurloe-papers, I, 565.
  48. Thurloe-papers, V, 662.
  49. Citizen of the World, No. 116.
  50. Cornelis Reiniersz. Pauw; Nijhoff, Bijdragen VI, 6.
  51. Memoriën of Kort Verhaal enz. van den jaere 1603 tot in het jaar 1624, Dl. IV, 190/1.
  52. "....vreemd dat veele personen in Hoog-Duitschland en elders kwalijk nemen de verbindtenis aangezien verscheidene Christen-mogendheden eene dergelijke alliantie hebben gesloten.
    Hebben wij Nederlanders wat meer voordeel of gunstiger kapitulatiën op het stuk van koopmanschap van den Turkschen keizer gekregen, dan deze of gene volken: dat behoorde men ons niet te misgunnen, maar veel meer te kongratuleeren dewijl wij door dezen langdurigen oorlog met den Spanjaard in groote schulden geraakt zijn, en nog dagelijks zware lasten te dragen hebben". (T.a.p., bl. 190/1).
    Om den verboden handel goed te praten, zegt Bakhuizen (t.a.p., bl. 436) bediende men zich van "het volgende sophisme": "de verboden handel brengt, naarmate zij 's Konings landen verarmt, ons groote schatten aan, waaruit wij in staat zijn den oorlog tegen den algemeenen vijand te voeren en de Kerke Gods te schragen."
  53. Gronden en Maximen, bl. 264/5.
  54. Temple, t.a.p., bl. 160/1.
  55. "De Franschen (bezitten) ongemeen weinig eigen schepen en bootsvolk, zulks genoegzaam als hun koophandel wordt gedreven (eenige Engelsche schepen en negotie uitgezonderd) door Hollandsche schepen op Holland, of ten minsten aldaar ontladende. Ja, wat meer is: wanneer van de eene Fransche haven naar de andere eenige waren moeten worden vervoerd, geschiedt het meerendeels met een Hollandsch vaartuig". (Gronden en Maximen, 1669; bl. 284),—"Zulks nu waarachtig is dat in Spanje alle havens genoegzaam met geen andere als Hollandsche schepen worden bevaren, enz." (Id. bl. 287.)
  56. "De schrijver van een Discription of Holland bericht in 1743 dat van de 15 Oost-Indiëvaarders die per maand in Amsterdam binnenkomen, de lading van 10 wederom wordt uitgevoerd—anders als in Engeland, waar de goederen uit Indië binnenslands worden verteerd.—Men moet in 't oog houden, leest men elders, "dat de Hollanders het kleinste deel verbruiken van de ontzaglijke hoeveelheid waren die zij verhandelen, zij voeden de weelde van de volken en verkoopen genietingen welke zij zelden smaken".
  57. Das Kapital, II, 39; ed. 1893.
  58. "....omdat de armen Ingeseetenen altijds van de rijken leeven, ende dependeeren". (Johan de la Court, Politike Discoursen, Amsterdam, 1662; II, 191.)
  59. Marx, Das Kapital III1, bl. 313; 1894.
  60. Gronden en Maximen van de Republiek van Holland en West-Vriesland, 1669, bl. 118/170.
  61. "— —ende onze Negotianten die onze eigen Manifacturen en Visserijen buiten 's Lands verhandelen, begunstigd werden, boven alle anderen die omtrent het maaken ofte het vissen der selven beezig zijn", (t.a.p. bl. 120).
  62. "..... de manufacturen moeten het laatst en het minst belast worden, omdat die het ligtst verhuizen". O. van Rees: Verhandeling over Pieter de la Court, 1851, bl. 87.
