Multatuli. Eenige opmerkingen bij zijn 100sten gedenkdag, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Multatuli. Eenige opmerkingen bij zijn 100sten gedenkdag van Frank van der Goes
'Multatuli. Eenige opmerkingen bij zijn 100sten gedenkdag' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Socialistische Gids in 1920. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 340 ]
 

MULTATULI.
EENIGE OPMERKINGEN BIJ
ZIJN HONDERDSTEN GEDENKDAG.[1]

 

Nog eer na zijn dood opnieuw een menschenleeftijd is verstreken, vindt de herdenking van zijn honderdsten geboortedag Multatuli als een persoonlijkheid die uit het maatschappelijk strijdperk opgenomen is in de letterkundige en politieke geschiedenis van zijn land. En ook dit korte opstel wil bijdragen tot de kennis van de plaats in een dezer afdeelingen van een jong maar afgesloten verleden door Multatuli vervuld.

Van deze plaats zal, mag men onderstellen, groote roem blijven uitgaan tot in lengte van dagen. Aan den invloed die daarvan uitging echter, is een eind gekomen. Velen zullen met liefde en eerbied over Multatuli blijven spreken, maar de tijd dat hij zelf door zijn werken tot de menigte sprak, is voorbij. Vergeten zal men Multatuli nimmermeer, doch dit neemt niet weg dat hij spoedig is verouderd. Geen publieke figuur heeft bij zijn leven fellere twisten over zijn verdiensten gewekt dan hij, en thans is Multatuli te hooren verguizen even zeldzaam geworden als met Multatuli te zien dweepen.

Als auteur van strijdschriften een der Nederlandsche klassieken—zonder aanhang of gezag, als verkondiger van denkbeelden: het vraagstuk dat in deze waarheid ligt opgesloten wordt nog samengestelder als men de strekking van zijn strijdschriften of den inhoud van zijn levenswerk bedenkt. Immers was Multatuli een weergalooze kampioen tegen het maatschappelijk onrecht van zijn eeuw. Voor een uitgebuite en onderdrukte klasse—de massa der inlandsche bevolking van Nederlandsch-Indië—heeft Multatuli de partij opgenomen met een talent en een toewijding als nergens ter wereld is overtroffen. Waarom dan, mag men vragen, stond juist deze voorganger zonder volgelingen in een strijd die nog geenszins is volstreden? Verscheidene andere leiders, wier invloed met hun tegenwoordigheid in de beweging volstrekt niet is geëindigd, kunnen op verre na niet [ 341 ] worden gelijk gesteld met den schrijver van de "Koffieveilingen", en zoovele andere schitterende bladzijden polemiek en kritiek—evenmin als met den Havelaar, wiens verdere gang door het leven een lijdensweg is geweest. En als men zou willen antwoorden, misschien, dat dertig jaar een lange tijd is in een periode welke iederen dag nieuwe problemen ziet ontstaan, moet worden herinnerd dat nog terwijl Multatuli tot de levenden behoorde, de beweging zich met aanvoerders van zooveel lageren rang heeft moeten behelpen.

Toen de arbeidersbeweging in ons land georganiseerde vormen had verkregen en een politieke macht van eenige beteekenis was geworden hield de grootste strijder voor recht dien het land had voortgebracht zich ver en liet hij te vergeefs zich roepen.

 

II

 

Toen Douwes Dekker in 1856 naar Nederland terugkeerde zou hij eerst later en op zijn eigen manier gaan deelnemen aan den strijd over de in Indië te volgen ekonomische politiek. Voorloopig zocht de op zijn verzoek en eervol ontslagen ambtenaar herstel van grieven: een eisch van recht waarmee tevens werd opgekomen voor de zaak die hij tot de zijne had verklaard. Te vergeefs had de assistent-resident van Lebak zich gewend tot den gouverneur-generaal, die op het punt stond de kolonie te verlaten, en ook alle verdere pogingen bleven vruchteloos. Tot dezen tijd behoort de Brief aan den Gouverneur-Generaal in-ruste, in 1858 geschreven en twee jaar later gepubliceerd. De in 1860 verschenen "Max Havelaar" bevat de stukken van het geding, dat Multatuli eerst toen bij het Nederlandsche volk aanhangig maakte.

