Emants/Fanny/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Fanny van Marcellus Emants

Deel 1

Deel 2
Ten behoeve van de leesbaarheid is deze novelle in verdeeld in zes delen.

Fanny

Auteur Marcellus Emants
Genre(s) Novelle
Brontaal Nederlands
Datering 1879
Bron [1]
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Fanny op Wikipedia

Fanny[bewerken]

De kinderen aten vooraf. Eerst had zij er niet in willen toestemmen. Waarom moesten die lievelingen in hunne gewoonten gestoord worden? Wie niet genoeg van zijn vriend hield om het bijzijn van diens kinderen te willen verdragen, wanneer hij aan den huiselijken disch genoodigd werd, deed beter eene dergelijke uitnoodiging niet aantenemen.

Jan had kalm toegehoord, en haar op zijn bedaarde manier weten te beduiden, dat hij niet ter wille van zijn vriend, Frans, maar voor haar zelve de kinderen niet aan tafel wilde hebben. Sinds haar bevalling at zij heden voor den tweeden keer beneden. Zij was immers nog te zwak om al die drukte te kunnen verdragen.

Toen had zij toegegeven, doch was er op blijven staan, dat het eten voor Cleo en Ro niet naar de kinderkamer zou worden gebracht. De kinderen mochten volstrekt niet het gevoel hebben, dat zij werden weggestopt of ook maar bij een vreemde achtergezet.

'In 's hemelsnaam' had Jan geantwoord, begrijpende dat zij onverzettelijk aan dit laatste besluit zou vasthouden. Tante Bee, die op zijn beslissing gewacht had, was daarop het speeltafeltje in de eetkamer gaan dekken, na verzekerd te hebben dat zij alles wel naar aller genoegen in orde brengen zou. Daaraan twijfelde dan ook niemand.

Tante Bee heette eigenlijk Berenice; Cleo en Ro waren afkortingen voor Cleopatra en Robert.

Voor een Hollandsch burgergezin, dat gedurende een achttal jaren in een stille straat van een provinciestadje gewoond had, klonken deze namen zekerlijk ongewoon. Van peetooms of tantes waren zij niet afkomstig, maar Fanny — die zelve naar Fanny Lewald genoemd was, terwijl haar oudere zuster Berenice , als zegenbrengster, heette — had van haar vader de zonderlinge liefhebberij overgeërfd haar kinderen met vreemde namen te bedeelen, liefst aan beroemde personen ontleend. Aldus had de bewondering voor Cleopatra, welke zij van haar jeugd af gekoesterd had, den naam harer oudste dochter onherroepelijk vastgesteld, terwijl haar dwepen met Schumann's compositiën den naam van het tweede kind, en haar ingenomenheid met Musset dien van nummer drie had bepaald.

Jan had met leedwezen dezen familietrek in zijn vrouw ontdekt, maar reeds in de eerste maanden van zijn huwelijk ingezien, dat het verkeerd zou zijn haar daarin tegentegaan. Haar prikkelbaar gestel moest zooveel mogelijk worden ontzien, en wel vooral door een groote mate van toegeeflijkheid waar het punten van ondergeschikt belang gold.

Ro had het amper opgelet, dat zij vroeger dan anders aten en aan een gedekt speeltafeltje moesten zitten, terwijl op de groote tafel als gewoonlijk servetten, borden, glazen enz. prijkten, en zelfs — wat ongewoon was — twee schalen met vruchten en een menigte kleine snoeperijen. Ro was in het algemeen weinig opmerkzaam, zoodat pa wel eens nadenkend het hoofd schudde, wanneer hij in de droomerige, blauwe oogen naar een spoor van verstandsontwikkeling zocht. De dokter echter was niet zoo ongerust over Ro; de jongen at als een wolf, en kwam op zijn tijd door de noodzakelijke kinderziekten heen. Een geleerde zou er wel nimmer uit hem groeien, doch wat deed dat er toe? Minder ingenomen was hij met de bleeke, levendige Cleopatra, die geheel het tegendeel was van haar stompen, gezonden broeder.

'Dit wordt nu nog aardig gevonden' placht hij tegen anderen te zeggen, wanneer Cleo het uitgegild had van plezier, zonder dat iemand de aanleiding van die opwinding wist te ontdekken, of wanneer zij de kleine handjes krampachtig samenkneep, blijkbaar onder den invloed van een te vroeg ontwikkelde fantasie, die haar allerlei zonderlinge beelden voor oogen tooverde.

'Later beziet men die dingen uit een geheel ander oogpunt.'

