Armoede voorheen en thans, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Armoede voorheen en thans van Frank van der Goes
'Armoede voorheen en thans' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Nieuwe Tijd in 1908. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 200 ]
 

ARMOEDE VOORHEEN EN THANS.[1]

 

Eerste Hoofdstuk.

De Voor-Kapitalistische Armoede.

I

 

Het liefst leidt de burgerlijke ekonomie de kapitalistische kategorieën van kapitaal, arbeidsloon, winst, evenals de klassetegenstellingen, die men rijkdom en armoede noemt, direkt af uit de menschelijke natuur. "Ekonomische instellingen," zeide prof. Marshall op de bijeenkomst van staathuishoudkundigen enz. te Londen, bekend gebleven als de "Remuneration Conference" van 1885:

 
"Ekonomische instellingen zijn voortbrengselen van de menschelijke natuur, en kunnen niet veel spoediger veranderd worden dan de menschelijke natuur zelve verandert."
 

Daar deze menschelijke natuur evenwel meer dezelfde blijkt te zijn naarmate zij meer verandert, zullen,

 
"de groote wetten der ekonomische wereld, evenals alle wetten die de samenleving betreffen, dezelfde blijven te midden van al die wijzigingen."
 

Zoo schrijft de internationale weldoener Carnegie ("Empire of Business," 1900, blz. 328), en bevestigt met zijn groote ervaring van deze dingen de duidelijke uitspraak van het Engelsche orgaan der liberale staathuishoudkunde, gegeven in een tijd toen men van overheidswege bezig was door middel van de staatsmacht met bepalingen op den arbeidstijd van vrouwen en kinderen de natuurwetten der ekonomie geweld aan te doen:

 
"De beginselen der staathuishoudkunde—waarschuwde in 1847 "The Economist"—van de natuur afgeleid, betreffen gelijkelijk het geheele menschengeslacht en zijn van toepassing op alle tijden en plaatsen."
 
[ 201 ] Een meer beperkte maar toch nog zeer algemeene geldigheid verkrijgt den bijzonderen en modernen vorm van de voortbrengingswijze welke men de warenproduktie noemt bij sommige andere burgerlijke auteurs, die in hun onschuld, (waaraan echter een luchtje is) zich al het bijzondere van de kapitalistische produktie laten ontgaan.

Omdat alle kapitalisme warenproduktie is, is bij hen het kapitalisme niets dan warenproduktie. Omdat alle arbeiders warenproducenten zijn (van de waar arbeidskracht nl.) zijn de arbeiders als warenproducenten gelijk aan alle anderen. In deze papieren wereld gelijken de arbeiders op niets zoo zeer als op kapitalisten, en hebben omgekeerd de kapitalisten de meeste overeenkomst met arbeiders.

Inderdaad eindigt de Genesis van die wereld met het paradijsverhaal, of zet zich veeleer voort als een paradijsgeschiedenis zonder einde. Van den zondenval, die het Eden van de warenproduktie verstoorde en het kapitalisme over de menschheid bracht, hebben hare beschrijvers niets vernomen.

Nog steeds, meenen zij, staan in onze maatschappij van elkander onafhankelijke producenten, ieder in het bezit van zijn produktiemiddelen, vrijelijk beschikkende over het arbeidsprodukt zijner handen, in ongedwongen ruilverhouding tegenover elkander.... Er is, ja, ongelijkheid van lot, maar is er ook niet ongelijkheid van vermogens en van aanleg? Er is zonder twijfel verschil in belooning, doch evenzeer in toewijding. Indien de arbeid van den een meer oplevert dan die van den ander, heeft men te bedenken dat niet alle arbeid gelijkelijk nuttig is, noch dezelfde inspanning vordert, noch ook in dezelfde mate wordt aangeboden. En zelfs wanneer de vruchten van ieders bijzonderen arbeid wat het bedrag aangaat niet ver uiteen liepen, zou nog een groote ongelijkheid van bezit ontstaan uit de verschillen, de manier [ 202 ] waarop die vruchten worden aangewend. Overleg, spaarzaamheid, huishoudkunde, zijn zeer onregelmatig verdeelde deugden en bekwaamheden. Kortom, in een samenleving waarin de menschen als warenproducenten aan elkaar gelijk zijn, zullen de warenproducenten als menschen wederom van elkaar afwijken. Ongerekend nog de grillen der fortuin, die immers een belangrijke rol spelen in alle menschelijke betrekkingen, is een groot onderscheid in stoffelijke positie, maatschappelijk aanzien en de rest maar al te verklaarbaar.

Verklaarbaar, oordeelt men, zonder dogma's van klassentegenstelling, van uitbuiting en dergelijke. Geluk en ongeluk, deugd en ondeugd, wijsheid en dwaasheid, goed en kwaad, ze zijn de werkelijke en eeuwige tegenstellingen, tusschen welke het menschelijk leven zich bewogen heeft en zal bewegen: gebrek en voorspoed, armoede en rijkdom zijn slechts economische benamingen van de beide uitersten, die men hoogstens kan hopen door een stelsel van gepaste maatregelen te lenigen aan den eenen, te temperen aan den anderen kant. Wat in 't bijzonder de behoeftigheid aangaat, "gelooven wij dat hoedanig ook de maatschappelijke inrichting moge zijn, zij altijd ontsierd zal blijven door misstanden van ellende en armlastigheid. Want om de armoede op te heffen, zou men moeten kunnen uitroeien de ondeugden der menschen, de samenleving bevrijden van alle rampen, ten slotte een einde maken aan ziekte en dood."[2]

 

II

 

Zoolang de vraag of iemand in zijn behoeften zal kunnen voorzien, afhangt van de tweede vraag of het voortbrengsel van zijn arbeid voorzien kan in de behoeften van anderen—en dit, weet men, is de regel in de warenproduceerende maatschappij, die in de leer van de waarde nader wordt bepaald—zoolang zal er alle kans zijn dat iemands behoeften geheel of gedeeltelijk onbevredigd [ 203 ] blijven. Onbevredigd naarmate de kondities, die de waardeleer gebiedt in acht te nemen, door onkunde of onmacht minder goed zijn vervuld.

De eisch, immers, is niet een goed gebruiksartikel te leveren, maar een gebruiksartikel, dat waarde heeft. Op de warenmarkt geldt iedere waar slechts als een evenredig deel van den totalen arbeid op een gegeven moment voor de vervulling eener bepaalde behoefte noodig. En met den besten wil is juist bijna nooit uit te maken, welke de hoeveelheid van dien arbeid, of hoe groot de vraag is naar eenige waar. In den regel blijkt dit eerst op de markt als ieder individueele warenproducent zijn arbeid reeds heeft verricht. Ook de andere faktor die op de hoeveelheid noodigen arbeid van grooten invloed is, de snelheid waarmee de waar op een gegeven tijdstip geproduceerd wordt, is niet van te voren aan iederen producent bekend, wordt hem eerst bekend gemaakt door de prijscouranten van zijn konkurrenten, wanneer het gewoonlijk te laat is.

Het resultaat van een en ander zien wij in het streven van iederen producent om de hoeveelheid arbeid die hij aan een bepaalde warenhoeveelheid besteedt zoo klein mogelijk te maken. Baat het al niet, schaden kan het in geen geval. Behalve natuurlijk de verbruikers, wanneer de al te haastige producent zijn waar in plaats van uit de echte stof, van bestanddeelen vervaardigt die minder tijd kosten, terwijl de verbruiker meent dat hij de echte waar ontvangt en daarvoor betaalt. Als zijn toeleg slaagt om onder den gemiddeld noodigen tijd te arbeiden, dan zal hij een extra-voordeel genieten wijl zijn produkt zal aangemerkt worden als in den noodigen tijd te zijn voortgebracht, en hij dus meer kunnen verkoopen dan anderen tegen denzelfden prijs, of wel evenveel als zij met minder moeite. En zoo ziet men dan ook het streven om in minder dan den op zeker oogenblik noodigen arbeid een bepaalde hoeveelheid goederen te produceeren van af het begin der warenproduktie, maar vooral sedert het begin der kapitalistische warenproduktie, die nu eenmaal toch hare eigenaardigheden heeft, o.a. deze dat de kwestie om [ 204 ] sneller dan anderen te kunnen arbeiden zich nog veel dringender voelen doet. Zoo ziet men meer en meer dit streven van de ondernemers de groote drijfkracht worden van de maatschappelijke ontwikkeling. Echter is er minder zekerheid dan ooit voor den individueelen ondernemer dat zijn toeleg zal gelukken, en aan den anderen kant blijft altijd werkzaam het zeer moeilijk te schatten en onmogelijk te kontroleeren element van de veranderende behoefte of navraag.

We willen zeggen dat in de enkelvoudige warenproduktie, die theoretisch geen en praktisch zoo goed als geen exploitatie van vreemden arbeid en dus geen toe-eigening van vreemd arbeidsprodukt kent, de armoede ver van onmogelijk of onwaarschijnlijk is. Daargelaten nog dat sommige menschen, in die maatschappij geboren, niet door de natuur met de eigenschappen en krachten zijn toegerust onmisbaar om eenig gebruiksvoorwerp hoe ook genaamd te leveren, bestaat voor allen de kans dat hunne waar, nadat de hier aangeduide herleiding van werkelijk besteden tot maatschappelijk noodigen arbeid op de markt heeft plaats gehad, niet genoeg waarde bezit om tegen een voor hun levensonderhoud voldoende hoeveelheid gebruiksartikelen geruild te kunnen worden. Zij zullen materieel dit gevolg hunner afhankelijkheid van maatschappelijke omstandigheden die zij niet slechts niet beheerschen maar ook niet overzien, als een oorzaak gevoelen die hen voortdurend bedreigt met armoede, vaak en onverwacht, ondanks hun beste willen en werken, in armoede neerstort, in ieder geval hen doet leven in voortdurende onzekerheid, wijl de groote, voor hun bestaan beslissende vraag welke waarde hun arbeidsprodukt zal hebben, in het algemeen geen verband houdt met de mate van hun inspanning of bekwaamheid bij den arbeid aangewend.

Evenwel ontvangen zij niets van hetgeen zij behoeven dat niet in ruil voor hun eigen arbeidsprodukt, voortbrengsel hunner bekwaamheid en inspanning, verkregen wordt. Alleen is het bedrag van hetgeen zij aldus verkrijgen wisselvallig, bezwaarlijk vooruit te bepalen, niet [ 205 ] in evenredigheid met het welslagen van het werk dat zij verrichten. Zoo zal eenerzijds het denkbeeld dat de opbrengst van hun arbeid, de menigte goederen in ruil verkregen, de belooning van hun arbeidsijver en de verzoeting van hun arbeidspijn is, steeds levendig worden gehouden. Daarentegen zal het begrip dat dit bedrag, wijl wisselvallig en onevenredig, een belooning is die hun door het wilsbesluit eener ondoorgrondelijke en hoogere macht wordt toegekend of wel onthouden, evenzeer van kracht blijven.

Somtijds zien de warenproducenten hunne moeite boven verwachting en berekening vergoed. De vraag is toegenomen, het aanbod verminderd; andere, bekende of onbekende, gewone of ongewone, hebben meegewerkt om het quantum noodigen arbeid voor de levering van de som der waar overeenkomstig de bestaande behoefte, sterk te vergrooten. Zoo geldt het voortbrengsel van den arbeidstijd dien de producenten van het artikel werkelijk hebben besteed, voor het produkt van een veel grootere hoeveelheid arbeid. Ziedaar hunne inspanning overvloediglijk beloond, het werk hunner handen gezegend, hun een misschien geheel onverdiende genade bewezen. Een mislukte oogst, een verongelukte lading, schade door oorlog, brand of watersnood aan mededingende producenten toegebracht: zelfs rampen aan anderen overkomen kunnen meewerken om de waarde te verhoogen van de goederen in de hand van den gelukkigen bezitter. En hij, boven bidden en denken aldus begunstigd, zal, al ware 't slechts om zekerheid te krijgen in deze onzekerheid en te doen wat in zijn macht staat om een wending in zijn lot te keeren, de hoogere, ondoorgrondelijke machten dank brengen voor de beschikking die hem verrijkte.