Welke plaats dit boek vervult in de geschiedenis van de groote kwestie waaraan door Multatuli algemeene bekendheid is gegeven, is een vraag die niet alleen uit het werk zelf kan worden beantwoord. De schrijver, het is waar, brengt wantoestanden onder het Kultuur-stelsel aan het licht. Maar niet minder waar is dat hij zich ver[ 342 ] volgens met alle kracht verzette tegen de bevordering van het partikuliere kapitalistische bedrijf. Van de eene methode tot exploitatie der Javanen had hij van nabij de werking gezien, en van de andere doorzag hij bij voorbaat het wezen.

Echter stond voor Multatuli de eene manier daarom nog geenszins met de andere gelijk. Aan de gedwongen levering van produkten en heerendiensten heeft hij niet enkel vergelijkenderwijs de voorkeur gegeven. De verkeerdheden waarvan hij getuige was geweest en die hij wereldkundig had gemaakt, beschouwde Multatuli als misbruiken van een in beginsel voortreffelijk systeem. Daarentegen zou de Vrije Arbeid naar zijn meening over land en volk onvermijdelijke rampen brengen.

Inderdaad zou als het aan Multatuli had gelegen, het Kultuur-stelsel in Nederlandsch-Indië nooit zijn afgeschaft. Diep was hij doordrongen van de gedachte dat de door de stichters niet gewilde fouten van de toepassing volledig konden en gestrengelijk moesten worden uitgeroeid, doch even vast stond bij hem de overtuiging dat de openstelling van de kolonies voor het nationale en internationale kapitaal het verkrijgen en behouden van betere toestanden voor den inlander ontzaglijk zou bemoeilijken. Een zelf achtenswaardig en vooral daardoor sterk oppergezag kon Hollandsche ambtenaren en Indische hoofden verplichten tot een milde en eerlijke uitoefening van de reglementen op den rechtstreekschen arbeid voor het gouvernement. Maar wie zal paal en perk stellen aan de winzucht van private ondernemers, die hoofden en ambtenaren zullen verdringen, of zelfs de geheele overheid aan hun streven ondergeschikt maken?

Het eerste gevolg van dit zelfstandig blijven tegenover allen was, dat allen zich keerden tegen hem. De konservatieven konden niet vergeven dat Multatuli hun politiek reddeloos in diskrediet had gebracht. Op de massa van de lezers kon de onderscheiding tusschen de werkelijke en de mogelijke toepassing van het Kultuur-stelsel geen indruk maken. De onthullingen in den "Max Have[ 343 ] laar" kompromitteerden de partij die aan het stelsel haar naam had verbonden. Trouwens had Multatuli duidelijk genoeg te verstaan gegeven dat ook hij een grondige herziening noodig achtte van de bestaande praktijk en een even grondige opruiming juist onder de hoogste funktionarissen.

Niet minder moest het optreden van Multatuli, toen men volledig kennis had kunnen nemen van zijn denkbeelden, de liberalen verdrieten. Want weldra bleek, dat deze nieuwe en machtige strijder, wel verre van een medestander te zijn, zooals zijn eerste verschijning in het publiek had doen verwachten, een besliste vijand moest heeten van het vrijzinnige koloniale program. Een spoedig na den roman, in het voorjaar van 1861 verschenen geschriftje—nog wel door tusschenkomst van den liberalen uitgever Nijgh van de "N. Rott. Ct."—bevatte op dit punt ondubbelzinnige verklaringen. Althans de talrijke lezers van dit opstel—het vermaarde "Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb!"—wisten dat voor den plotseling beroemd geworden auteur de vraag betreffende den Javaan voorloopig niet was "een min of meer ingewikkelde kwestie van staathuishoudkunde", maar eenvoudig "of hij mocht worden beroofd en mishandeld".