Cleo kon 't maar niet vatten dat er een vreemde heer zou komen eten. Het verschijnsel was in Jans huishouden ook ongewoon. Terwijl tante Bee vleesch sneed, nu en dan een blik naar de groote tafel werpend die zij geheel alleen in orde had gebracht, omdat Mijntje mevrouw helpen moest, werd zij met vragen bestormd. Wanneer zij dan niet terstond toeluisterde, riep Cleo immer driftiger: 'tante Bee, tante Bee, tante Bee! Tante Bee!!' totdat de goede vrouw het levendig nichtje aankeek en haar vragen beantwoordde:

'En waar heeft die meneer gisteren gegeten tante?'

'Dat weet ik niet, lieve.'

'Och! tante, u weet het wel. U moet het weten tante! Toe, zeg het?'

'Ik denk op reis, Cleo — Netjes eten Ro, die mijnheer houdt alleen van kinderen die netjes eten.'

Ro hield even met kauwen op, sloeg de droomerige oogen omhoog, maar antwoordde niets. Cleo zweeg ook een oogenblik stil, zij begreep niet goed wat 'op reis' beduidde, maar, zich herinnerend hoe tante voor het eten verteld had dat er een meneer zou komen, die een vriend van paatje was, doch heel ver weg woonde, vroeg zij of hij gisteren heel ver weg had gegeten.

Tante zeide van ja. Heel ver weg, in een land waar apen en tijgers zijn, zoo als er in Ro's nieuw platenboek staan. Daar woonde die meneer, en, omdat hij veel van paatje hield — net zooveel als Cleo van den kleinen Anton, die naast hen woonde — was hij hier gekomen.

'En komt die meneer nu alle dagen hier eten, tante, en ontbijten ook?'

'Wel neen, Cleo, alleen van daag.'

'En morgen, tante, gaat hij dan weer heel ver weg, naar dat land waar apen en tijgers zijn?'

'Dat weet ik niet, kind.'

'Ach! u weet het wel, tante; u wil 't niet zeggen.'

'Ik weet het heusch niet, Cleo, maar als bij straks komt, kan jij 't hem zelve vragen. Eet nu je peertjes op, en dan gaan wij naar boven.'

'Krijgen wij geen chocolaadje, tante?'

'Ik moet een chocolaadje hebben,' grijnde Ro plotseling.

'Je zult alles krijgen als je zoet bent, maar als je huilt, krijg je niets. Wanneer mama, papa en die meneer gegeten hebben, mogen jelui op het dessert komen en dan zal je chocolaadjes krijgen.'

Maar half tevreden over dat uitstel, aten de kleinen hunne peertjes op, waarbij Ro zich rijkelijk met bessensap besmeerde. Tante Bee had intusschen een blik op de pendule geworpen, en begon nu de kaarsen van de hanglamp aantesteken, voorzichtig haar dikke hand ophoudend zoodat er geen uitgebrande stukjes lucifer op den gedekten disch konden neervallen. Daarna stak zij de twee kaarsen aan, die op den schoorsteen ter weerszijden van de kleine pendule prijkten. Ook moest het tafeltje worden afgenomen, waaraan Cleo en Ro hadden gegeten, en eenige kruimels op den grond weggeveegd, terwijl gedurende die laatste werkzaamheden de kinderen niet uit het oog mochten verloren worden, wier kleine vingers niets met rust konden laten. Toen zij ook hiermede gereed was, wierp tante Bee een laatsten blik in de kamer rond. Zij vond dat het er nu, behagelijk verlicht en verwarmd, in alle opzichten gezellig was.

Voor hem, die weet hoe een daagsche zitkamer er gewoonlijk uitziet in een huishouden waar kinderen zijn, was het duidelijk dat er op dezen dag bijzonder veel zorg aan het eenvoudig gemeubeld vertrek was besteed. Niet alleen dat er geen speelgoed slingerde, en dat de kinderstoeltjes met het hobbelpaard in een hoek achter den bonheur du jour waren geschoven, maar de geel katoenen overgordijnen, die nooit werden gesloten, hingen in statige plooien voor de ietwat vervelooze blinden neer, de kachel, die tot laat in het voorjaar werd aangehouden om de vochtigheid te keeren, had een extra-beurt gehad, en geen snippertje papier verontreinigde het tapijt dat evenwel op de naden al begon te vergrauwen en menige zoogenaamd verdwenen vlek liet doorschemeren. Ook in het behang waren strepen, plekken en scheuren, doch hieraan kon tante Bee weinig doen. Zooveel mogelijk had zij er stoelen voor geplaatst en zelfs de piano met hetzelfde doel een paar palm van zijn plaats geschoven. Op den schoorsteen waren alle speldendoosjes, sigarenpijpen, klosjes garen en uitgeknipte poppen verdwenen, welke de verschillende leden van het huisgezin gewoon waren aldaar te bewaren. Op het kastje aan den overkant, dat binnen-in het ontbijtservies, in twee laadjes de lepels, vorken en messen, boven-op eenige boeken, benevens de laatst aangekomen couranten herbergde, was alles netjes geschikt en het stof op de ledige plaatsen zorgvuldig afgenomen. Tante Bee had gaarne ook de boeken eens uitgeklopt, maar zij kende de grenzen van haar gebied en zette nooit een voet daarbuiten. De eenige vrijheid, die zij zich van daag veroorloofd had, bestond in het opzetten van het dessert. Jan had uitdrukkelijk bepaald: 'geen extraatjes voor mijn vriend Frans. Hij weet dat ik een fijne flesch zal opentrekken, omdat het de eerste maal na mijn huwelijk is dat hij mij bezoekt, maar allen verderen omslag zou hij als een beleediging voor onze oude, beproefde vriendschap beschouwen.' Een ledige tafel had echter iets zoo onvriendelijks in tante Bee's oog, dat zij zich niet had kunnen bedwingen het overdadig dessert — eigenlijk was zij ook daarin buiten haar boekje gegaan — aanstonds optezetten om daardoor al het wit van lakens, servetten en borden een beetje optevroolijken.