Somtijds, echter, gebeurt het omgekeerde. Dan zien de producenten van een zekere waar, de waarde achteruitgaan. Ruime oogsten die de arbeidshoeveelheid aan de waar per stuk besteed ontzaglijk verminderen, kunnen de producenten in het vak ruïneeren. De god die weer en wind bestelt, drijft den spot met hun ellende en gebruikt den overvloed om hen te benadeelen. Of wel moeten pro[ 206 ] ducenten in een vak dat tot dusver met handenarbeid gedreven werd, op éénmaal konkurreeren met het produkt van machines. Anderen, wederom, zien hun artikel uit het gebruik geraken, door nieuwe maaksels verdringen. Zij hebben, de ongelukkigen, zoowel in het eene als in het andere geval, veel arbeid gebruikt die maar voor een gedeelte of zelfs in 't geheel niet als waarde-vormende arbeid in aanmerking komt. Groote hoeveelheden van hun geringwaardig produkt zullen zij voor een kleine hoeveelheid andere waar, voor een lagen prijs moeten afzetten, en, ondanks hun verdubbelde pogingen, gebrek lijden bij een eindeloozen werkdag.

Evenwel, uitgezonderd dit laatste geval, dat de speciale armoede van kleine warenproducenten vertegenwoordigt bij den overgang tot kapitalistische produktie, heeft de periode van de enkelvoudige, voor-kapitalistische warenproduktie de armoede als blijvenden toestand van een grooter of kleiner deel der bevolking geenszins gekend.

 

III

 

Enkelvoudige, voor-kapitalistische warenproduktie is, ten eerste, altijd produktie op kleinen voet geweest. De bloeiperiode van deze maatschappelijke inrichting ligt, zooals men weet, in de Middeleeuwen, toen de vrije warenproducenten, de boeren en handwerkslieden, voor de behoeften werkten van een zeer beperkte markt. Zij misten zoowel de middelen als de gelegenheid om op eenigszins belangrijke schaal vreemden arbeid te exploiteeren, de arbeidsoverschotten, die zij wonnen, bleven klein, waren de vrucht van eigen werk.

In deze omstandigheden mankeerde dus een faktor zoo goed als geheel, die sterke afwijkingen teweeg brengt in de waardegrootte. Vraag en aanbod waren vergelijkenderwijs bekende en ook vaste grootheden. Het gevaar om onnoodigen arbeid te verrichten, zijn goederen waardeloos te zien worden, deed zich niet zeer gevoelen. Men werkte voor een vast getal afnemers, die wederom ieder voor zich als producent in dezelfde weinig veranderlijke [ 207 ] positie verkeerden, wier behoeften en middelen vrij wel konstant bleven. Het scheelde, uit hoofde althans van de geringe wisseling in de verhouding van vraag en aanbod, doorgaans niet veel: de werkelijk bestede en de maatschappelijk noodige arbeid.

Evenmin placht dit veel te schelen uit hoofde van verbeteringen in de produktiewijze. De geringe afzet, behalve door de enge grenzen van het afzet-gebied, nog beperkt door het voortbestaan van een groot deel produktie voor eigen gebruik naast de warenproduktie, beletten het opkomen van een krachtige onderlinge konkurrentie. Arbeid sparende, sneller werkende machines, die de voortbrenging overvloedig maken, krijgen eerst reden van bestaan in een kapitalistische produktie, wanneer reeds op grooten voet wordt voortgebracht, voor een steeds zich uitbreidenden kring van afnemers en de ondernemers elkander de koopers betwisten. Het middel om koopers te winnen is goedkooper verkoopen; het middel daartoe, versnelling van de produktie, vermindering van den noodigen arbeidstijd. De machine is het strijdwapen geweest waarmee eerst de kapitalisten de kleine met eigen kracht werkende producenten hebben verslagen, dat zij daarna tegen elkander hebben gewend. Eenig voordeel en eenige vergrooting der klandizie zal altijd door verbeteringen in de techniek te behalen zijn geweest, maar de machtige drijfveer, bij de werking waarvan enorme kapitalen op het spel staan, moet in de wereld der kleine produktie geheel afwezig zijn geweest. Verarming, dus, als gevolg van een nederlaag in den konkurrentie-strijd, kan niet eerder zijn ingetreden als het kapitaal, buiten de produktie gewonnen, tot verovering van de produktie werd aangewend.

Inderdaad is stabiliteit van maatschappelijke verhoudingen (afgezien van stoornissen van buiten) het kenmerk van de maatschappij der enkelvoudige warenproduktie, gebaseerd op de onveranderlijkheid van de wijze van produktie.

De weinige ambachtslieden, zegt de onderzoeker der Indische dorpsgemeenschap, die zich met warenproduk[ 208 ] tie bezighouden, een smid, een schoenmaker, worden betaald met levensmiddelen in natura, ook wel wordt hun het gebruiksrecht over een stuk grond toegestaan. "Wat zij overigens mogen vragen voor de waren die zij voortbrengen, wordt bepaald naar een vasten maatstaf, waarvan hoogst zelden wordt afgeweken"[3].

Vastheid van prijzen, onveranderlijkheid van waarde—teeken van konstante betrekkingen tusschen de voortbrengers der goederen—hebben de beschrijvers der Middeleeuwen uit velerlei gegevens opgemaakt.

B.v. Inama-Sternegg in zijn "Deutsche Wirthschaftsgeschichte bis zum Schluss des Karolingerperiode", uit de tarieven welke inachtgenomen werden bij de betaling van zekere schattingen, naar verkiezing in geld of in goederen. Die tarieven bevatten taxaties van bepaalde bedragen van graansoorten, wijn, bier, hoenders, landbouwwerktuigen, kleedingstukken, enz.

"Een overzicht, zegt de schrijver, van al deze waarde-schattingen geeft te kennen een buitengewoon groote en blijvende overeenkomst in de waardeering van zoodanige artikelen als naar welgevallen in natura of in geld voldaan zouden worden.
"De waarde van graan b.v. blijft gedurende 120 jaar bijna voortdurend bepaald op 1 "denari" voor den "modius".... Ook het hoen handhaaft zijn prijs meer dan 100 jaar achtereen op 42 denari". Wijnen zijn meer afwisselend geprijsd, hetgeen de schrijver verklaart uit de groote soortverschillen; o.i. terecht, verschillende soorten van een zelfde waar immers zijn ook verschillende waren. Een verder voorbeeld vindt hij in een zeker stuk slachtvee, dat in het jaar 753 in Saksen getaxeerd werd op 4 denari, evenzeer als nog in 889 in Beieren en 893 aan den Middelrijn. "Ook blijft de taxatie gelijk, hetzij tot vaststelling van een geldbedrag voor een heffing of tot betaling van een handelsprijs" (Dl. I, bl. 470–472).
 
[ 209 ] "De waarde-bepalende momenten—besluit de schrijver—moesten derhalve wel zeer gelijksoortig en zeer konstant zijn geweest."
 

IV

 

Welke deze faktoren waren en uit welke omstandigheden het karakter van hunne betrekkelijke onveranderlijkheid te verklaren is, hebben wij hierboven aangeduid.

Tevens, echter, mag niet worden vergeten, dat de voorkapitalistische warenproduktie, ondanks haar stabiliteit, reeds zeer spoedig wordt aangetast door de revolutionnaire krachten die zij zelve voortbrengt en die haar ten slotte doen ondergaan. Niet vreemd, daarom, dat men in de Middeleeuwsche maatschappijen een stelsel van wetgeving en een maatschappelijke organisatie vindt, waarvan de strekking is aan de werking van die krachten weerstand te bieden. Het bewuste doel van velerlei maatregelen was de lieden te beschermen tegen de nadeelen, welke het opkomende kapitalisme teweeg bracht in een samenleving die nog in hoofdtrekken, wat de voortbrenging aangaat, op enkelvoudige warenproduktie berustte. Deze voortbrengingswijze schept wel is waar zelve het kapitalisme, maar de overgang tot het kapitalisme is niettemin een pijnlijk, voor velen verderfelijk, alle bestaande vastheden en grondslagen omwentelend proces. Tegen de eerste vormen der kapitalistische produktie, die nog geen eigenlijke produktie is, maar zich als zoodanig aankondigt en een weg baant door het handels- en het woeker-kapitaal, blijft de Middeleeuwsche maatschappij zich verzetten in een eeuwenlangen strijd.

De ideologische teekenen van dien strijd, de anti-kapitalistische gedachten en gevoelens, zijn evenmin als de materieele maatregelen door de burgerlijke ekonomie begrepen. Er was eenmaal, meent men, in de onwetende middeleeuwen geen juiste kennis van de eischen van industrie en verkeer, en uit dit verkeerde inzicht kwamen ook verkeerde wetten etc. voort. In werkelijkheid bedoelden deze wetten de instellingen en de bevolking te be[ 210 ] waren voor het zeer positieve kwaad waarmee woeker en handel, vervolgens ook de industrie of eigenlijke kapitalistische produktie haar bedreigden.

Wanneer goederen de gedaante aannemen van waren, dan neemt al spoedig eene waar onder hen de gedaante aan van geld. De goederen verliezen hunne algemeene onderlinge ruilbaarheid, blijven nog slechts tegen de geldwaar ruilbaar. Tegelijkertijd breidt de warenproduktie ten koste van die voor eigen gebruik zich uit; kan de bevolking in haar behoeften meer en meer door ruilen alleen voorzien. En aldus wordt het geld, oorspronkelijk een hulpmiddel dat het ruilen bevorderde, meer en meer onmisbaar om een ruil tot stand te brengen en daarmeê onmisbaar om te leven. Genoeg reeds om te doen zien dat geld weldra de ver boven alle andere begeerde waar moest zijn.

De wijsgeeren en moralisten uit den tijd der enkelvoudige warenproduktie—Aristoteles, Thomas van Aquino—[4]onderscheiden een verstandig en geoorloofd gebruik van het geld, en een gebruik dat onredelijk geacht wordt. Het geld, meenen zij, wordt overeenkomstig zijn aard en bestemming aangewend, wanneer het dient als ruilmiddel, ter verkrijging van noodige goederen. Maar er is ook een manier waarbij men zich van geld bedient, niet voor het levensonderhoud, maar om zich te verrijken. Deze kunst van geldmaken stond algemeen in kwaden reuk. Het gebruik van geld tot koop en verkoop zonder meer is slechts een gemakkelijker vorm van ruilen. "Deze soort van ruilen, zegt Aristoteles, behoort niet tot de kunst van geldmaken, en is niet strijdig met de natuur, maar onmisbaar voor de bevrediging der natuurlijke behoeften van den mensch." Het winnen van geld kon niet ongeoorloofd worden geacht in een samenleving die geld behoefde. Er is echter slechts één geoorloofde manier in de samenleving der primitieve warenproduktie. Aristoteles noemt haar "de natuurlijke manier van geldmaken", n.l. door het ontvangen van geld tegen goederen, en het [ 211 ] oogmerk er andere goederen door te verkrijgen. "In deze echte gedaante maakt zij deel uit van het bestuur eener huishouding", zegt hij.

Het verkeerde en onnatuurlijke gebruik, waarbij geld geen middel gebleven, maar doel is geworden, is evenzeer een soort van ruilen. Doch dit is een telkens herhaalde ruil, een koopen en verkoopen zonder eind, niet de daad van warenbezitters die nuttige voorwerpen verlangen, maar het streven van hebzuchtigen die geen grens stellen aan hun gelddorst. Dit, in één woord, is de handel. Het geld op deze wijze aangewend, is kapitaal.