Multatuli, anders gezegd, heeft zich van het begin af geplaatst buiten de praktische politiek van zijn tijd. Ook zijn verdediging van het konservatieve program, wijl zij gepaard ging met de scherpste aanvallen tegen de leiders die Multatuli van ontrouw en plichtsverzuim beschuldigde, kon niet doorgaan voor een bruikbaren steun. Van zijn kant, weten we, heeft hij de afzondering, die spoedig zijn lot werd, gevoeld als een geheel onverdiende verzwaring van het lijden dat zijn strijd voor recht hem berokkende. Het lezende publiek mocht aan zijn werken een voor Holland ongewoon grooten aftrek bezorgen. Dit en de vele andere bewijzen van instemming en bewondering bij de massa mochten hem verblijden en aanmoedigen. Evenwel bleef de door de menigte gevierde auteur een vereenzaamd strijder. Deze grievende ondervinding heeft Multatuli toegeschreven aan opzet, aan [ 344 ] een boosaardige samenspanning van de mannen van links en van rechts om op hem, die beiden partijen de bittere waarheid zei, de wreede straf toe te passen van het doodzwijgen. Wie zich met hem bezighielden, moest hij ervaren, waren de lastertongen, de steekneuzen, de langooren. De schulden van Multatuli, de liefdesavonturen van Multatuli, zijn vreemde kuren en rare gewoonten, zijn verkwisting, zijn bandeloosheid, zijn eigenwaan—het scheen wel alsof Douwes Dekker uit Indië was gekomen met geen ander doel dan om met deze en dergelijke onderwerpen vermaak te geven aan de smalle gemeente in het aartsburgerlijke Holland van de jaren zestig. Dat hij weinig ander resultaat had bereikt, scheen voorloopig niet ontkend te kunnen worden. Door de kleine lieden aangestaard als een zonderling, zoo niet met den nek aangezien als een zedeloos individu. Door de belangstellenden in fraaie letteren toegejuicht als een prachtig schrijver, van wien met verlangen een volgende roman werd tegemoet gezien. Buiten aanmerking gelaten in de politieke wereld, waar de zaak door hem in een opzienbarend boek behandeld aan de orde van den dag stond. Op deze verschillende manieren bejegend door de samenleving in het moederland, moest het Multatuli spoedig duidelijk worden dat de uitwerking noodlottig zou worden voor de bevolking van de kolonie. Gehoond door sommigen, door anderen gevleid of gemeden, kwam Multatuli tot de slotsom dat in Nederland geen recht te verkrijgen was voor den Javaan en voor Havelaar geen herstel van grieven.