Juist wilde zij met de kinderen de kamer verlaten, toen Fanny binnentrad.

Als verblind door het ongewone licht bleef de lange, tengere gestalte op den drempel staan. Het fijne, bleeke gelaat door een gehaakt katoenen doekje, als een rozeroode lijst omgeven, beschreef een halven cirkel opdat niets aan haar verbaasden blik zou ontgaan. Zij had moeite haar boelige huiskamer te herkennen.

Eerst sloeg tante Bee haar met eenige ongerustheid gade, maar weldra bemerkte zij dat haar zorgen niet vruchteloos waren geweest. Fanny's matte blik werd allengs helderder, haar droevig gesloten lippen vertrokken zich tot een zenuwachtig lachje, en met blinkende tranen in de oogen stak zij haar lange, dunne hand uit.

'Dank Bee, dank beste zuster. Wat zouden wij toch aanvangen zonder jou? Kijk, ik heb het al zoo dikwijls gedacht. Jan had veel gelukkiger kunnen zijn...'

Zij kon niet voleinden. Met een uitdrukking van schrik op haar rustig gelaat had Berenice haar de hand op den mond gelegd.

'Stil, stil!' riep zij uit 'wat zijn dat voor woorden? Ga nu maar zitten en vermoei je niet met staan. Ik zal de kinderen eens gauw boven aan het spelen helpen, en dan kom ik terug.'

Tante Bee ging met Cleo en Ro heen, Fanny bleef alleen achter. Zoodra het gehaakte doekje was afgelegd dwaalde haar blik nogmaals de kamer rond, van het glanzend marmer van den schoorsteenmantel naar het glimmend mahoniehout van de stoelen, van den helderen spiegel in den bonheur du jour naar het krijtwit tafellinnen en van het blinkend glaswerk achter de borden naar het lichtend verguldsel van de hanglamp, een geschenk van Frans in hun huishouden.

Zij kon tevreden zijn, geen stofje was meer in al dien glans te ontdekken, de kamer blonk van vlekkelooze onschuld, en met innig welbehagen snoof zij de geuren van boenwas, schoon linnen en potloodsel op, welke door de klimmende warmte haar uit al die zelfbewuste reinheid tegenstraalden. Zelden ondervond zij een dergelijk genot; de kinderen bemorsten en bedierven te veel. Het speet haar slechts dat tante Bee er de hand in had gehad; zij kon het niet verdragen dat men haar den veldheersstaf trachtte te ontnemen.

Gelukkig troostte haar de gedachte, dien morgen uit haar bed zelve de bevelen te hebben gegeven; tante Bee was in allen gevalle slechts eene uitvoerende macht geweest. De model-huisvrouw, de model-moeder, de model-echtgenoote bleef zij immer alleen. Niet licht vatte zij haar taak op, en ongaarne gaf zij er het kleinste deeltje van uit de handen, maar als belooning eischte zij ook het recht de onwankelbare overtuiging te mogen koesteren van eigen meerderheid.

Zij had dus niets aantemerken gevonden. Geen gedruisch van kinderen leidde haar af. Het was zoo stil in huis, dat zij het eentonig tiktak van de Friesche gangklok, die Jan van zijn vader had geërfd, duidelijk hooren kon. Deze kalme maatslag van den rusteloozen tijd, bracht haar in dien eigenaardigen, mijmerenden toestand, waarin zij zoo gaarne verviel. Dan sluimerden haar gedachten niet in, of zwierven teugelloos rond gelijk bij anderen, maar met een buitengewone kracht bleven zij op één punt gevestigd, en dat punt was altijd dezelfde beschouwing van eigen voortreffelijkheid, dezelfde vergelijking van eigen deugden met die van anderen en hetzelfde zoeken naar middelen om altijd hooger te stijgen naar bereikbaar standpunt, ver boven het menschdom verheven. Wie haar in die overpeinzingen gezien had, den mond half geopend, den altijd wazigen blik staroogend in de verte gericht, de bewegelijke armen met de magere vingers slap neerhangend in den schoot, en de lange tengere gestalte ineengezakt totdat zij bijna den indruk maakte van dik te zijn, zou eene gelijkenis tusschen de twee zusters hebben ontdekt, die in gewone omstandigheden niemand opvallen kon. De gezette, goedige Bee, wier zenuwleven zich niet ver boven het peil der stompzinnigheid verhief, bracht op den oppervlakkigen toeschouwer zulk een geheel anderen indruk teweeg dan de slanke, prikkelbare Fanny, wier onrustige geest op elk gebied van kennis en kunst zwerftochten ondernam, dat hij de lichamelijke overeenkomst welke de dunne bleeke lippen, de dof grijze oogen met de neerhangende oogleden en de fijne, beenige lijnen van den neus aanboden, in den regel over het hoofd zag. —