  63. T.a.p. bl. 92–93.
  64. T.a.p., bl. 92 en 112.
  65. Politieke Discoursen, II, bl. 189–191.
  66. Consideratiën van Staat, 1661; bl. 110–11.
  67. Treub, Rijks-, Provinciale en Gemeentebelastingen, 1885, bl. 18.
  68. Mr. J.A. Sillem, De politieke en staathuishoudkundige werkzaamheid van Gogel; 1864; bl. 159.
  69. Amsterdam, 1787.
  70. Vergelijk een bericht uit het nieuwsblad De Hollandsche Mercurius van Augustus 1650:
    "Te Kuylenborgh was den 15 dezer een groot oproer van diverse moedwillige personen. Zij begeerden met geweld dat de Magistraat zouden afstellen den Import van een Stuiver op ieder Mud graan, liepen daarop naar 't stadhuis, sloegen aldaar de glazen in en dreigden de Heeren met veel schampere woorden. Maar de Grave van Kuylenborgh, zulks vernemende, toog haastig derwaarts en kwam onbekend op een gewonen vrachtwagen binnen de stad, gevolgd door een groot getal soldaten, onderzocht de zaak en nam de rebelligsten gevangen." Slechts op hooge voorspraak bleef hun straf bij een tepronkstelling. De gezeten burgerij kreeg de keus tusschen het onderhouden op haar kosten van een garnizoen, of wel het geven van waarborgen dat zij zelve de stad zou beveiligen. Men koos het tweede en de vrede werd gevierd met een maaltijd waaraan de heer der stad deelnam te midden van de nieuw-beëedigde schutters.
  71. Nauw verwant hiermee is een praktijk die de Hervormde bureaukratie begunstigde ten koste van de Katholieke bevolking, welke betalen moest voor het recht van godsdienstoefening. Kerkelijke verdraagzaamheid, weet men, was bij ons in eer om de winsten die de handel er door maakte; doch ook de onverdraagzaamheid had haar voordeelige kanten. Eeuwen lang behielden de Protestantsche families alle vette posten, bij uitsluiting van de Roomschen, zelfs in Staats-Brabant hoewel zij er de minderheid vormden.
    "Staats-Brabant werd van uit Den Haag geregeerd door vreemdelingen, die de burgerij beschouwden als eene overwonnen bevolking en rijk werden van het groot getal winstgevende ambten die zij bekleedden, en vooral van de groote voordeelen, welke het rantzoeneeren en beboeten van Roomschen opleverden."
    En zulk "rantzoeneeren" van de Roomschen was vrij algemeen. In de R.K. kerken in Leiden werd viermaal in een jaar gekollekteerd voor "'t vrij-oeffenen van den godsdienst" want jaarlijks moesten, om die vrijheid te kunnen genieten, twaalfhonderd gulden aan den Hoofd-Officier der stad worden betaald, enz." (Dr J. Hartog: De Patriotten en Oranje van 1747 tot 1787; bl. 60).
  72. Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot 1830, 2 dln.; Amsterdam 1868; I, 192. De liberale hoogleeraar heeft in de "misbruiken" der gemeentelijke aristokratie slechts vergrijpen tegen "de middelklassen" gezien; de uitbuiting der geheele lagere bevolking laat hij passeeren.
  73. Amsterdam; 1882; bl. 103.
  74. Het Beroerd Nederland, I, 221 e.v.
  75. Onder "aanspreken" werd verstaan het rondbrengen van uitnoodigingen ter begrafenis. (T.a.p. bl. 221).
  76. Zoo hier bij de plundering van Boreel, burgemeester.... "Men gedoogde echter niet, dat iemand der plunderaren zich door eenigen buit verrijkte. Een van 't gespuis, met een stuk zilver willende doorgaan, werd verhinderd door zijne makkers, die hem zijnen roof ontnamen, en dien in de Heerengracht wierpen". (Beroerd Nederland, I, 232).
  77. Uit de beschrijving van het Aansprekersoproer:— —"in grooten getale streefden ze nu naar de St. Anthoniesbreestraat, naar het huis van den heer De Pinto, in de wandeling de Rijke Jood genoemd.... Elk had den mond vol van de kostelijke huisgeraden, waarmede dit huis gevuld was. Met een onbeschrijfelijke woede vielen ze op dit huis aan, verbrijzelden de venstertraliën, glasroeden en luiken, en rukten voorts naar binnen, daar zij vele kostbaarheden vernielden, uitgezonderd 't geen sommigen ter sluik zochten weg te dragen. Treffend bleek het nu, dat onder dezen plondergeest ook de roofzucht haar rol speelde, vermits de jood De Pinto, tot de keure op het begraven, met raad noch daad de hand geleend had."