In de praktische politiek, wilden we zeggen, is voor Multatuli nooit een plaats te maken geweest. Hij vond in het begin van zijn loopbaan als publicist twee richtingen, waarvan de voorstanders aan elkaar de uitbuiting van de Indische bevolking betwistten. Nog heerschte het Kultuur-stelsel dat in 1830 ingevoerd en na 1850 beperkt en milder toegepast, het batig slot van den gedwongen arbeid in de Nederlandsche schatkist bracht. Dit gouvernementsmonopolie mishaagde het partikuliere kapitaal, dat voor zich zelf de beschikking verlangde over de in[ 345 ] landsche arbeidskracht. De inwilliging van dezen eisch vorderde beperking of afschaffing van den gedwongen regeeringsarbeid, van het gezag der hoofden, en van het min of meer kommunistisch grondbezit. In afwachting van de volkomen proletariseering der bevolking, was daarom aan deze hervorming de naam gegeven van Vrije Arbeid—het losmaken van alle banden, het wegnemen van alle bezit en het verbreken van allen samenhang, welke op den drempel van het kapitalistisch tijdvak het weerstandsvermogen uitmaakt van kleine bezitters en producenten. Kultuur-stelsel of Vrije Arbeid—een derde systeem kon in het politieke Holland van 1860 geen aanhangers trekken. Met de opkomende bourgeoisie van handel en industrie vóór uitbreiding van het private kapitalisme, met de nog sterke partij van hooge ambtenaren en aristokraten voor het staatsbedrijf. Wie met een nog ander plan voor den dag kwam, vond de meeningen gevestigd en de partijen gevormd. En allerminst kon een buitenstaander als Multatuli goedschiks verwachten, dat zijn leuze ingang vinden zou die opkwam voor de belangen van den inlander zonder meer. Hij wist wat onder het Kultuur-stelsel was misdreven en hij voelde wat de Vrije Arbeid zou begaan. Ieder ander program dan het zijne—een program dat hij placht samen te vatten in de soms vermanende en dan weer dreigende herinnering: de Javaan wordt mishandeld, lezer!—ieder ander program beoogde de belangen van een uitbuitende klasse. Mishandeling, het is waar, behoefde geen enkel program te bedoelen, maar alle uitbuiting maakt de belangen van de arbeidende klasse aan die van de bezitters ondergeschikt, en in den regel belet alleen vrees voor verzet de uitbuiting tot mishandeling te ontaarden. Zoowel aan de eene als aan de andere groep, verweet Multatuli dat hun politiek het welzijn der inlanders licht telde. Gelijk reeds gezegd, duchtte hij van de ongebreidelde kapitalistische afpersing nog grooter kwaad dan hij van de teugellooze staatsexploitatie had aanschouwd. De nieuweling, daarom, verscheen niet enkel als een hervormer met een bijzonder stelsel. Hij verscheen hoofdzakelijk of zelfs uit[ 346 ] sluitend als de tegenstander van beide bestaande richtingen, als de vijand der leidende personen nog meer dan als de bestrijder van de beginselen. Immers was het de toepassing van het eene stelsel, welke zijn verontwaardiging had gewekt, en wat hij van het andere vreesde.

Wie alleen of vooral de uitvoering van een politiek afkeurt, en dus de wantoestanden niet als het onvermijdelijk gevolg van het beginsel beschouwt, moet bij zijn kritiek op de daden groote beteekenis hechten aan de fouten der individuen. Waarom lieten de hooge ambtenaren de uitmergeling van den al te volgzamen dessabewoner door de regenten enz. ongestraft begaan? Wat belette de lofredenaars van het Kultuurstelsel de misbruiken te erkennen en verbetering te eischen? Wat verhinderde de regeering om recht te doen aan Havelaar? Zeker niet het beginsel van de staatsexploitatie, ook niet de inhoud der reglementen, minst van al de theorie der voorstanders, welke voor de kolonie een vaderlijk bestuur eischte. Zoo kon het alleen gemis aan rechtschapenheid, aan plichtsbesef, aan moed en oprechtheid bij de personen zijn. En er was voor Multatuli geen enkele reden om van de aanhangers van Vrijen Arbeid iets beters te verwachten. Reeds hun leuze was een blijkbare onwaarheid, een klinkklare ongerijmdheid. Hoe kan men, vroeg Multatuli, vrijen arbeid bij de wet invoeren, de bevolking dwingen tot vrijwillig werken? En wie begrijpt niet, vroeg Multatuli verder in een tijd toen het nog maar door weinigen werd begrepen, dat het kapitaal de bestaande verplichtingen wil afschaffen om er alleen, ten eigen bate, anderen dwang voor in de plaats te stellen?

De kritiek van Multatuli, besluiten we, voor beide partijen in het koloniale vraagstuk bijna even onwelkom, wijl zij meedoogenloos zoowel de tot dusver gevolgde, als de politiek van de oppositie ontmaskerde als methoden waarbij slechts de vorm van uitbuiting verschilde—deze kritiek van den auteur van "Max Havelaar" en "Vrijen Arbeid in Nederlandsch-Indië" paste niet in den partijenstrijd van zijn roemvol debuut.