Handel, leert Aristoteles, is uit den gewonen ruil voortgekomen, toen eenmaal het gebruik van geld was uitgevonden—"een meer samengestelde ruil zoo spoedig de menschen bij ervaring hadden geleerd bij welke ruilingen het meeste voordeel kon worden behaald." Geldbejag, op deze wijze mogelijk gemaakt, wordt nu het levensdoel van vele menschen. De krijgsman verkoopt zijn zwaard, de geneesheer zijn kunst. "Sommigen verkeeren ieders vermogen en ieders bekwaamheid in het middel om geld te winnen; dit beschouwen zij als het doel en aan het bevorderen van dit doel maken zij alle dingen ondergeschikt".

"Zoo hebben wij, eindigt Aristoteles, de kunst van geldmaken beschouwd die onnoodig is, en waarom zij door de menschen wordt begeerd. En ook de noodige kunst van geldmaken welke wij zagen dat van de andere verschilt en een natuurlijk onderdeel van de kunst der huishouding uitmaakt, als betrokken bij het verschaffen van levensmiddelen, niet, echter, onbegrensd als de eerste soort, doch aan grenzen onderhevig".

Ten overvloede blijkt uit de nadere beschrijving van het bedrijfsleven welke hanteeringen Aristoteles goedkeurde, en welke hij verwierp. Landbouw en veeteelt en het winnen van delfstoffen, dit, ofschoon het laatste niet boven eenige bedenking is, zijn de bezigheden waarbij het eerlijke gebruik van geld te pas komt. Het afstaan [ 212 ] van arbeidskracht van huur rekent hij uitdrukkelijk tot de ongeoorloofde middelen: evenals woeker en handel.

Het kwaad dat in het gebruik van geld als kapitaal gevonden werd: geld aangewend om geld te maken, is ver van denkbeeldig geweest. Deze oude handel is niet de afzet van waren voor den handel bestemd. Hij is geen onderdeel van het produktiestelsel, als zoodanig aan de produktie ondergeschikt. De meeste benoodigdheden zijn nog voortbrengselen van eigen arbeid, of worden door de verbruikers onderling aan elkaar verhandeld. Tot in de 12e eeuw vond men b.v. in de Engelsche steden bijna geen winkels (Cunningham). De kleinhandel die noodig was gebeurde op markten en kermissen. De tegenstelling van stedelijke en landelijke bedrijven was nog zeer weinig ontwikkeld. "Varkens en koeien werden, naar het schijnt, nog gehouden in het hart van Londen tot in de 13e eeuw"[5]. Eigenlijke handel, kapitalistische handel, werd gedreven in eenige uitheemsche artikelen, meestal voorwerpen van weelde, bestemd voor de aanzienlijken[6]. De handel in dien tijd is de middelaar tusschen verwijderde gemeenschappen met de meest verschillende produktiewijzen, de handelsgoederen krijgen eerst eenigermate het karakter van waren door de tusschenkomst der kooplieden: vertegenwoordigers van een buiten de wereld de half-direkte half voor-kapitalistische produktie staand bedrijf, somtijds van een natie (Phoeniciërs, Hollanders), somtijds van een ras (de Joden).

Het maatschappelijk euvel nu, aan deze vormen van het kapitalisme verbonden, lag in het overwicht eener geldbezittende klasse te midden van een maatschappij, waarin het geld nog schaarsch was en die toch reeds meer en meer van geld zich ging bedienen. Behoefte aan geld ontstond bovendien bij de massa der bevolking toen de feudale heeren de heffingen waarop zij aanspraak konden maken minder in goederen en meer en meer in muntstukken eischten.

[ 213 ] Eerst de kapitalistische produktie heeft de markten verruimd en de verkeersmiddelen geschapen. Het kleine, voor zich zelfstandige, van anderen gescheiden afzetgebied, dat sterke schommelingen in de warenwaarde voorkwam, kan in voorkapitalistische tijden gemakkelijk door geldbezitters worden beheerscht. In zulke gevallen was niet alleen alle stabiliteit in de maatschappelijke verhoudingen eensklaps gewelddadig opgeheven, wijl woekerprijzen de traditioneele, als door gewoonte bepaalde prijzen der waren vervingen, maar kon de bevolking aan een kunstmatigen hongersnood worden overgeleverd.

Ongerekend de uitbuiting van kleinen en grooten, die, eenmaal in handen van geldschieters, schuldenaren voor sommen die zij hadden opgenomen voor niet-produktief verbruik, dikwijls reddeloos verloren deed gaan.

 

V

 

De bijzonderheden van het kwaad waarvoor de maatschappijen der enkelvoudige warenproduktie zich hadden in acht te nemen, leert men kennen in hare litteratuur die zich uitstrekt over een tijdsverloop van meer dan 2000 jaar.

Aristoteles, (384—321 v. Chr.), verhaalt van een wijsgeer die, ten einde twijfelaars te toonen, dat hij de kunst van geldmaken, welke hij versmaadde, niet uit onkunde naliet, de wetenschap, welke hij van den loop der sterren bezat, eenmaal aanwendde, om, wijl zij hem een ruimen oogst van de olijven deden voorzien, alle persen voor die vrucht in een wijden kring op te koopen, en die uit den verkoop toen de tijd van plukken gekomen was, een zeer groote winst trok. Of van een handelaar, die al het ijzer dat de mijnen van Sicilië opleverden voor geld in zijn bezit kreeg en vervolgens den prijs van het ijzer verdubbelde: een handgreep, die de dader met verbanning moest boeten.

Een Fransch geschrift van het jaar 1279, ruim 100 jaar later in het Nederlandsch overgebracht en in 1478 te [ 214 ] Delft uitgegeven[7], onderscheidt zeven manieren van woeker.

De eerste manier is het leenen van geld tegen interest, onedel bedrijf van dezulken "die geld om geld leenen, en nemen baat van hun geld aan geld of waren, boven de hoofdsom welke zij uitleenen: betaalt men hem niet op vastgestelde tijden, dan zal de woeker mede tot de hoofdsom gerekend worden, en aldus voortwoekeren." De tweede manier gaat uit van lieden die met woeker gewonnen sommen van hunne ouders hebben geërfd en ze niet teruggeven; de derde, van personen die zelf zich niet verwaardigen, doch hunne dienaren met het snoode werk belasten. Joden en Lombarden, die er zich op toeleggen, worden vaak door groote heeren beschermd, die zich door hen laten betalen, en hun zooveel patenten en vrijheden geven als zij slechts durven eischen; zoodat die een Jood of Lombard misdoet, den heer zelven te na komt. Een vierde wijze bestaat hierin, dat sommigen penningen opnemen om dezen weer tegen hoogeren interest in leen te geven, of ten bate van anderen woeker drijven.

De vijfde manier van woeker geschiedt met koopmansschappen, door menschen die om het uitstel van betaling dat zij verleenen, hun goederen duurder verkoopen dan zij weten, dat die waard zijn; of wel door anderen die eenige waar verkoopen tegen de volle waarde, doch met de bepaling, dat zij haar binnen het jaar voor een lagere som mogen terug koopen; deze lieden geven ook verschot op het goed van anderen, dat zij in pand nemen, en rekenen de rente niet in afkorting van het geleende bedrag; ja, somtijds wordt tot voorwaarde gesteld dat, bijaldien de inlossing niet op den bepaalden tijd plaats heeft gehad, het goed dan verstaan zal zijn en verloren.

Wederom anderen zondigen door verkoop, door aan behoeftige personen gereed geld te geven, waarvoor dezen hun graan of andere waar moeten leveren op een ander tijdstip, en tot een hooger bedrag.

[ 215 ] Ook ziet men sommigen goederen koopen wanneer ze goedkoop zijn, en bij zich houden tot de prijs hooger is; zoodanigen begeeren de schade van arme lieden, duren tijd en kostbare waren, om hun goed met meer winst te kunnen afzetten. Door het koopen van koren in den zaaitijd, of van wijn als hij bloeit, met het beding dat op het oogenblik van den oogst over het houden van den koop beslist zal worden, wordt eveneens woeker begaan.

De zesde soort van woeker is het maken van afspraak om gezamenlijk te handelen, zoodanig dat men wel op het voordeel recht krijgt, maar niet deelt in het verlies.

Aan de zevende manier van woeker maken zich schuldig de rijke lieden, die hun arme buren nu en dan eenig geld of graan leenen of geven, op zulke voorwaarden dat zij op zekeren tijd daarvoor drie of vier dagen zullen werken, doch zoo, dat zij voor vier penningen aan waren steeds zes penningen moeten leveren.

Handelswinst en rente, ziet men, hoe ook genaamd, doorgaans genoten krachtens een voor de leden der maatschappij schadelijk monopolie, vielen beide onder het vonnis, dat den woeker veroordeelde. Zoolang niet de kapitalistische produktie zich volledig had ontwikkeld, die een waarborg ten bate van de verbruikers in de konkurrentie verschaft, leverden de vormen van handels- en woekerkapitaal een voortdurend gevaar op voor de bevolking, dat alleen door den arm van de overheid kon worden bedwongen. "Er heerschte," zegt een schrijver over de rechtsbegrippen van deze periode[8], "de grootste bezorgdheid voor het duurder worden van de waren, zoodanig dat aan de openbare machten de plicht opgelegd werd althans het duurder worden van de zaken die men als noodig beschouwde, met alle middelen te voorkomen." "Het eenige middel echter, dat daartoe geschikt was, was het dwingend machtsbevel."

 
[ 216 ]
"Niet alleen, zegt dezelfde schrijver, was het opkoopen door speculanten, maar ook iedere andere handeling verboden die ten doel had de markt te beheerschen. Het terughouden van de goederen, alle afspraken en overeenkomsten daarvoor, waren onwettig. Ieder opdrijven van den dusgenaamden waren prijs door zulke maatregelen kwam onder het begrip van monopolie 't welk de kanonieke leer met hare vonnissen trof zooveel zij vermocht.... Zelfs de overeenkomsten van handwerkers, niet enkel die der kooplieden vielen in die termen.... Het maken van monopolie was evenmin als den verkoopers aan de koopers geoorloofd, b.v. wanneer deze laatsten voor de aankomst van een schip gemeenschappelijk overleg wilden plegen ten opzichte van de verwachte lading."
 

Montchrétien, eindelijk, in zijn beroemde "Traicté de l'Economie Politique" van 1615, opgedragen aan den koning Lodewijk XIII en aan de Koningin-Moeder, verlangde in de volgende bewoordingen maatregelen tegen het kapitalisme dat in zijn volle opkomst was:

 
"Uwe Majesteiten, schreef hij, hebben een uitmuntend belang bij het regelen van alle daden van kleine koopmanschap welke in dit koninkrijk plaats hebben, opdat hare onderdanen tot die gemakkelijkheid van bestaan kunnen geraken, welke een wezenlijk deel uitmaken van den rijkdom van den Staat. Hier zal men mij wellicht tegenwerpen dat het onmogelijk is dat dezulken thans even goedkoop worden gegeven als vroeger, tengevolge van de groote hoeveelheden zilver en goud, welke thans uit de mijnen van Amerika naar Europa zijn gebracht, hetwelk de prijzen van alle waren heeft doen stijgen. Ik antwoord kort en goed: dat de innerlijke waarde van de goederen onveranderlijk is, niet de toevallige prijs die van verschillende dingen afhangt en rijzen en dalen kan; dat niets duur is of het is goedkoop geweest, en niets goedkoop, of het kan duur worden". De schrijver gaat voort met te betoogen dat blijkens de ervaring de prijzen de beweging van geld, schaarsch of overvloedig, geenszins altijd volgen.