Het krassend geluid, waarmede een sleutel in de voordeur werd omgedraaid, stoorde hare overpeinzingen. Zij wist dat het Jan was met zijn oudsten vriend, dien zij zelfs niet van uiterlijk kende, daar hij reeds voor haar huwelijk Nederland verliet, en met grillige koppigheid nooit zijn portret had laten maken.

Zij stond op. De deur ging open, en de heeren traden binnen; eerst de groote, breedgeschouderde Frans met den lachenden trek om de frisch rooden lippen, den gullen blik in de donkerbruine oogen en den oosterschen gloed op het kleine stuk wang dat de volle, zwarte baard overliet. Achter hem volgde Jans onbeteekenende gestalte, van wiens vale kaken, door een dun, blond baardje omsloten, de zorgen alle uitdrukking hadden weggevaagd op die eener groote goedhartigheid na, waardoor nog steeds het zacht blauwe oog iedereen voor zich innam.

Met uitgestrekte hand trad Frans op Fanny toe. Zoodra Jan hem had voorgesteld en hij haar vingers omvatte, die hij nauwelijks drukken durfde, zoo fijn en breekbaar dunkten zij hem, zeide hij:

'Mevrouw, wil u aan den oudsten vriend van uw man...'

'Zeg: besten,' viel Jan hem in de rede.

'Aan den besten vriend dan van uw man vergeven dat hij zoo maar tegen het etensuur tot u durft te komen, zonder zich door een deftig bezoek te hebben aangekondigd?'

Fanny glimlachte flauw, maar Jan antwoordde in hare plaats:

'Ben ik je niet zelf komen uitnoodigen?'

'U hoort het, mevrouw, hij neemt de schuld op zich. Evenwel, indien mij de tijd niet had ontbroken, zou ik behoorlijk mijn opwachting hebben gemaakt. Gisteren avond ben ik eerst uit Parijs aangekomen en van morgen klopte hij al met zijn uitnoodiging aan.'

Nu eerst zeide Fanny op slependen toon:

'Tegenover ons behoeft u de regels der etiquette niet inachttenemen. U is wel beleefd van een uitnoodiging te willen spreken, terwijl u ons de eer aandoet ons eenvoudig middagmaal te deelen. Wij behooren niet tot de bevoorrechten die uitnoodigingen kunnen doen. In den struggle for life moeten wij al hard strijden om het hoognoodige voor de kinderen te veroveren. Aan een beetje overdaad, waarop wij goede vrienden zouden kunnen onthalen, is voor ons geen denken. Ons bestaan gaat op in een aanhoudenden kamp met de kleingeestigste beslommeringen van het leven; wij slapen langzaam in en verstompen. O! ik kan u verzekeren...'

'En toch moet je niet denken' viel Jan eenklaps in, 'dat wij geen onkosten voor je hebben gemaakt. Aanschouw dit dessert! Sedert onze bruiloft hebben wij zooveel lekkers niet bijeengezien. Frans, je wordt van snoeplust verdacht en weet je door wie? Door de dame, die juist binnenkomt. Veroorloof mij je voortestellen:

'Mijnheer Frans van Doorning, mijn schoonzuster, algemeen bekend onder den naam van tante Bee, meer bijzonder door Fanny en mij de goede engel van ons huis genoemd.'

Tante Bee lachte verlegen, boog en keek Frans niet aan, maar toen Jan, dreigend een vinger opheffend, voortging:

'Tante Bee, tante Bee, mijn vriend Frans neemt je dit prachtig dessert zeer kwalijk,' antwoordde zij:

'Kom, Jan, als je voor je besten vriend geen extraatje op tafel duldt, voor wien zal je 't dan doen?'

'Tante Bee, je hebt gelijk, ik geef mij gewonnen!'