En toen de tijd gekomen was dat de aktie tegen iede[ 347 ] ren vorm van koloniale onderdrukking, in het moederland begrip en steun zou hebben gevonden bij een min of meer sterke volksbeweging, bleef hij de voorkeur geven aan een afzondering die hem vroeger was opgedrongen. De uitnoodiging van een internationaal kongres, te Antwerpen, in 1872, werd door hem uit de hoogte afgewezen, en den vrienden en vereerders die hij in volgende jaren onder de socialisten van zijn land had gewonnen, moesten in partikuliere brieven telkens van hem vernemen, dat hij met hun socialisme niets te doen wilde hebben. Eenmaal, zelfs, twee jaar voor zijn overlijden, achtte hij het noodig per advertentie bekend te maken, dat hij tot de socialistische partij niet gerekend wenschte te worden.

De man die voor het eerst in Nederland was opgekomen tegen alle vormen van uitbuiting, heeft tot den klassenstrijd tegen de uitbuiting zich niet aangetrokken gevoeld. De gedeeltelijke verklaring is dat Multatuli den hedendaagschen klassenstrijd als zoodanig niet heeft gekend. Hij heeft van de speciale gedaanten, welke de uitbuiting voor zijn oogen aannam, dingen gezegd, die niemand hem ooit kon verbeteren. Maar nimmer is Multatuli van zijn bijzondere ervaringen opgegaan tot de kennis van het algemeene verschijnsel, of van zijn persoonlijk verzet tot de bevatting eener algemeene beweging.

 

III

 

Voor zoover tot de verklaring van deze tekortkoming op zijn persoonlijke geaardheid moet worden gelet, zal wel in de eerste plaats het kunstenaarschap van Multatuli in aanmerking komen.

De geschriften tegen "Vrijen Arbeid" zijn slechts brochures, brochures zooals alleen Multatuli heeft kunnen schrijven—maar toch niet gelijk te stellen met den roman waarin het jammerlijk en schandelijk misbruikte Kultuurstelsel wordt blootgelegd. De figuur van Max Havelaar, den edelmoedigen mensch en getrouwen [ 348 ] ambtenaar, heeft de dichter in Douwes Dekker geschapen met het vuur eener liefde die na zijn verblijf in Indië zich eerst geheel wijden kon aan de kunst van het Woord. Hij is door de schoonheid van dit beeld bekoord en bevangen gebleven alle verdere dagen van zijn leven, en de zelfvereering welke men hem heeft toegeschreven is de ingenomenheid geweest met dit andere Ik, geschetst naar de werkelijkheid door des dichters hand. Doen zoo als Havelaar had willen handelen, het levenswerk voltooien dat Havelaar ongedaan had moeten laten—dit werd de roeping die in de beste oogenblikken van zijn bestaan Multatuli nu voortaan bezielde.

De inhoud van de Havelaar-figuur heeft Multatuli natuurlijk niet willekeurig uitgedacht. Van alle tijden is het scheppende vermogen en de dichterlijke liefde voor het geschapene. Maar welke schepselen in het dichterhart zullen verrijzen, is maatschappelijk bepaald. De zonder eenigen schroom of berekening, met gevaar van eigen rust en leven voor de aan hem toevertrouwde inlandsche bevolking wakende en strijdende ambtenaar, wat is hij anders of kan hij anders zijn dan de vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag onder het Kuluurstelsel? En wat kan als zoodanig de eerlijke en plichtgetrouwe man anders doen dan ijveren voor de rechten van zijn ondergeschikten, hen beschermen tegen een benadeeling buiten hun verplichtingen, en tegen een door niets te vergoelijken wreedheid? Dit is niet alleen het eenige wat een welgezind gouvernementsambtenaar vermag, het is ook alles wat een gedweeë bevolking verwacht. Klewang-wettende krijgszangen kunnen de tot wanhoop gebrachte en op wraak beluste massa ook van de gehoorzaamste en geduldigste bevolking aanvuren tot opstand. Maar in geen geval zal bij haar opkomen een ander verlangen dan naar een bestuur dat haar vergunt in eenige welvaart te leven. Haar stoutste wenschen laten de grondslagen van het stelsel ongemoeid. De opheffing van de uitbuiting kan zij zich evenmin denken als de afschaffing van het gezag. De verplichte levering van produkten door kleine, in zekere gemeenschap met elkaar levende en arbeidende [ 349 ] landbouwers, levering door tusschenkomst van erfelijke hoofden aan vreemde heerschers van een overmachtig ras: dit is niet de sociale en politieke verhouding waaruit in het volksgemoed het streven, en in de ekonomie de overgang naar een geheel nieuwe orde kan ontstaan. En als het ideaal van de menigte blijft het hervormde, van duldelooze en ook noodelooze hardheden gezuiverde stelsel, de wind getemperd voor het geschoren schaap en de lasten naar de draagkracht geregeld, dan zal ook haar vriend en beschermer zich bepalen tot de vervulling van die opdracht, beperkt maar heilzaam en onmisbaar.