[ 217 ]

Ten slotte dringt hij aan op het handhaven der bestaande voorschriften, want, meent hij, "het is alleen door een streng toezicht, gelijk Uwe Majesteiten bij machte zijn in dit land te vestigen en levendig te houden, dat de prijzen van goederen en levensmiddelen tot hun vorigen stand kunnen terugkeeren. De helft van het werk in dit opzicht is reeds verricht. Want gij zult hier vinden de schoonste wetten en de meest achtenswaardige bepalingen, evenzeer bewonderd door de vreemdelingen als zij zich verbazen over de gebrekkige toepassing.
Aan Uwe Majesteiten staat het de uitvoering te gelasten met de meeste gestrengheid en nauwkeurigheid tegenover allen die er inbreuk op maken, wie zij mogen zijn, in de eerste plaats bevelende, dat een bende opkoopers, die al het graan in een streek bijeenbrengen en weigeren het volk te voorzien zooals het zou behooren, hierin worde belet, en dat zij die het liever laten bederven en door ongedierte verteeren dan het tegen een redelijken prijs op de markt te brengen, gestraft worden met zware straffen, als hebbende, zooveel het aan hun is, de goedheid en genade van God willen verhinderen die ons regen en dauw en koude en warmte geeft en al het overige op de daarvoor gestelde tijden, opdat de aarde telkenmale overvloedig vruchten levere om aan alle menschen te worden verdeeld wien Hij het leven gunt, overeenkomstig de voorschriften eener rechtvaardige overheid...."[9]
 

Beden en klachten genoeg om te doen zien hoe ver reeds de kapitalistische revolutie gevorderd was, die de vastheid der enkelvoudige warenproduktie verstoorde. Grondslag der meeningen in deze geheele periode is het gevoelen dat in de bekende theorie van den waren of [ 218 ] juisten prijs zijn theoretische uitdrukking heeft gevonden.

Baseerende op het verschijnsel dat de prijzen inderdaad weinig variëerden, een regelmatigheid welke de overheid voor zooveel noodig door haar tusschenkomst te bevestigen en te bewaren had, en zoo goed als geheel, daarom, onafhankelijk van den invloed der bij de meer ontwikkelde, kapitalistische vormen der warenproduktie dikwijls zoo belangrijke (hetzij voor- of nadeelige) herleiding van den konkreeten, werkelijk besteden arbeid tot den maatschappelijken of gemiddeld noodigen arbeid, konden de voor-kapitalistische producenten hunne waarde-theorie samenvatten in het ethische leerstuk dat ieder ding naar zijn waarachtige waarde vergoed behoorde te worden. Een zuiver-ekonomische waardetheorie kon in deze omstandigheden niet opkomen. De genoemde herleiding, die zich als de werking van de waarde-wet doet gevoelen, is pas in het kapitalisme van belang geworden. Eerst toen heeft de waarde-wet groote maatschappelijke beteekenis gekregen en zij is daarom eerst toen wetenschappelijk vastgesteld. De lieden der enkelvoudige warenproduktie hebben zich om een ekonomische waarde-theorie niet bekommerd, wijl zij er noch behoefte aan hadden, noch ook in normale omstandigheden de gelegenheid de werking der waarde-verschijnselen gade te slaan. De opbrengst van de waar, zeiden wij, wijl zij doorgaans aan de verwachting voldeed, scheen de belooning van den arbeid te zijn. Indien de leer van den rechtvaardigen prijs gezegd kan hebben een ekonomischen inhoud te bevatten, moet deze gelegen zijn in den eisch, dat de prijs der goederen den vervaardiger moet schadeloos stellen voor zijn kosten en moeite. Ashley acht het waarschijnlijk dat de leer die men bij sommige schrijvers vindt: n.l. dat ieder voor zich zelf kon bepalen welke de juiste prijs was van zijn waar, door eenvoudig te berekenen wat hij noodig had om behoorlijk te leven in zijn maatschappelijken rang—als een van zelf sprekende zaak door Thomas van Aquino en anderen aanvaard werd.[10]

[ 219 ] Tusschen deze beschouwing, echter, en de theorie die den arbeid als inhoud en maatstaf van waarde aanneemt, is een zeer groote afstand: inderdaad de afstand van enkelvoudige tot kapitalistische warenproduktie. Immers is de arbeid die de waarde bepaalt, de maatschappelijke arbeid, in tegenstelling met den individueelen. Zoolang deze begrippen, om de aangewezen reden, elkaar tamelijk wel dekken, gelijk in normale omstandigheden het geval moet zijn geweest, doet zich het vraagstuk van de Waarde niet voor, dat het kapitalisme heeft gesteld en het socialisme voor goed opgelost. Wij weten thans dat iedere waar het produkt is van konkreten arbeid, maar in het ruilverkeer, als voorwerp van waarde, slechts geldt als een produkt van abstrakten arbeid. De eerste hoeveelheid is technisch meetbaar, de tweede niet. Wij zien haar aanwezig in elke waar, de gelijksoortigheid uitmaken van alle waren, en in bepaalde verhoudingen, ook de gelijkheid. Wij kunnen dus enkel vaststellen dat in zekere kwantiteiten van een willekeurig getal waren, dezelfde waarde-massa, dezelfde hoeveelheid abstrakte arbeid vervat is. Dit is de eenige vastheid die een samenleving van zelfstandige en konkurreerende warenproducenten kan verschaffen, de eenige ook die zij behoeft. Een theorie die meer wilde geven zou de noodzakelijke onvolledigheden en onzekerheden van de realiteit miskennen, en zelve dus onbruikbaar zijn. Wie kan bepalen welke hoeveelheid arbeid noodig is om in de behoefte van deze of gene waar te voldoen? Uit de prijsbeweging van zijn artikel heeft iedere producent op te maken de verandering die techniek en vraag in de hoeveelheid noodigen arbeid onophoudelijk teweeg brengen. Hoewel zijn moeite en kosten, het bedrag van den konkreten arbeid gelijk is gebleven, bespeurt hij uit de wijzigingen die de waarde van het produkt ondergaat, dat het bedrag abstrakte arbeid is veranderd: ten goede of ten kwade. En deze zelfde beweging is het, die het wezen van de warenwaarde heeft doen ontdekken wijl zij heeft leeren onderscheiden den arbeid die de nuttigheid, van den arbeid die de waarde voortbrengt.

[ 220 ] Eenigszins heeft ook tijdens de enkelvoudige warenproduktie deze prijsbeweging, het op- en neergaan van de hoeveelheid waarde voortbrengenden arbeid, zich voorgedaan. Maar bij de kleine verschillen kon eeuwenlang de schijn bewaard blijven dat het wezen der waarde in de zekerheid lag waarmee de eerlijke, nuttige arbeid zijn meester beloonde. En hiermee is verklaard hoe in een samenleving van warenproduktie en privaatbezit der produktiemiddelen, het denkbeeld heerschen kon, dat het doel van die samenleving is de bevrediging van de behoeften harer leden. De werking der waardewet heeft dit aan latere geslachten wel anders geleerd. Het produkt van den individueelen arbeid, hoe uitmuntend ook, kan geheel of gedeeltelijk waardeloos zijn. Theoretisch geldt dit voor alle tijden van de warenproduktie. Praktisch, echter, deed zich het verschijnsel vroeger weinig of niet gevoelen. Armoede van producenten, die niet door natuurlijke oorzaken veroorzaakt werd, kwam in normale tijden niet voor. Alleen moest voortdurend gewaakt worden tegen inmenging door de vijandelijke machten van handel en woeker. Om deze af te weren werd het openbare gezag te hulp geroepen—op den rechtsgrond van den rechtvaardigen en juisten prijs, die althans den arbeider in staat moet stellen van zijn arbeid te leven.

 

Tweede Hoofdstuk.

De Armoede der Konsumenten.

I

 

De enkelvoudige of vóór-kapitalistische warenproduktie, waarin ieder producent met eigen middelen doch zonder toe-eigening van vreemd arbeidsprodukt werkt, sluit de armoede geenszins uit.

Zelfs al wanneer men in staat is een nuttig arbeidsprodukt te leveren voor de warenmarkt, is het volstrekt niet zeker dat de opbrengst voldoende zal zijn om in het levensonderhoud te voorzien van den vervaardiger. Zelfs [ 221 ] al wanneer hij zijn best heeft gedaan om niet meer dan den noodigen arbeid te besteden aan zijn produkt, en goede gronden meende te hebben voor de verwachting, dat, onder die voorzorgen gemaakt, de waarde van het produkt door hem in de gedaante van een genoegzame hoeveelheid levensmiddelen ontvangen zou worden, zelfs dan is er geen zekerheid dat deze verwachting op de markt zal worden verwezenlijkt. Het kan zeer goed zijn dat de faktoren, welke het quantum maatschappelijk noodigen arbeid voor deze bepaalde waar regelen, buiten zijn weten inmiddels veranderd zijn. Of het produktieproces is bekort, of wel de vraag is verminderd: en ziedaar omstandigheden waarvan voor onzen minder fortuinlijken warenproducent het gevolg is dat de door hem aangewende hoeveelheid arbeid meer dan de noodige hoeveelheid bedraagt, en dus slechts gedeeltelijk als noodige of waarde-voortbrengende arbeid in aanmerking komt. En in dat geval zal de kleinere waarde dan te voren verwacht of berekend, den producent een voorraad levensmiddelen inbrengen, te gering voor zijn behoeften.

Armoede, bovendien, zal onder hen ontstaan wanneer eenige leden van deze primitieve samenleving hunne produktiemiddelen verliezen, of wel, hetzij tijdelijk, hetzij voor goed, buiten staat geraken zich er van te bedienen.

Van de eerste oorzaak der voor-kapitalistische armoede hebben wij gezien dat zij in werkelijkheid niet zeer te duchten is. De omstandigheden die de enkelvoudige produktie, niet toevallig vergezelden, brachten teweeg dat de op berekening gegronde verwachtingen omtrent de waarde doorgaans verwezenlijkt werden om de goede reden dat de berekening niet zeer ingewikkeld was en met bekende, vrij wel onveranderlijke elementen (van behoeften en techniek) te doen had. Enkelvoudige warenproduktie is uit den aard van de instelling produktie op kleinen voet: alleen met behulp van vreemde arbeidskracht is de voortbrenging op ruimere schaal mogelijk, die daarmee ook van karakter verandert. Wij kunnen dus besluiten dat de gevaren die de leden der vóór-kapitalistische maatschappij uit dezen hoofde be[ 222 ] dreigden, gering waren. De armoede, als gevolg van zuiver ekonomische oorzaken, de armoede van producenten die hunne waren door den natuurlijken loop van zaken plotseling belangrijk in waarde zien afnemen, die armoede is aan te merken als een theoretische mogelijkheid, welke echter eerst dan een maatschappelijke werkelijkheid wordt, wanneer en naarmate de enkelvoudige voor-kapitalistische warenproduktie verdwijnt.

De tweede of niet zuiver ekonomische oorzaak heeft ongetwijfeld in iedere voor-kapitalistische maatschappij zich min of meer krachtig doen gevoelen. Vrouwen, wier taak in het gezin al spoedig tot de direkte produktie, die voor onmiddellijk gebruik, zich bepaalt, moesten armoe lijden wanneer het hoofd of de waren-produceerende echtgenoot om eenige reden in gebreke bleef; evenzoo de kinderen, nog tot geenerlei arbeid bekwaam. Ouden van dagen, zieken, invalieden, voor zoover hun arbeid geen overschotten had opgeleverd voor dagen dat de arbeid rusten moest, vallen in dezelfde termen.