Ondertusschen had Fanny haar doffen blik herhaaldelijk van Jan naar zijn vriend en weder terug laten dwalen. Zij kon niet begrijpen hoe twee mannen die zóó ongelijk door de natuur en door de fortuin waren bedeeld, dat zij beiden evenver, doch naar verschillende kanten van de gulden middenmaat schenen aftewijken, ooit dikke vrienden waren geworden. Toch had Jan haar dikwijls genoeg verteld, hoe zij, door een gril van het lot op school naast elkander geplaatst, reeds op zeer jeugdigen leeftijd elkanders vertrouwen hadden genoten en bevriend waren gebleven ondanks de geheel uiteenloopende wegen, welke de omstandigheden hen genoodzaakt hadden inteslaan. Van Doorning had gestudeerd en was de wereld ingegaan, Jan was eerst bij de posterijen geweest, toen gemeente-ontvanger geworden en had het nooit verder dan Brussel gebracht.

Door Tante Bee gewaarschuwd bracht Mijntje spoedig de soep op tafel, Fanny wees Frans de eereplaats naast haar aan en duldde niet dat Bee diende, daar zij van heden af hare rechten hernam. De geduldige zuster liet haar met ijver beginnen; dat zij halverwege zou moeten inspringen wist zij bij ondervinding.

Zoodra dit eerste gerecht was verdwenen, heette Jan met een glas wijn zijn ouden vriend, dien hij heden voor het eerst aan zijn tafel mocht zien, hartelijk welkom. Fanny volgde zijn voorbeeld met een glas rood getint water; onvermengde wijn deed haar duizend hamers in polsen en slapen kloppen. Daarna kwam zij op het thema terug dat Jan zoo plotseling had afgebroken:

'In vergelijking met hetgeen u gewend is, mijnheer van Doorning, wacht u een pover maal. Van geurige champignons, truffels, rnorilles en al wat meer een verwend verhemelte streelen kan, van Oostersche, Fransche, ltaliaansche en andere vreemde spijzen, welke de maag opwekken en prikkelen, komt bij ons nooit iets in. Wij moeten het met de kruimkens stellen die van de tafel des levens vallen, en ik bewonder inderdaad uw goedheid, die geen verachting toont voor zulk een Spartaansche eenvoud.'

'Maar mevrouw, gelooft u niet dat het gezelschap van een vriend, met wien men een leven van tien jaren te bespreken heeft, een beteren geur aan de eenvoudigste spijzen geeft dan alle morilles, truffels en champignons der wereld? Bovendien kan ik wel zien dat u weinig heeft gereisd, anders zou ik het u niet behoeven te verzekeren dat het fijnste Fransche maal in den besten restaurant nooit de vergelijking kan door staan met den vaderlandschen pot in den huiselijken kring.'

'Hoor je 't, Fanny?' riep Jan, met een ouderwetsche opflikkering van geestdrift uit.

Fanny hoorde 't, doch geloofde 't niet, en Frans zag aan haar oogen dat zij hem van een beleefde onoprechtheid verdacht. Daarom vervolgde hij:

'Wanneer ik — de verwende reiziger, volgens uw oordeel — morgen een vrouw vind, die veel van een rustig leven en nog meer van mij houdt, verzeker ik u dat zij binnen weinige dagen eene uitnoodiging van mij ontvangt om voor de jaren die wij samen nog te leven hebben, mij elken dag zulk een eenvoudigen huispot te koken. Als zij het aanneemt huren wij de eerste de beste woning in uw buurt, en zetten — indien 't van mij afhangt — na onze huwelijksreis geen voet meer over de grenzen!'

'Dat vind ik een kostelijk plan,' hernam Jan op denzelfden toon. 'Wij houden je aan je woord. Fanny, wij moeten naar een vrouw en naar een huis voor hem uitzien. Bij je bruiloft bestijg ik nog eens mijn Pegasus Alle Donderdagen komen wij bij elkaar, dat is afgesproken. Ik zeg Donderdag ter herinnering aan onze vroegere muziekavonden; je weet wel toen ik nog fluit blies. De eene week eet jij hier, de andere leggen wij bij jou ons anker neer, en tante Bee mag altijd mede komen, niet waar?'

Tante Bee kleurde met neergeslagen oogen toen Frans haar aanzag en, door het opheffen van zijn glas zijn instemming met die woorden te kennen gaf.

'Frans heeft gelijk,' ging Jan voort. 'Er gaat niets boven het huiselijk leven. Een viertal geliefden te bezitten met wie je licht en schaduw deelt, voor wie je hart klopt en wier harten voor jou kloppen, die je zwakheden niet breed uitmeten, maar vergeven, die je goede eigenschappen niet minachten, doch op prijs stellen, die je gelukkige oogenblikken medegenieten en je sombere dagen verhelderen, dat is al vroeg mijn dierbaarste wensch geweest.

Ik heb er zelfs verzen opgemaakt.