    De tegenspraak tusschen den laatsten en voorlaatsten volzin is duidelijk. (t.a.p. bl. 238/9.)
  78. Dr. D.C. Nijhoff, Staatkundige Geschiedenis van Nederland, 1893, dl. II, bl. 180/1: "....den stand der regenten wier knevelarijen (tegen 1747) lang genoeg geduld waren, wier misdadige uitzuiging om wraak riep."—In dezen geest ook De Bosch Kemper, Jorissen, Blok, De Roever.
  79. "De goede werking van het nieuwe beheer kon moeilijk betwijfeld worden. Als door een tooverslag werden de aan slappe bewindvoering gewone ambtenaren gewend aan stiptheid en vlugheid bij het uitvoeren van bevelen.... De nieuwe maires werden genoodzaakt tot het hier te lande bij burgemeesters en baljuwen tot nog toe niet algemeen gebruikelijke opmaken van begrootingen betreffende inkomsten en uitgaven.... En dit stelsel gold zoowel voor Amsterdam, thans derde stad des Rijks, als voor het kleinste dorp, wat aan de eene zijde de oude stadsheeren verbitterde, maar aan de andere uitstekend gewende aan de noodzakelijke eenvormigheid van beheer." (Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, 1907, dl. VII, bl. 240).
    "Het mag niet ontkend worden, dat daar, waar de Keizer of zijne hooge ambtenaren zelven geen bedrog of oplichting pleegden—en hoe dikwijls gebeurde dit!—eene activiteit en vlugheid heerschten, die maar al te dikwijls vroeger in ons vaderland gemist werden. Onkundige of oneerlijke ambtenaren, waar zij niet door 's Keizers wil vrijdom tot rooven hadden erlangd, werden uit de ambtsbedieningen geweerd.... Voor hen die trouw hunne ambten waarnamen, waren eer en rijkdom weggelegd; voor den ambtenaar die zijne bijzondere belangen ten koste zijner betrekking behartigde, was eene strenge bestraffing te wachten. Het is de stem der ondervinding van velen geweest, die den krijgsdienst, de administratie en de rechtelijke loopbaan als beroep lief hadden en het tot eer waren, dat men nergens beter diende dan onder de Fransche regeering". (De Bosch Kemper, Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot 1830; 1868, bl. 356).
  80. Onverbeterlijke Regenten in "Die Haghe", Bijdragen en Mededeelingen, 1908; bl. 16.
  81. Dr. H.E. v. Gelder, t.a.p.
  82. "De omwenteling had hare overtuigde aanhangers nog altijd bij de middelklasse". (Blok, t.a.p. bl. 7).
  83. Dr. H.E. v. Gelder, t.a.p.
  84. "De verpachting maakt de invordering der belasting tot eene onderneming van nijverheid, waarbij het voor den ondernemer te doen is om, hoe dan ook, zooveel mogelijk winst te behalen." (Mr. S. Vissering, Handboek van Praktische Staathuishoudkunde, 1878, II, 132).
  85. "De haat der ingezetenen voor de pachters der belastingen maakte voor dezen eene actieve hulp der gewestelijke en stedelijke overheden van het hoogste gewicht, eene hulp die zelden verleend werd zonder behoorlijke gratificatiën en remissiën aan de hooggeplaatste personen". (J.A. Sillem, De Werkzaamheid van A. Gogel, 1864; bl. 163).
  86. "Geene jaren hebben in de stadsgeschiedenis zulke bloedige sporen nagelaten als de jaren 1696 en 1748.... In 1748 was de beroering van nog ernstiger aard". (De Roever, Uit onze oude Amstelstad, 1893; IV, bl. 29).