Niet vreemd, daarom, dat wij van gebruiken en stichtingen met die van moderne liefdadigheid overeenkomende, reeds vernemen in de oudste tijden van vele waren-produceerende maatschappijen: bij de Israëlieten volgens de Mozaïsche wetgeving, in het oude Rome, in Athene, in de Middeleeuwen. Twee stelsels van armenzorg, waarvan de tegenovergestelde beginselen somtijds tot hevigen strijd in de literatuur en ook in de politiek hebben geleid, zijn bij de ontwikkeling der warenproduktie duidelijk te onderscheiden. Het eerste vertoont zijn kommunistischen oorsprong in de theorie dat de armen een recht op onderstand bezitten, en in de praktijk eener overvloedige, aan weinig of geen voorwaarde gebonden bedeeling. Het kommunistische beginsel dat alle leden der gemeenschap aanspraak verleent op een deel van het gemeenschappelijk goed, moest blijven voortleven ten bate dergenen die bij den overgang tot privaatbezit en warenproduktie behoeftig werden.

Het andere stelsel ontstaat zoodra de behoeftigheid de blijvende toestand komt te zijn van een bepaalde [ 223 ] maatschappelijke klasse, van het moderne proletariaat, wiens eenig bestaansmiddel het arbeidsloon is. Alsdan vervalt, indien niet uit de wetgeving dan toch uit de theorie, de erkenning van ieder recht op onderstand, dat de erkenning zou zijn van het recht op eenig ander inkomen dan het arbeidsloon alléén. Elk arbeidsloos inkomen dat het proletariaat geniet, zóó althans dat het zijn geschiktheid of zijn ijver zou kunnen verminderen, strekt ten nadeele van de kapitalistische klasse. Vandaar het beginsel dat zij in iedere hedendaagsche wet op het armwezen heeft doorgevoerd, zoover niet een ander en nog algemeener belang verbood het andere en tegenovergestelde denkbeeld geheel uit het oog te verliezen. Dit is het belang van iedere heerschende klasse, reeds door Aristoteles uitgesproken, waar hij onder de oorzaken van revolutie het onmatig aangroeien van het getal der armen noemde en gebrek den vader van revolutie en misdaad. Een kompromis, derhalve, van klasse-zelfzucht[11] en klasse-vrees[12], dat eenerzijds de armen slechts in het uiterste geval veroorlooft naar een bestaansmiddel te grijpen niet in dienst van het kapitaal gewonnen, dat aan den anderen [ 224 ] kant de buitensporigheden wil voorkomen van ellendigen, wien men iedere bestaansmogelijkheid zou hebben ontzegd: een kompromis van dezen aard vereenigt thans de beide historische systemen van armenzorg. Een derde systeem kan men opmerken in de kritiek van de bestaande armenwetten, die afschaffing van het beginsel eischt dat slechts het allerergste gebrek door de overheid te verhelpen is. Bij alle angst en winstbejag had althans een vorig geslacht van kapitalistische wetgevers de hoop niet verloren dat op den duur de armoede grootendeels verdwijnen zou. Deze verwachting heeft, om goede redenen, een volgend geslacht van geleerden en publicisten opgegeven.[13] En zeer waarschijnlijk zal dit wantrouwen, vermenigvuldigd met vrees voor de toenemende macht der arbeidersklasse, in een mildere wetgeving op de armenzorg zich uiten[14]. De faktor van het klasse-egoisme, dat de arbeiders ieder inkomen buiten het loon misgunt, werkt onverzwakt voort in het streven om zoodanige arbeiders die evenwel eenig ander inkomen zouden behoeven—wegens werkloosheid, ziekte of ouderdom—dit op eigen kosten, en dus tóch uit arbeidsloon, door middel der gedwongen verzekering te verschaffen, gedeeltelijk of geheel.[15]

[ 225 ] Doch met het verschijnsel van een klasse van armen, die de regeerende om redenen van Staat niet geheel aan haar lot vermag over te laten, komen wij reeds over de grenzen der warenproduktie in haar oudere vormen. De behoeftigheid die de eerste filantropische maatregelen noodig maakt, is niet de toestand van een klasse, welke krachtens de inrichting der produktie tot dien toestand onveranderlijk verwezen is. Zij is veeleer het ongeluk van lieden, die door niet-ekonomische oorzaken voor langer of korter tijd buiten de warenproductie geraken en aldus tot gebrek vervallen. Om de genoemde kategorieën van niet-producenten: weduwen en wezen, ouden en zieken te hulp te komen, ontstaan de inrichtingen welke iedere warenproduceerende maatschappij behoeft, wijl het ongeluk dat sommigen aan de produktie onttrekt, beurtelings velen treffen kan.

Stoornissen in de produktie door natuurlijke oorzaken, die alle leden treffen, als de rampen van brand en watervloed, of wel geweld van buiten in den oorlog, benadeelen de geheele samenleving en scheppen geen behoeftige klasse binnen haar palen. Een volk kan tot het uiterste gebrek vervallen door een dezer oorzaken zonder dat zich de klassen-tegenstelling ontwikkelt of de ongelijkheid van maatschappelijke groepen, wier ongelijkheid voortkomt uit hun verschillend aandeel in het produktieproces.

 

II

 

De werkelijke maatschappijen der primitieve warenproduktie voerden een eeuwenlangen verdedigenden oorlog tegen het kapitalisme, dat als handels- en woekerkapitaal al hare vastheden bedreigde, zoowel de stoffelijke instellingen als de denkbeelden. Zonder reden te hebben zich bezig te houden met een nauwkeurige ontleding van het verschijnsel der warenwaarde, schreef men veeleer aan het warenlichaam de natuurlijke eigenschap toe van een prijs te bezitten die de moeite loonde van den maker. Gebeurde bij den ruil en inkoop dit somtijds niet, dan had er een afwijking plaats van den maatschappe[ 226 ] lijken regel. Kwamen zoodanige afwijkingen dikwijls voor, dan was de maatschappelijke grondslag aangetast. Dezen grondslag te behouden, de beperkte markt en de stabiliteit van de techniek in dienst eener produktie op kleine schaal, was het doel van den strijd, die eerst met de invoering van het grootkapitaal eindigde.

Het handelskapitaal heeft de zekerheid waarin de voorkapitalistische maatschappijen zich verheugden, op een voor dien vorm van het kapitaal eigenaardige wijze verstoord. Het produceerde niet zelf, en kon niet rechtstreeks het produktieproces wijzigen. Veranderingen brengen in den faktor die den noodigen tijd bepaalt door middel van de techniek, bleef dus aanvankelijk uitgesloten. Zoodra het handelskapitaal zich ook van de produktie had meester gemaakt, werden deze veranderingen, zooals men weet, met een onverbiddelijke en noodlottige snelheid ingevoerd.

De tweede faktor, echter, die door middel van wisselingen in de verhouding van vraag en aanbod werkt, hadden de vertegenwoordigers van het handelskapitaal des te meer in hun macht. Juist de omstandigheid, dat de markt beperkt was, die in den regel de zekerheid uitmaakte van de producenten zoowel als van de verbruikers, kon veranderen in een oorzaak van verderf. Hoe kleiner het terrein, des te eerder kon het zoo zeer gevreesde monopolie van een vermogend koopman er zich vastzetten. Blijkens de klachten die zich eeuwen achtereen doen hooren en het onophoudelijk inroepen van de wettelijke bescherming, was de moeilijkheid niet zeer groot om in de middeleeuwsche wereld, met haar bijna totaal gemis aan middelen van verkeer en vervoer, op levensmiddelen, grondstoffen en werktuigen beslag te leggen die de bevolking van een zeker gebied behoefde.[16] Benoodigdheden van welke soort ook, eenmaal in handen [ 227 ] van opkoopers en woekeraars, kon bij gebrek aan konkurrentie de monopolieprijs worden gevraagd, ver boven het bedrag door gewoonte en overlevering bepaald die als de juiste prijs werd aangemerkt. In zulke gevallen van kunstmatige en gewelddadige beperking van den beschikbaren voorraad, deed het toenmalige handelskapitaal zich kennen in zijn ware gedaante. Uitbuiting van de verbruikers is zijn bijzonder kenmerk.

Inderdaad is de schade die op deze wijze geleden wordt, hoofdzakelijk de schade der verbruikers. Bescherming van de verbruikers, daarom, is het groote oogmerk van de wettelijke maatregelen geweest[17]. Bescherming van koopers door voorschriften op den handel in goederen, bescherming van debiteuren door bepalingen tegen de rente[18]. De benadeeling der producenten ontstond eerst als een algemeen maatschappelijk euvel, als de armoede eener maatschappelijke klasse, toen het handelskapitaal zich ook van de voortbrenging meester maakte en het geheele produktieproces revolutionneerde.

De noodzakelijkheid om tegenover handels- en woekerkapitaal een verdedigende houding aan te nemen, deed zich in Europa gevoelen sedert de Twaalfde Eeuw. Thomas van Aquino (1225–1274) is de wijsgeer van de middeleeuwsche wereld der enkelvoudige warenproduktie geweest, gelijk Aristoteles van de antieke. In overeenkomstige ekonomische verhoudingen geplaatst, hebben [ 228 ] Heiden en Christen gepleit voor verwante maatschappelijke belangen. Reeds vóór Thomas van Aquino hadden kerkelijke machthebbers zich met deze aangelegenheid bemoeid. Endemann dateert het eerste besliste optreden der kanonieke wetgeving van het jaar 1179, onder paus Alexander III. Op het koncilie van Weenen in 1311 werden eventueele tegenstrijdige bepalingen door wereldlijke rechters voor nietig verklaard. "Daarmeê had de onderdrukking van den woeker[19] de uiterste grens bereikt. Hetgeen aanvankelijk slechts een zaak van zede- en geloofsleer was geweest, gold nu tevens als een voorschrift van burgerlijk recht."[20]

De wereldlijke overheid nam harerzijds gelijke maatregelen. Een Engelsche verbodswet van 1266 beveelt:

 
"dat men in geen stad de vestiging van eenigen opkooper zal gedoogen, zijnde hij iemand die openlijk als verdrukker handelt van de armen, de erkende vijand van de geheele gemeenschap en al het land, iemand, die slechts een vuil gewin zoekt, die den behoeftige geweld aandoet, die den rijke bedriegt, die beslag legt op het graan en de visschen en overige marktwaren, wanneer men ze aanvoert ter zee en ter land, ze wegneemt en ze verkoopt tegen een willekeurig hoogeren prijs. Hij misleidt de vreemde handelaren die hunne goederen brengen, terwijl hij hun aanbiedt deze voor hen van de hand te zetten, zeggende dat hij er meer geld voor kan maken, dan zij verwachten, en zoo door list en bedrog benadeelt hij zijn stad en streek ...."[21]
 

Sedert zijn zoodanige voorschriften overal in Europa waar hetzelfde gevaar dreigde, herhaaldelijk gegeven. In het begin van de 17de eeuw protesteerde de Fransche schrijver, wiens in het vorig hoofdstuk meegedeelde aanklacht met deze 350 jaar oudere karakteristiek letterlijk overeenkomt, tegen de gebrekkige toepassing. Nog in [ 229 ] het jaar 1800 is een vervolging wegens opkooperij voor een Engelsche jury gebracht.[22] De wet die het verbood is niet voor 1844 ingetrokken. Hoe weinig de eerste vertegenwoordigers van het moderne kapitaal zich rekenschap hebben gegeven van het kwaad aangericht door de machten van het geld in haar vorige gedaante, blijkt uit de verklaring van Adam Smith, die de vrees onder het volk voor opkoopers en monopolisten gelijk stelde aan het geloof in hekserij. "De rampzalige vrouwen, zegt hij, beschuldigd van gemeenschap met den duivel, waren niet minder onschuldig aan de rampen die men haar toeschreef, dan de van misbruik betichte kooplieden."