Zoo dikwijls ik mij alleen voelde, verlaten op de wijde wereld, verlangde ik altijd naar een trouwe borst waartegen ik mijn hoofd kon aanleunen, wanneer het moe was van den arbeid, of waaraan ik mijn tranen verbergen kon, wanneer ik gegriefd werd in het maatschappelijk leven.

Een klein plekje op aarde het mijne te mogen noemen om het tot een paradijs te kunnen maken voor een wezen dat ik aanbad, dat was de droom van mijn jeugd, dat was het ideaal in mijn versjes bezongen, dat was het eenig doel waarheen ik streefde.'

Half mijmerend had Jan gesproken, zijn oogen in de verte gericht, als zag hij daar dat droombeeld zijner jeugd, dat ideaal zijner verzen, dat eenig doel terug. Hij had zijn Ievensstrijd op geen uitgestrekt terrein gestreden, maar in enge, benauwde ruimten woekeren de zorgen, die schimmelplanten, nog weliger dan elders voort. Die zorgen hadden vroeg zijn haar doen vallen, zijn wang verbleeken, den glans van zijn oog verflauwen. Nooit was zijn ideaal verder van hem verwijderd geweest dan tegenwoordig, en nu Frans het in zijn geheugen terugriep, sprak hij er van op dien langzamen, mijmerenden toon, waarop hij aan Cleo en Ro zijn geliefkoosd sprookje uit Andersen voordroeg: dat van het verloren paradijs.

Die toon trof Frans, en plotseling wendde hij den blik naar Fanny heen; een gedachte, die nog nooit bij hem was opgekomen, stond hem eensklaps voor den geest... Maar neen, het kon niet waar zijn; er lag niets onaangenaams in den glimlach waarmede zij hem aankeek. Wel was haar blik zoo dof, dat bij haar van domheid verdacht; doch een boosaardigen trek ontdekte hij niet op het bleek gelaat.

Ondertusschen had ieder, door de stille zorgen van tante Bee, zijn deel aan warm rundvleesch met erwten genoten. Weinig ontsnapte haar oplettenden blik, en wanneer de meid verzuimde een geschoonde vork te geven of een tweeden keer met de aardappelen rondtegaan, stond zij onhoorbaar van haar stoel op en herstelde de fout, zonder dat iemand door hare zorgen werd gehinderd, of het gesprek zelfs maar een oogenblik werd gestoord. Bovendien wist zij in de kleine pauzen, die bij te weinig bediening onvermijdelijk zijn, uitstapjes naar de kinderkamer te maken, en goede tijdingen van daar rnedetebrengen, die zij bewaarde voor het geval dat Fanny haar ondervragen zou. Fanny ondervroeg haar echter niet.

Nu stootte zij Jan aan met de woorden:

'Zou je nog niet een stukje snijden?'

De noodzakelijkheid van ten tweeden male het groote, scherpe voorsnijmes te hanteeren werd den gastheer bespaard. Tante verzekerde wel dat er op uitdrukkelijk verlangen van Jan niet veel meer volgde, doch toen deze van den schotel, dien Mijntje iets te vroeg binnen bracht het deksel afnam, plaagde Frans de goedige tante er mede dat zij het rundvleesch had aangeprezen uit vrees dat hij anders te veel bloemkool eten zou. Hij wilde echter de keukenmeid volstrekt niet beleedigen en was dus wel genoodzaakt een plaatsje voor de bloemkool opentehouden.

Plotseling merkte Fanny met schrik op dat zij het zuur hadden vergeten. Onder een stroom van verontschuldigingen over haar vergeetachtigheid, haar onhandigheid, haar slechte vervulling van de plichten welke op een gastvrouw rusten, en al wat zij meer verzinnen kon om zich te vernederen, bood zij het haar gast aan. Zij had hem gewaarschuwd dat hij 't slecht zou hebben, maar smeekte hem toch haar op elk verzuim oplettend te maken. Zij wist zoo gaarne hoe of 't hoorde en had zoo zelden gelegenheid daarin een lesje te nemen. —

Jan bracht het gesprek op het reizen in het algemeen en op de omzwervingen van zijn vriend in het bijzonder. Na eerst een jaar door Amerika te hebben gezworven, was van Doorning acht jaren in Oost-Indië werkzaam geweest en had hij ten slotte door Italië, Oostenrijk, Zwitserland en Duitschland nog een tiental maanden rondgetrokken alvorens naar het vaderland terugtekeeren.

Frans vertelde gaarne en goed. Hij had veel gezien en er de indrukken frisch van bewaard. Zoodra hij in vuur geraakte traden de kleinste bijzonderheden van elk tooneel dat hij had aanschouwd hem met onverflauwde helderheid weer voor den geest, en wanneer hij dan in herinnering die tien rijke jaren nog eenmaal doorleefde, schilderde hij met zulk een gloed van verven, dat hij ook minder prikkelbare naturen dan Fanny gemakkelijk medesleepte.