Neen, het Kultuur-stelsel brengt geen proletariërs voort die grijpen naar de macht, het kan de lieden tot paupers maken, die naar het zwaard grijpen—dat, na weer opgestoken te zijn, den toestand in beginsel onveranderd laat. Vermeerdering, niet afschaffing van het persoonlijk bezit, is de verandering die misbruik van het Kultuurstelsel doet begeeren. En als tot een radikale zuivering van het stelsel moet worden overgegaan, dan zal dit den Havelaar onder de ambtenaren enkel aansporen tot verdubbeling van zijn pogingen, opdat niet aan de woede en vertwijfeling van het volk worde overgelaten wat wijs en rechtvaardig beleid zonder leed en stoornis, en veel afdoender kan verrichten. Een beschermer altoos, in opperste oogenblikken een verlosser: ziedaar in het kort wat Multatuli zich denken kon als de taak van den uitverkoren drager van het vreemde gezag, een taak waarvan de verwaarloozing hem zoo diep had geërgerd, en waarvan hij moest vreezen dat in het andere koloniale systeem zelfs in het geheel geen plaats voor zou zijn.

Zoo laat, althans zoolang het Kultuur-stelsel bestaat, het verzet tegen de wantoestanden in Indië de erkenning van het wezen der maatschappelijke uitbuiting niet toe. De regeering die zelf haar verplichtingen nakomt, die produkten krijgt uit de hand van den inlander, die wederkeerig voor rust en veiligheid zorgt: welke der twee partijen is het, mag men vragen, die geeft en welke die ontvangt? Veeleer een goede en natuurlijke orde van [ 350 ] zaken zal dit schijnen dan een verhouding tusschen bevoorrechten en achtergestelden. En wordt door winstbejag, door traagheid of medeplichtigheid bij het toezicht, deze op zich zelf bestaanbare regeling, die ook niet de kiem van innerlijke ontbinding met zich draagt, verkracht, dan kunnen alleen heldhaftige karakters raad en hulp aanbrengen. Dit had Havelaar op Java vergeefs gepoogd, maar Multatuli zou niet rusten voor het begonnen werk was volbracht en zijn belagers te schande gemaakt. Hij was met deze bezigheid nog niet gereed toen het Europeesche socialisme hem riep. En hij gaf het antwoord dat de Javanen in de afdeeling Lebak en elders zeer goed zouden hebben verstaan—: Wie mijn hulp wenscht, moet mijn bevel opvolgen. Maar de Europeesche arbeiders vroegen niet om een gezagvoerder, zij verzochten om een leider. En die plaats, hoe zeer ook hem aangeboden als een der besten, toch als een gelijk anderen en als een uit velen te vervullen, kon Multatuli niet behagen.

Wij weten echter dat zoo niet de leiding, dan toch zeker het voorbeeld van Multatuli in de jonge Nederlandsche arbeidersbeweging machtig heeft gewerkt. Wat in hem voor de praktische politiek mag zijn verloren gegaan, is vele malen vergoed door de bezieling die bij hem is uitgegaan van den held en van den dichter.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Socialistische Gids (1920).