In de Twintigste Eeuw is, zooals men weet, een overeenkomstige vrees teruggekeerd. Wederom zien de konsumenten het kapitaal beslag leggen op de noodigste levensmiddelen: eetwaren, brandstoffen, kleeding en de rest. Het onderscheid is dat de thans geschapen of op deze manier verzwaarde armoe niet door een primitieven vorm van het kapitalisme wordt veroorzaakt, die door het optreden van de kapitalistische produktie of de verschijning van het grootkapitaal in zijn verderfelijke praktijken gestuit wordt. Nu is de onheilbrengende macht het kapitaal in zijn volle en hoogste ontwikkeling. Met het optreden van de kapitalistische produktie is het kommercieel kapitaal op den achtergrond en in een bescheidener positie gekomen, ziet het zich een evenredig aandeel in de meerwaarde toegewezen door het produktieve kapitaal voortgebracht: als het loon van zijn funktie welke dit kapitaal doet circuleeren. De tijd dat het heerschte in de wereld, willekeurig de prijzen bepaalde, monopolies vestigde en bevolkingen cijnsbaar maakte, is voor goed voorbij. Overheidsbemoeiing met het kapitalisme, prijsbepaling en regeling van rentevoet, werd alles overbodig toen het kapitaal zich ging belasten met de voortbrenging, en van de konkurrentie der kapitalen, zoo [ 230 ] niet het oogmerk dan toch de uitkomst was, dat de belangen der verbruikers beter werden gediend dan door eenige regeeringszorg. Maar ten slotte heft wederom de konkurrentie zichzelve op. In de plaats van vele kleine monopolies treedt het reuzenmonopolie. De wereld is ééne markt en op de wereldmarkt heerscht het konkurrentielooze kapitaal der produktie. De ontwikkeling van het kapitalistisch stelsel heeft het oudere en kleinere kwaad teniet gedaan. De voortgaande ontwikkeling van het stelsel brengt een nieuw en oneindig grooter kwaad teweeg. De afkeer van het kapitalisme is niet alleen algemeener en sterker, maar ook gerechtvaardigder dan ooit.

Doch niet alleen vrees en afkeer is gewekt in dezen tijd. De overige armoede, in het algemeen een armoede van niet-producenten, of eene die de menschen als verbruikers trof, was, zeiden we, niet de armoede van een maatschappelijke klasse. En enkel diè ellende werkt als een revolutionnaire kracht, die het lot komt te zijn van een deel der bevolking welker plaats in het produktieproces hen aan ellende bloot stelt. Het zijn niet de armen uit de voor-kapitalistische periode die het toenmalige systeem hebben omgewenteld. Het kapitaal zelf heeft de verlossing gebracht, de nieuwe kapitalisten vervingen aan het hoofd der maatschappij alle oude regeerende gezelschappen, met inbegrip van de kooplieden wier plaats zij overnamen. De armen van dien tijd vormden veeleer een reaktionnaire menigte, welke, afgezien van oproeren en aanslagen tegen bijzonder meedoogenlooze woekeraars, hoogstens bescherming kon vragen van eenige regeering. De grieven van konsumenten, van personen over zeer verschillende klassen verdeeld, kunnen kritiek, twijfel en onrust voeden, kunnen een revolutie aankondigen maar haar niet teweeg brengen. Slechts de revolutionnaire klasse vindt behalve grieven en nooden die zij gemeen heeft, in haar positie als klasse de noodige solidariteit van handelen en ook het gemeenschappelijke doel. Alleen de moderne ellende, dus, die de ellende is van het kapitalistisch proletariaat, niet slechts van een produceerende groep, [ 231 ] maar van een groep waarin ten slotte alle produktieve funkties zijn vereenigd—want de kapitalisten zijn weer tot hun oude funktie van monopolisten en woekeraars teruggekeerd die zij vervullen met een onvergelijkelijk grooter vermogen—de moderne ellende alleen heeft een revolutionnaire strekking. Afkeer en vrees gaan thans gepaard met het inzicht en den wil, met de kracht ook meer en meer, die revolutie voorbereidt en uitvoert.

Welke de revolutionnaire beweging ook geweest ware die de enkelvoudige warenproduktie heeft verstoord, zij kan geen ander oogmerk hebben gehad dan de volmaking van het stelsel of de invoering en ontwikkeling van het kapitalisme. Nu is het niet doenlijk op dien weg verder te gaan. Buiten of achter het monopolie van produktie ligt, is eenmaal het monopolie gevestigd, geen andere vorm van kapitalisme meer. Zijn verderfbrengende kracht is juist in de ekonomische en technische kompleetheid gelegen. Welke derhalve ook de revolutionnaire beweging van dezen tijd moge wezen, haar eenig doel moet zijn de afschaffing van het stelsel. Het vroegere en geringere euvel is bedwongen geworden naarmate het kapitalisme vorderde. Nu zal het kapitalisme zelf bedwongen moeten worden, wil men de hedendaagsche armoede wegnemen. De zekerheid dat dit gebeuren zal ligt in het feit dat zij die armoe lijden, tevens de revolutionnaire klasse vormen.

 

III

 

De verplichte armenzorg dateert in Engeland van het jaar 1562; "definitief en volledig vastgesteld als een voornaam bestanddeel der staathuishouding" werd het armenwezen door de beroemde wet van koningin Elizabeth in 1601. Deze wet, niet voor het jaar 1834 in streng kapitalistischen geest herzien, was een uitbreiding en bevestiging van een stelsel reeds in het begin der 16e eeuw hoofdzakelijk aangenomen. Ondersteuning uit de openbare kassen (te betalen door de bezitters en gebruikers van grond) wordt volgens dit stelsel toegekend aan allen die buiten staat zijn voor hun onderhoud te werken, [ 232 ] bovendien worden zij die geen bedrijf uitoefenen of geen werk hebben, op kosten van de armenfondsen van werk voorzien. Onwilligen van deze laatste kategorie waren strafbaar met gevangenis[23].

Zonder hier reeds uitvoerig te willen spreken over de moderne of kapitalistische armoede, de armoede van een maatschappelijke klasse, doen wij opmerken dat haar invloed zich in deze 16e eeuwsche armenzorg duidelijk doet gevoelen. Het beginsel dat invalieden bescherming belooft, het eigenlijke voor-kapitalistische beginsel, dat zoo oud is als de armenzorg zelf, dat onmiddellijk uit de gegevens van de wapenproduktie voortkomt, moet ook in het kapitalisme gehandhaafd blijven. Het ondergaat de belangrijke verandering waarover wij hebben gesproken, en die hierin bestaat dat het belang van de rijken, niet dat van de armen, het beslissende motief is. Doch bij dit oude komt thans in de wetgeving het nieuwe beginsel, dat voor valiede armen werkverschaffing beveelt.

Niet dat valiede armen vóór dezen tijd door de wetgeving ongenoemd of ongemoeid waren gelaten. Doch dit was doorgaans geen slag van lieden in wier omstandigheden de bepaling der wet van 1601 volkomen doelmatig zou zijn geweest, welke het aanschaffen gelastte van "een voldoenden voorraad vlas, hennep, wol, garen, ijzer en andere benoodigdheden om de armen te werk te stellen. Geeselen, brandmerken, bij herhaling in handen der politie vallenden zelfs de galg, waren de middelen waarmee een vroeger geslacht van armverzorgers de vagebonden en bedelaars behandelde die in gewone tijden het land onveilig maakten, en somtijds een waren oorlog voerden tegen de geordende samenleving. Welke hunne herkomst mag zijn geweest, deze valiede armen kwamen blijkbaar niet uit eenige werkplaats; noch uit die van een kapitalistisch ondernemer die tijdelijk geen bezigheid voor hen had, noch uit hun eigen werkplaats, waarin zij door kapitalistische konkurrentie geen brood meer konden verdienen. De nieuwe wet, daarentegen, het Engel[ 233 ] sche systeem van de 17e eeuw, poogde in de behoeften der nieuwe armen te voorzien, de armoede van arbeiders. Niet de werkverschaffing als politiemaatregel of straf, die men als zoodanig reeds vroeger had gekend, maar de produktieve arbeid werd ingesteld, het middel om de bruikbare arbeiders zelf aan hun onderhoud te doen bijdragen.

Aan de denkbeelden over armenverzorging leert men dat wezen van de armoede kennen. Voortaan onderscheiden de schrijvers, die zich in den regel langer ophouden bij de voorwaarden, waaronder de bezitters verplicht werden te geven, dan bij de omstandigheden van hen wier nood tot vragen dwong, de beide historische vormen van arbeid: de vóórkapitalistische of de kapitalistische; het gebrek dat de niet-werkende leden der maatschappij bedreigt, of de ellende die het verderf is van de eigenlijke arbeidende klasse; het gevolg van buitengewone rampen welke de geheele bevolking treffen en dat in betere dagen wordt hersteld, of het gestadige lijden van de grootere helft der bevolking ten bate van de kleinere.

In zijn "Beginselen der Staathuishoudkunde", tusschen 1825 en 1885 zeven maal gedrukt, vat de Engelsche auteur M'Culloch de kenmerken der beide groepen van armen als volgt samen:

 
"De armen en behoeftigen, zegt hij, kunnen in twee groote klassen verdeeld worden. Tot de eerste behooren gebrekkige en zwakke lieden, en dezulken die door natuurlijke oorzaken of tengevolge van ongevallen onbekwaam zijn tot den arbeid. Tot de tweede zij die, hoewel geschikt en willig om te werken, geen werk kunnen vinden, of niet genoeg verdienen om met hun gezin te bestaan.
Er is, gaat de schrijver voort, een groot verschil tusschen deze klassen: en de ondersteuning die de eene tot nut vermag te strekken, kan, in verscheidene opzichten, niet overeenkomen met de omstandigheden van de andere."[24]
 
[ 234 ] Volgens M'Culloch is verschil van meening alleen denkbaar ten opzichte van de aanspraken die de werklooze of slecht betaalde arbeiders, kunnen laten gelden. De anderen hebben een natuurlijk recht op ondersteuning. Het mag tot op zekere hoogte waar zijn, dat het vooruitzicht in kranke of oude dagen niet volkomen broodeloos te zullen worden, tot verspilling en onverschilligheid in de jaren van kracht kan leiden, maar reeds het belang bij "zekerheid van eigendom en leven" eischt dat allen geholpen worden die eenmaal niet instaat zijn zich zelve te helpen. Evenzeer echter, is het noodzakelijk de valiede armen te ondersteunen. Want een noodzakelijkheid is wat het welzijn van de heerschende klasse bevorderen kan. Van dit standpunt is er weinig of geen verschil tusschen invaliede of valiede armen. Wanneer deze laatsten zoo talrijk zijn als in dit land het geval is, moet onvermijdelijk eenige regeling worden getroffen, waarvan zij in tijden van tegenspoed kunnen bestaan. In andere landen mag dit minder noodig zijn, waar het verschijnsel der kapitalistische ellende zich vergelijkenderwijs weinig voordoet, gelijk in de landbouwende staten Oostenrijk, Pruisen of Rusland:
 
"Doch zelden ontbreekt het in zijn minst twijfelbare en hevigste gedaante waar fabriekswezen en handel vergevorderd zijn: een verplichte voorzorg ten bate van hulpbehoevende arbeiders moet zeer zeker beschouwd worden als een onmisbaar bestanddeel van de openbare huishouding." (t.a.p. blz. 447.)
 

Dezelfde tegenstelling is opgemerkt geworden door den oudsten geschiedschrijver der armoede, den vrederechter Ruggles. Er zijn te allen tijde menschen geweest die gebrek leden, zegt hij. Maar zijn boek, verschenen 1793, houdt zich bezig met de lotgevallen van de nieuwe maatschappelijke klasse der armen, wier ellende niet het gevolg is van eenigen algemeenen en buitengewonen tegenspoed.