Spoedig was zij hem gevolgd, de grenzen over, Europa door, naar Indië heen, en in haar al te werkzame fantasie overdreef zij elke lijn die hij trok, en versterkte zij elke tint die hij aangaf tot er een tooverwereld voor haar oogen opdoemde, die haar even machtig aantrok als ontzet terug deed deinzen.

Sprak hij van Zwitserland dan zag zij een eindeloos sneeuwveld waaruit ongenaakbare ijsspitsen zich hoog in den zwarten hemel verhieven; met doffen donder rolden de lawinen in de peilloze afgronden neer, de bevrozen beken hingen met lange kristallen over de loodrechte rotswanden heen, en aan het geloei van den storm paarde zich het gehuil van den kloosterhond die een lijk had opgedolven.

Was de tropische nacht zijn onderwerp dan zag zij een vurige zon ondergaan aan den roodgloeienden hemel. Van het onbewolkt uitspansel zonk een luwe koelte bedwelmend zacht op het geschroeid aardrijk neer. Zoete sluimering sloot aller oogen; een zonderling lied ruischte door de hooge kruin van den palm boven haar hoofd, een ongekend genot doorstroomde haar ziel... O! waarom kon zij thans niet sterven?

Maar Frans sleepte haar voort naar den Bromo en zij hoorde den onderaardschen donder in den vulkaan. De lava rees omhoog en gloeide haar tegen, heete fonteinen sprongen rond haar op, duizenden voeten hoog, vurige steenen snelden ten hemel en ploften neer, de aarde dreunde en spleet... dat was de jongste dag!

Zoo reisden zij van Indië naar Italië, van Italië naar Indië terug, van het carnaval naar het tijgergevecht en van het tijgergevecht naar de eeuwenheugende ruïnen van Egypte, over de blauwe zeeën voerde hij haar naar de stilte van het zengend zuiden, en over de grauwe golven leidde hij haar het gewoel van de stad der nevelen binnen. Eensklaps riep zij uit:

'O! welk een heerlijkheid dat alles te kunnen zien en genieten, zorgeloos in die wijde wereld rondtedolen, als een vlinder uit elke bloem de zoete geuren zuigend en zich koesterend in den gloed der zon. Zulk een leven is slechts voor weinigen weggelegd. Niet bij elke wieg staat de fee van het geluk om den pasgeborene door een kus te wijden tot haar dienst!'

De zenuwachtige opgewondenheid waarmede zij deze woorden uitte, welke meer op een citaat uit een geliefkoosden schrijver dan op een plotselinge ontboezeming van eigen gevoel geleken, verbaasde Frans zoodanig dat zich de lust van hem meester maakte tegenover die overdreven bewondering een opsomming van al de ongeriefelijkheden van het reisleven te stellen, die niet minder indruk maakte dan zijn warme schildering van het rijke genot. Hij eindigde met de woorden:

'En wanneer u daarbij bedenkt dat het voor hem, die veel gezien heeft, ten slotte onmogelijk wordt immer sterke indrukken te krijgen, omdat al wat hij aanschouwt gelijkt op zooveel wat hij reeds dikwerf onder de oogen heeft gehad, dan kan u wel begrijpen dat het voortdurend samenzijn met menschen die u volkomen onverschillig blijven, het gestadig dreigend gevaar van ziek te worden ver van allen die u dierbaar zijn, overgeleverd aan de vermomde dieven die den naam van hotelhouders en gidsen dragen, het lijden van honderden ontberingen, die als weelde-artikelen betaald moeten worden, uitloopt in een vurig verlangen naar een goed, rustig, gezellig leven.'

Fanny begreep het volkomen — O! zij kon zich zoo goed in elken toestand verplaatsen. — Maar was het daarom niet dubbel waar dat iemand, die in het dagelijksch leven evenveel ontbeerde als de reiziger, die de gestadige zorgen als zoovele gevaren steeds voelde dreigen, die ter wille van een huishouden niet alleen met onverschillige, maar zelfs met haatdragende, hardvochtige, slechte menschen te doen had en in geen enkel genot vergoeding vond, even sterk naar de vrijheid en den rijkdom van het reisleven moest verlangen als de verzadigde naar rust en gezelligheid?

Bij elk woord dat zij uitsprak was Fanny's opwinding verergerd; haar blik werd helderder hare wangen rooder. Haar handen grepen zenuwachtig elk voorwerp aan dat zich in haar bereik bevond, om het terstond weder lostelaten en een ander optenemen, te verzetten of omtedraaien. Jan, die er steeds op bedacht was den loop harer gedachten afteleiden, zoodra hij bemerkte dat zij dien zelve niet langer beheerschen kon, en het oogenblik naderen zag, waarin zij zich in haar eigen woorden verwarren zou, brak nu, tot groote verwondering van zijn vriend, het gesprek eensklaps af door den uitroep:

'Waar blijven de kinderen, tante Bee?'