  87. Blok, t.a.p.; VI. 84.
  88. Blok, t.a.p.; VI, blz. 84 en 85.
  89. Omgekeerd permitteerde de Amsterdamsche autoriteiten aan eenige uitgeweken ondernemers het gebruik van honderden wees- en andere arme meisjes in hunne naar die stad overgebrachte werkplaatsen.—"Men ziet uit deze bijzonderheden, dat eigenbelang, en wij mogen zeggen, welbegrepen eigenbelang, meer nog dan medelijden voor vervolgde geloofsgenooten zijn deel had in de edelmoedige en liefderijke ontvangst der vluchtelingen." (Berg, De Réfugiés in de Nederlanden, 1845, bl. 167). "Reeds in 1686 werd hun aantal op niet minder dan 75000 begroot." (Blok, t.a.p. V, 386).
  90. Blok, t.a.p. VI, 139.
  91. Beknopte Historie van de Beroertens te Amsterdam, 1758; blz. 2.
  92. T.a.p, II, 181/4.
  93. Van Hardenbroek, Gedenkschriften 1747–1787, I bl. 1/2.
  94. Korte Schets der Tegenwoordige Beroerten, 1748, bl. 32.
  95. Historische Beschrijving enz. van het Misnoegen der Burgeren van Amsterdam, 1748; bl. 9.
  96. T.a.p., bl. 9.
  97. Vaderlandsche Historie, 1759, XX, 487.
  98. Id., t.a.p., bl. 196.
  99. Wagenaar, t.a.p., bl. 235/6.
  100. Wagenaar t.a.p., bl. 228/30.
  101. Idem, bl. 239.
  102. Idem, bl. 235.
  103. Wagenaar, t.a.p., bl. 233/4.
  104. Idem, bl. 233/4.
  105. "Van dit Stadhouderschap, dat blijkbaar niets van zijn roeping begreep, had de oligarchie niets te duchten". (Th. Jorissen: Memoriën van Mr. Diderik van Bleyswijk, 1734–55. Wenken van het Histor. Genootsch., 1887, bl. 27).
  106. Blok, t.a.p., bl. 256.
  107. Van Hardenbroek, Gedenkschriften 1747/87, Utrecht 1901; I, 31.
  108. Van Hardenbroek, t.a.p. I, 14.—"Openlijk werd [te Amsterdam] de Prins beschimpt:—voor den bl.... de Prins is zoo goed als de rest!" (Dr. Krämer, Bijdrage tot de geschiedenis der Omwenteling in 1747/48; Utrecht, 1902; bl. 398).
  109. "Van der Meer [koekebakker te Rotterdam] behoorde tot de ijverige Oranje- mannen onder de kleine burgerij—metselaars, slijters, kaasloopers, timmerlieden, grutters en dergel. neringdoenden—die van den aanvang van den oorlog af de verheffing van den Prins tot Stadhouder poogden te bewerken, hetzij dan uit overtuiging of uit hoop op voordeel". (Dr. Krämer, t.a.p., bl. 388).
  110. Id., bl. 419.
  111. "De rijkdom en pracht van vele Pachters en de knevelarijen van eenigen hadden het volk al voor lang mishaagd en werden in geschriften schamperlijk doorgestreken." (Wagenaar, t.a.p., bl. 196).
  112. Historische Beschrijving of Onzijdig Relaas, enz. Amsterdam 1748, bl. 37.
  113. De Patriotten en Oranje, 1882, bl. 51.
  114. Herinneringen van Strick van Linschoten, Amsterdam, 1857; I, blz. 38.
  115. T.a.p. bl. 225.
  116. "De stedelijke belastingen werden door de regenten aan bijzondere personen verpacht, waardoor de vrijdommen, die men aan regeeringsleden toestond, zoo menigvuldig waren, dat de belastingen het meest op den middenstand drukten". (De Bosch Kemper, Staatkundige Geschiedenis, 1868; bl. 193).
  117. Historische Beschrijving of Onzijdig Relaas enz., 1748, I, 27/30.
  118. Bijdragen tot de Geschiedenis der Belastingen in Nederland, 1864, bl. 328.
  119. Historische Beschrijving enz., 1748, I, 31.
  120. Korte Schets der tegenwoordige Beroerten, 1748; bl. 46/7.
  121. Beroerd Nederland, 1787; II, 177.
  122. Historische Beschrijving enz., 1748; I, 9/10.