 
[ 235 ]
"Het blad der geschiedenis, schrijft Ruggles, openbaart ons deze droeve waarheid dat in alle eeuwen het geluk van millioenen afhankelijk is geweest van enkelen, en vaak behoorden dezen tot de meest laaghartigen en boosaardigen van de menschheid; millioenen en nogmaals millioenen zijn gevallen door het zwaard, door ziekte en hongersnood, ten verderve gevoerd door ellendelingen, de schande van ons geslacht.
Doch ons onderzoek heeft niets te doen met de rampzalige gevolgen van dweepzucht, heerschzucht, of staatkundige omwenteling; wij willen het gebied niet verlaten van vrede en overvloed: ons doel is rekenschap te geven van de oorzaak waarom onze loonarbeiders zoo zeer gebrek lijden ...."[25]
 

Deze armen, gaat de schrijver voort, zijn te onderscheiden van de bewoners van onbeschaafde landen die weinig of niets bezitten, maar ook geen behoeften kennen. "De morsige inboorlingen van Vuurland, schijnbaar ontbloot van alles wat het leven dragelijk maakt, genieten ongetwijfeld juist zooveel als zij in staat zijn te genieten." Doch dit vermogen neemt toe naarmate de beschaving doordringt. "In dit land is thans de zucht om de genoegens des levens te smaken gelijkelijk aanwezig bij de geringsten en de grootsten." Daarom, besluit Ruggles, behoorden de genoegens die met hun staat in de maatschappij overeenkomen, niet zoover buiten het bereik van sommigen te vallen, dat zij alleen door inbreuk op de wetten verkrijgbaar zijn.

Wij ontleenen aan een hoofdstuk van Rogers, geschiedschrijver van het Loonstelsel in Engeland, eenige plaatsen die niet alleen het verschillend wezen van de kapitalistische en de voor-kapitalistische armoede betreffen, maar ook het verschil in graad.

Het menschelijk leven, oordeelt Rogers, had voor een zestal eeuwen in Engeland met grooter moeilijkheden te kampen dan thans. Maar die moeilijkheden waren ook algemeener. "Het leven was korter, de oude dag kwam [ 236 ] eerder, ziekten waren doodelijker, de gevaren van het bestaan talrijker. Het geslacht bleef kleiner van lichaamsbouw, zwakker, achterlijker in ontwikkeling." "Doch krachtens de algemeenheid van dezen toestand, waren de uitersten van armoede en rijkdom minder van elkander verwijderd."

In zeer slechte tijden stierven velen van gebrek, b.v. gedurende de groote hongersnooden van 1315 en 1316. toen alleen de zeer vermogenden geen letsel zullen hebben geleden. In gewone tijden was het gehalte van het voedsel uitmuntend; tarwebrood, stevig bier en overvloed van vleesch vielen onder bereik van veel meer menschen dan nu. En bij alle rampen welke de samenleving in haar geheel dikwijls plachten te bezoeken, is de klasse-armoe van het arbeidende proletariaat toch eerst een verschijnsel van later. Volgens Rogers is dit de nijpendste en wanhopigste armoede.

 
"De pijnigende, hopelooze armoede, schrijft hij, bij welke het bestaan juist nog mogelijk is, maar niets boven het noodzakelijke onderhoud wordt gewonnen, was naar mijn overtuiging geenszins een kenmerk van het middeleeuwsche leven, ja, was er zelfs vreemd aan.
Ik kan aannemen dat de menschen van gebrek omkwamen, maar niet dat zij bij voortduring verkeerden in een toestand tusschen leven en sterven. ..."[26]
 

Ook onze Nederlandsche geschiedschrijver De Bosch Kemper is getroffen geworden door het verschil tusschen de behoeftigheid van een bepaalde maatschappelijke klasse, en de algemeene nooden eener achterlijke maatschappij. Hij onderscheidt een "extensieve" en een "intensieve" armoede. In vroegere tijden heerschte de extensieve armoe, zij was "algemeen van omvang". Het getal rijken was gering; "en de hongersnood, wanneer hij woedde, telde overal zijn slachtoffers." "In latere tijden, daarentegen, was de armoede minder algemeen, maar bij [ 237 ] dezelfde individuen, meer voortdurend." Nog in het begin der 17e eeuw vindt men in Holland, volgens De Bosch Kemper, geen talrijk proletariaat, geen klasse die als zoodanig arm is. "De schamele gemeente, zegt hij, was minder samengesteld uit een bepaalde klasse van armen, wier ouders en grootouders reeds arm waren geweest, dan uit menschen, die uit gebrek aan voorzorgen door de afwisseling der fortuin in armoede gedompeld waren."[27]

De slotsom tot welke twee burgerlijke auteurs zijn gekomen, ieder voor het gebied waarover hun onderzoek loopt, is dat de toestand dezer "klasse van armen" tegen het einde van de 19e eeuw niet onbelangrijk slechter moet worden geacht dan die van de loonarbeiders in vroeg- of in vóórkapitalistische tijden. Men bedoelt natuurlijk geenszins te ontkennen, dat sedert dien wat Rogers noemt "de moeilijkheden van het bestaan" aanzienlijk zijn verminderd. Met de oneindig overvloediger produktie is de ontwikkeling van wetenschap en techniek iedere bevolking en ook iedere klasse van de bevolking ten goede gekomen. Doch dit aandeel van het proletariaat in den algemeenen maatschappelijken vooruitgang weegt niet op tegen het feit, dat in den tegenwoordigen tijd het arbeidsloon de beschikking geeft over een kleinere hoeveelheid van het arbeidsprodukt dan te voren. En hiermeê is van de vele bestanddeelen en vormen der kapitalistische ellende slechts een enkele genoemd.

Rogers, een der beide schrijvers, noemt een ander bestanddeel: de verlenging van den arbeidsduur. "De werkman die nu strijdt voor een acht-urigen werkdag in de bouwvakken, zegt hij, doet niet anders dan opeischen wat zijn voorganger bezat vier of vijf eeuwen geleden."[28] Tegen het eind van de 16e eeuw werd de werkdag in Engeland bij de wet op twaalf uur bepaald; behalve door de wettelijke pauze voor verschillende maaltijden van twee en een half uur, werd de werkelijke arbeidsduur door eigenmachtige afwijkingen nog telkens verkort— [ 238 ] dit laatste blijkens herhaalde herinneringen van overheidswege aan de gestelde boeten.

Wat den stoffelijken toestand in het algemeen betreft, heeft volgens het oordeel van Rogers de arbeidersklasse den tijd van "overvloed en veiligheid" die voor haar tot het midden van de 16e eeuw aanhield, niet zien terugkeeren. Dit tijdstip valt samen, zooals men weet, met het begin der manufaktuurperiode, eersten vorm van kapitalistische produktie.[29] Honderd jaar later begon het peil eenigszins te rijzen tot ongeveer de helft van de 18e eeuw, ofschoon nog ver blijvende onder dat van de 14e. "Vervolgens trad wederom een daling in"—met de opkomst van het moderne kapitalisme en de grootindustrie—"en tijdens de Napoleontische oorlogen leden de arbeiders het ergste gebrek." Daarna kwam een langzame en gedeeltelijke verbetering—"hoofdzakelijk te danken aan de toekenning van het zoo lang onthouden recht tot het stichten van vakvereenigingen."[30] Vraagt men naar het resultaat van deze beweging sedert de eerste ontwikkeling van het kapitalisme, dan antwoordt de liberale geschiedschrijver: "De werkman van heden is betrekkelijk minder welgesteld dan hij was in de jaren van 1400 tot 1500."[31]

Rogers toont met eenige cijfers het nadeelige verschil in de verhouding van prijzen van levensmiddelen en arbeidsloon. Zelfs de best betaalde ambachtslieden van Londen, sterk in vakvereenigingen georganiseerd, ontvangen vergelijkenderwijs minder in het laatste kwart der 19e eeuw dan wat aan metselaars enz., zonder eenige machtsontwikkeling, werd betaald omstreeks 1450 in een landstadje. Daarbij is ondersteld dat de tegenwoordige loonen het geheele jaar door worden ontvangen, of althans dat de verzuimde dagen niet meer bedragen dan de 18 per jaar, die de arbeider van de 15e eeuw volgens kerkelijke voorschriften moest missen. Een nog belangrijker verschil tusschen toen en nu valt op te merken in [ 239 ] de lagere loonen. Boerenarbeiders krijgen thans vergelijkenderwijs niet meer dan een derde van de vroegere som, wederom afgezien van de veel grootere onregelmatigheid en onvastheid van het werk.

De hoogleeraar Blok komt in eenige vergelijkende opmerkingen tot een zelfde resultaat voor de arbeiders in Holland, speciaal voor die in de stad Leiden, wier algemeenen toestand hij in zijn bekende geschriften over de 15e en 16e eeuw heeft onderzocht. Hoewel de schrijver niet onderscheidt tusschen de ekonomische kenmerken van het proletariaat in het moderne kapitalistische stelsel, en de werklieden der manufaktuur of de gezellen van het handwerk in het door hem behandelde tijdvak, kan men ook uit de door hem verstrekte gegevens met voldoende zekerheid besluiten tot de afwezigheid van de armoede die het kapitalisme teweeg brengt.

Die behoeftigheid, toenemende met de produktiviteit van den arbeid, zoowel voelbaar in een chronisch gebrek aan werk als in min of meer plotselinge uitstooting van groote getallen arbeiders tegelijk, viel in de tijden welke aan de hedendaagsche industrie vooraf gingen, niet te bespeuren. Zoover ook toen reeds de onmiddellijke oorzaak van ellende bij hen die niets bezitten dan de opbrengst van hun arbeidskracht, de werkloosheid was, was deze werkloosheid veeleer een gevolg van buitengewone, niet-ekonomische omstandigheden. Gevolg van omstandigheden, die, hoe veelvuldig en regelmatig hun optreden geweest mag zijn, steeds als stoornissen van den normalen gang van zaken waren aan te merken, niet als verschijnselen die tot het wezen behoorden van het maatschappelijk stelsel. Bovendien, zoover kapitalistische invloeden hierbij zich deden gelden, is het duidelijk dat die invloeden—de reeds eenige malen genoemde overmacht van het handelskapitaal in een wereld die nog weinig of geen kapitalistische industrie kende en slechts zeer beperkte markten bezat—door de ontwikkeling van de moderne produktie zullen worden overwonnen. Niet de volmaking, maar de gebrekkigheid van het kapitalisme is alsdan de oorzaak die kwaad sticht.

[ 240 ] "Eenvoudig maar niet armoedig," noemt Dr. Blok de "leefwijze der bewoners" in het Leiden der 14e en 15e eeuw. "In gewone tijden had de werkman ook in de 15e en 16e eeuw niet te klagen." Doch deze "gunstige verhoudingen" werden somtijds eensklaps gewijzigd—"tengevolge van plotselingen stilstand in den aanvoer van het koren, het gewone voedingsmiddel, bij een oorlog met de Oostzeelanden."

 
"Dan—lezen we—keerde de toestand in een oogenblik om; nijverheid en handel stonden stil, duizenden leden broodsgebrek, ontevredenheid en oproer lieten luid hunne stem hooren; algemeene ellende stond voor de deur, en duurde het gebrek lang, dan bleef de pest niet uit, tengevolge van de slechte voeding. En de pest, een algemeene naam voor besmettelijke ziekte, maakte toen vele slachtoffers."
 

Onophoudelijke oorlog—zelf een onvermijdelijk euvel in een wereld bestaande uit een oneindig groot aantal ekonomische eenheden—verergerde een ander bezwaar van de achterlijke maatschappelijke inrichting. Immers "had de handel nog niet zulk een uitgebreidheid verkregen, dat men van elders nieuwen voorraad kon halen, wanneer de Noordsche havens plotseling voor ons gesloten werden of oorlog het uitvaren der korenschepen belette." Evenmin kon men zich voorzien op andere markten, wanneer "misgewas aan de Oostzee den aanvoer van genoeg koren verhinderde".