'Wij zijn nog zoo ver niet, Jan. Er komt nog een Bavaroise.'

Lachend keerde de huisheer zich tot Frans:

'Je ziet het: er was niets aan te doen, uithalen moesten wij.'

'Maar Jan,' hernam tante Bee op eenigszins verwijtenden toon, terwijl zij de Bavaroise op tafel plaatste, 'Een schotel dien ik zelve gemaakt heb... !'

'Moet met aandacht genoten worden,' vulde Frans aan, die zich zoo gaarne dankbaar toonde wanneer men het goed met hem meende.

Aan tante Bee iets te verwijten lag ook in Jans bedoeling niet, daarom stemde hij er terstond in toe het kunststuk van zijn schoonzuster naar waarde te schatten, en noodigde haar uit nu de fijne flesch te geven, die bij zulk een uitgezocht gerecht paste. De zorgzame had den wijn achter de kachel gezet en bracht het groenlak te voorschijn.

Zorgvuldig ontdeed Jan den hals van lak, trok toen de stoffige kurk er uit en schonk Frans in. De dames bedankten.

'Dat deze keer de eerste van velen moge zijn,' zeide de gastheer plechtig, terwijl hij met zijn vriend klonk.

'Als mevrouw het vergunt zal het aan mij niet haperen,' antwoordde Frans.

'Laat nu de kinderen komen, tante Bee.' —

Cleo, als de oudste, stapte het eerst binnen, maar het was haar aan te zien dat zij reeds te veel tijd had gehad om zich zelve bang te maken voor den vreemden heer, die zoo onverwachts uit het land der apen en tijgers in haar leven opdoemde. Hoewel in den regel niet verlegen, durfde zij thans niet naar Frans toegaan, maar drukte zich tegen Fanny aan, zonder haar onderzoekenden blik van hem aftewenden, en met kinderlijken tact om een stukje taart bedelend ten einde zich een houding te geven.

Robert was driester. Hem spiegelde geen al te vroeg ontwikkelde verbeelding onbekende gevaren voor; aan een gedresseerd hondje gelijk stapte hij recht op Frans aan en stak zijn hand uit. Toen deze hem op de knie genomen had, en, over het slanke, blonde haar strijkend, vroeg: 'vertel mij nu eens hoe je heet?' sloeg hij de slaperige oogen even op, maar antwoordde niet. Een paar volgende vragen hadden geen betere uitwerking, en nadat hij eindelijk: 'taart!' geroepen had, werd de kleine door Jan overgenomen.

Paatje gaf aan zijn oudsten zoon een groot stuk van de begeerde snoeperij, noemde hem zijn beste ventje, en vroeg waarom hij zijn naam niet had willen zeggen, maar hij waagde 't niet naar zijn vriend optekijken; want het was hem of hij in diens blik lezen zou: is dat nu het kind waarop je eenmaal zoo trotsch waart, waarvoor je een geheel systeem van opvoeding hebt uitgedacht, in welks oogen je het kiemend verstand al meendet te ontdekken toen het nog in zijn wieg te schommelen lag? Hij voelde dat Frans medelijden met hem hebben moest, en dat gevoel deed hem zeer.

Hij vergiste zich echter. Frans zag niet met één oogopslag wat den vader na vele jaren elken dag duidelijker werd. De gezelligheid van dit vriendschappelijk maal, de kalmte van dezen huiselijken kring, de blozende wangen van die twee nette, fijne poppetjes, dat alles gaf hem te zamen een indruk van stil geluk, die te zeer in overeenstemming was met zijn eigen stemming van zwervenszatheid en zijn behoefte aan een rustig leven om hem niet al de schaduwzijden in het leven van zijn vriend zonder moeite over het hoofd te doen zien. Ook leidde Cleo hem af, die zich in een fluisterend gesprek, niet zonder heftige tegenkantingen, door Fanny had laten bepraten om haar vrees te overwinnen en meneer een handje te geven. Frans was dol op kleine meisjes en slaagde er spoedig in met Cleo op zeer vertrouwelijken voet te komen.

Halfweg het dessert werden Fanny een paar woorden door tante Bee in het oor gefluisterd. Met een kleinen schrik, als herinnerde men haar plotseling aan iets onaangenaams, stond zij op, verzocht Frans haar te verontschuldigen en ging heen. Zoodra zij de kamer had verlaten knikte Jan tante Bee toe. Deze knikte terug en zeide:

'Zij is bijzonder rustig van daag. Mijnheers reisverhalen hebben haar wat afleiding bezorgd. Dat is wel eens heel goed.'

Frans vroeg niet waarom. —

'Willen wij nu boven een sigaar gaan rooken?' vroeg Jan, nadat de fijne flesch geledigd was, en de kinderen van alle schaaltjes hun aandeel hadden genoten.

'Ik ben tot je dienst,' antwoordde Frans.