Hier staat tegenover dat een tekort op deze wijze ontstaan, even spoedig kan worden aangevuld en de armoede weer snel worden vergeten. De slechte tijden, hoe nijpend voor het oogenblik, duurden niet lang, nog minder lieten zij onherstelbare gevolgen na. Een krisis die voortdurend dreigt, en die intreedt wanneer de altijd geringe koopkracht van een groote klasse door de periodieke onverkoopbaarheid van de arbeidskracht zoo goed als geheel teniet gaat, een zoodanige krisis kenden de vroeg-kapitalistische dagen niet. Tegen de buitengewone rampen wapenden zich de regeeringen met buitengewone maat[ 241 ] regelen. Meer dan ooit hield men de kooplieden in het oog, die het goed recht van het kapitaal, om winst te maken uit den nood der bevolking, in zulke tijden met dubbelen ijver voorstonden. "Men schreef," zegt prof. Blok o.a. "de rijzing der prijzen toe aan spekulatie der kooplieden bij den weinigen aanvoer." Alle handel in graan, behalve levering aan bakkers voor hun bedrijf, placht strikt verboden te worden.

 
"Men moet dus ook, besluit de schrijver, de gevolgen van zulk een duurte niet te hoog aanslaan: de ellende was spoedig geleden; zij verdween zooals zij kwam."
 

Ziehier, ten slotte, zijne vergelijking van toen en nu. De toestanden voor den werkman waren in den regel allesbehalve gunstig. Dit geldt zoowel voor de 15e en 16e als voor de 14e eeuw: "buiten zijn schuld was hij ieder oogenblik aan gebrek blootgesteld, tengevolge van de wisseling der graanprijzen." En toch, hoewel de grondslag waarop de betrekkelijke welvaart berustte, ieder oogenblik door de rampen van krijg of misgewas kon worden aangetast, toch, schrijft Blok, "komen we tot het besluit dat in dagen van volkomen rust en vrede de toestand van den toenmaligen werkman beter geacht kan worden dan die van den tegenwoordigen."[32]

De heer Blok had in zijn vorig werk, loopende over de 15e eeuw, niet anders geoordeeld. Prijzen van levensmiddelen en arbeidsloonen naast elkander plaatsende, was hem gebleken "dat de toestand van den werkman in de 15e eeuw nog beter was dan in den tegenwoordigen tijd."[33] De schrijver doet opmerken dat de arbeider thans eenig aandeel heeft in de grootere beschaving, dat hij "veel weelderiger leeft". Maar wij vreezen dat de behoefte aan weelde en aan de genietingen der beschaving eerder de armoede zal vergrooten, als het waar is dat de middelen van den arbeider thans minder ver reiken dan vroeger.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Nieuwe Tijd (1908).
  2. Emile Chevalier, art. "Paupérisme" in Nouveau Dictionnaire d'Economie politique 1900 II, 455.
  3. Citaat van Sir Henry Maine in Walter Bagehot, Postulates etc. 1894, bl. 46–7.
  4. The Politics of Aristotle, translated into English by B. Jowett, 1885, 2 vol.
  5. Ashley, Histoire et Doctrines économiques de l'Angleterre, 1, 90. Vergel. Janssen, "Die Allgemeinen Zustände des Deutschen Volkes beim Ausgang des Mittelalters", ed. 1897, bl. 352 e.v.
  6. Ashley, t.a.p., bl. 91.
  7. Nederlandsch Proza van de 13e tot de 18e eeuw, 1e Stuk, 1851; bl. 158 e.v.
  8. Endemann "Studien in der Romanisch-Kanonistischen Wirtschafts- u. Rechtslehre", 1874.
  9. "Traicté de l'Économie politique" par Antoyne de Montchrétien, Avec Introduction et Notes par Th. Funck Brentano, Parijs, 1889, bl. 256 e.v.
  10. "Dictionnary of Political Economy", II, blz. 500/1. Artikel: Justum Pretium.
  11. "Armenverzorging door den Staat.... kan.... zelfs tot vermindering van het pauperisme strekken wanneer zij aan zulke bezwarende voorwaarden verbonden wordt, dat ook een karig loon als vrije arbeider verkieslijk is boven onderhoud van staatswege." (O. v. Rees, Overzicht der Staathuishoudkunde, 1851; bl. 45). "Het hoofdbeginsel bij elke armenbedeeling zij dat de bedeeling geene premie voor de luiheid, geene aanmoediging van de zorgeloosheid worde. Een te ruime bedeeling verzwakt het zelf zoeken naar arbeid door het weinige verschil dat het arbeidsloon en de bedeeling oplevert...." (De Bosch Kemper, Geschiedkundig Onderzoek naar de Armoede enz., 1860; bl. 283). In dezen geest werd in 1834 de Engelsche armenwet herzien wijl gebleken was dat het bestaande stelsel volgens het rapport van de staatskommissie verderfelijk werkte op de "vlijtigheid, het overleg en de goede trouw van de arbeiders", zoowel als op "de welvaart en de zedelijkheid der werkgevers en bezitters." (The Health of Nations, Review of the Works of Ed. Chadwick, 1887; II, 336).
  12. "Het is onstaatkundig en voor de veiligheid hoogst gevaarlijk de armen in zulk eenen toestand tegenover de rijken te plaatsen, dat zij door den honger tot oproerigheid worden aangezet." (De Bosch Kemper, t.a.p., bl. 291). "Het belang van den Staat vordert dat orde en rust gehandhaafd worden. Deze loopen gevaar voor wanorde en onrust te wijken, als het aantal armen vermeerdert.... Ontevredenheid over armoede en de zucht den toestand aangenamer te maken, kunnen oproer en omwenteling ten gevolge hebben." (G. Hintzen, Armoede en Armenzorg. De Economist, 1876; I, 455–6). Onze Nederlandsche Armenwet van 1854 die subsidies aan kerkelijke en particuliere liefdadigheid uit de openbare kassen toestaat, en dus in zoover althans theoretisch afwijkt van den "staatkundigen regel der volstrekte onvermijdelijkheid" is wegens die inkonsekwentie meermalen veroordeeld. (De Subsidiën in de Armenwet door G.H. Betz in "Bijdragen tot de kennis van het Staats- enz. bestuur in Nederland," 1858; I, 366–7).
  13. "Es läszt sich überhaupt nicht verkennen dasz die Tendenz der neueren Zeit dahin geht die staatlich geordnete Armenpflege immer weiter auszudehnen. Zum grossen Theile ist dies darauf zurückzuführen, dass sich die Staaten immer mehr bewusst werden, dass durch die Entwickelung der modernen Industrie, durch Gross- und Fabrikbetrieb, die Gefahr der Verarmung bei der grossen Klasse der Arbeiterbevölkerung erheblich gewachsen ist." (Handwörterbuch der Staatswissenschaften, Armenwesen, I, 1054).
  14. De Engelsche Gemeentewet van 1894 ("Local Government Act") belast de plaatselijke besturen met het toezicht op het armwezen; "de uitkomst van die verandering wordt met spanning afgewacht, want zij valt samen met een gezindheid in de publieke opinie ten gunste eener minder strenge uitvoering." (Dictionary of Political Economy. Poor. Law, III, 155).
  15. "Toen in de vorige [18e] eeuw stelsels van verzekering voor het eerst toegepast werden ontstonden in Engeland plannen voor staatsbemoeiing, in de hoop dat daardoor de armen voor zich zelf zouden kunnen zorgen in plaats van ten laste der gemeente te komen. Gelijksoortige motieven hebben thans in de meeste landen van Europa de invoering van [verplichte] staatsverzekering doen voorstellen." (Dict. of Pol. Economy, III, 463 C.S. Loch, schr. v. "Old Age Pension and Pauperism").
    "An der Erleichterung der Armenpflege durch die Arbeiterversicherung kann ein Zweifel nicht wohl bestehen. Hatte die Versicherung vom Anfang an die Absicht den erkrankten, verletzten, invaliden und alten Arbeiter und seine Angehörigen nicht auf die Armenpflege zu verweisen, so ist ihr das in erheblichem Umfange gelungen." (R. v.d. Borght, Die soziale Bedeutung der deutschen Arbeiterversicherung, 1898, bl. 79–80).
  16. "Men kan zeggen dat tijdens de Middeleeuwen de ekonomische toestanden van dien aard waren, dat sommige personen, indien men hun dat niet had belet, bij machte zouden zijn geweest de beschikking te verkrijgen over de voorraden van koopwaren. Niet vergeten mag worden dat die voorraden, wat graan en andere voedingsmiddelen betreft, geheel en al plaatselijk waren; indien zulke pogingen konden slagen, mogen wij met iets grootere ingenomenheid ons rekenschap geven van de Middeleeuwsche wetgeving op dat punt." (Ashley, t.a.p. I, bl. 239).
  17. "De Middeleeuwsche wetgeving bedoelde hoofdzakelijk het belang van de verbruikers, meer dan zooals in later jaren, dat van den voortbrenger." (Dictionary of Political Economy, art. Commerce, I, 341–2).
    "Volgens de zuivere kanonieke opvatting was het voordeel der verkoopers meestal een nadeel van de koopers. Daarom behoorde de bescherming, welke men aan behoeftigen verschuldigd was, ten bate van de koopers te worden aangewend. Aan een noodstaat van producenten of verkoopers werd zelden gedacht. Strikt genomen, immers, zouden deze laatsten volgens christenplicht hun goed om niet moeten geven. En, daar dit eenmaal niet mogelijk was, moest althans al het mogelijke gebeuren om de koopers te helpen en de verkoopers te weerhouden. Het kanonieke beginsel drukt alzoo over 't geheel op den afzet en de produktie om zoodoende de afnemers te gerieven." (Endemann, Grundsätze, bl. 108).
  18. "Ten gevolge van deze opvatting is de schuldenaar de vervolgde wien de rechtspraak evenzeer terzijde moest staan als armen en hulpbehoevenden." (Endemann, t.a.p. bl. 130).
    In deze en andere plaatsen van dit geschrift over vroeg-kapitalistische ekonomische en rechtsbegrippen, wordt blijkbaar het verband tusschen de ekonomische toestanden en de denkbeelden, en daarmee het onderscheid tusschen die denkbeelden en de kapitalistische, niet voldoende in het oog gehouden.
  19. "Woeker is alle voordeel behaald door het gebruiken van geld." Endemann, t.a.p. bl. 23.
  20. Endemann, t.a.p., bl. 9–11.
  21. Ashley, t.a.p. I, bl. 223.
  22. Dict. of Political Economy, art. "Forestallers and Regrators" II, 107. Aan een wet van 1551–52 is een omschrijving ontleend van het misdrijf begaan door koopen vóór de goederen werkelijk op de markt zijn aangekomen, of het beslag leggen op den geheelen voorraad, of ook het koopen van graan en andere artikelen vóór het rijp of anderszins bruikbaar was geworden.
  23. Sir George Nicholls, History of the English Poor Law, 1854; I. 194.
  24. Principles of Political Economy, ed. 1849, bl. 445.
  25. The History of the Poor, 2 vol. Londen, 1793; I, bl. 5, 6.
  26. Thorold Rogers, Work and Wages, bl. 80, 81.
  27. Geschiedkundig Onderzoek naar de Armoede in ons Vaderland, uitg. 1860, bl. 124, 139.
  28. T.a.p. bl. 175.
  29. Marx, Das Kapital, I, 300.
  30. Rogers, t.a.p. bl. 156.
  31. Rogers, t.a.p. bl. 54.
  32. Een Hollandsche Stad onder de Bourgondisch-Oostenrijksche Heerschappij, den Haag, 1884; bl. 442 e.v.
  33. Een Hollandsche Stad in de Middeleeuwen, den Haag, 1883; bl. 328.