Flora (Witte 1868)/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
9 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

10. Tritomanthe uvaria

11


[ Pl 10 ]
 

Pl. 10: TRITOMANTHE ULVARIA

 
[ 37 ]
 

TRITOMANTHE UVARIA Link.

Nat. Familie:

LILIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

HEXANDRIA MONOGYNIA (Zesmannige-Éénwijvige)[1].

 

 

Het is een alles behalve zeldzaam verschijnsel in de kruidkundige wetenschap dat de naam eener plant, onder welken ze sedert jaren algemeen bekend was, later gewijzigd, somtijds zelfs geheel veranderd wordt. Vaak heeft dit na korteren of langeren tijd nóg eens en vervolgens nóg eens plaats, en daaruit volgt dan, dat dezelfde plant eindelijk somwijlen vier, vijf, ja wel eens tien tot twaalf verschillende namen heeft.

Dat zulks tot eenige moeijelijkheid aanleiding geeft is gemakkelijk te begrijpen; die moeijelijkheid zou echter nog zoo groot niet zijn, indien men algemeen goedvinden kon den laatsten, den nieuwsten naam als geldig te beschouwen; dáár is het echter verre af, en inderdaad heeft die laatste naam vaak ook maar weinig regt van bestaan. Zoo geeft de één dan de voorkeur aan dezen, de ander aan een anderen naam, terwijl een derde de plant zelfs bij geen dezer beide benamingen kent.

Als men nu bedenkt hoe groot het aantal bekende en gekweekte planten is, dan gevoelt men ligtelijk dat men al een flink geheugen moet hebben, om de wetenschappelijke namen van een zoo groot mogelijk aantal vast te houden; maar hoe nu, wanneer men voor vele twee, drie of zelfs meer namen te onthouden heeft?—

De man van 't vak of de kruidkundige moet zich daar echter doorheen weten te helpen, en hij, die met een goede dosis ambitie bedeeld is, weet zich door dien chaos ook vrij goed een [ 38 ] geregelden weg te banen. Maar lastiger is het voor den liefhebber, die er prijs op stelt zijne planten bij name te kennen; eensdeels omdat hem dat aangenaam is, en ten anderen omdat hij daardoor een beter overzigt heeft over wat hij bezit en wat hij wenscht te verkrijgen.

Deze moet van die naamsverwisseling vaak onvermijdelijk de dupe worden, en dat is dan ook werkelijk niet zelden het geval.

Gelukkig voor hem, hebben de meeste in de verzamelingen voorkomende planten gewoonlijk ook een vrij algemeen geldenden, zoogenaamden handelsnaam, onverschillig of de streng kruidkundige dien afkeurt of niet; en, uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, moge dit eene zonde zijn, in de praktijk is het toch werkelijk nuttig.

Wat nu de gegrondheid dier veranderingen betreft, daar is zeker veel vóór, maar ook wel iets tégen aan te voeren; voor 't een zoo min als voor het andere is het echter hier de plaats; alleen op het feit meende ik te moeten wijzen, omdat de plant, waarvan hier sprake is, werkelijk in dit geval verkeert, en ze tot die behoort, welke men hier onder dezen en elders onder een anderen naam zal aantreffen, welke verschillende namen ik hier, ten einde mogelijke vergissing te voorkomen, meen te moeten vermelden.

Behalve die, welke aan 't hoofd van dit artikel staat, wordt ze hier en daar ook genoemd: Tritoma Uvaria, Veltheimia Uvaria, Veltheimia speciosa, Aletris Uvaria, Aloë Uvaria, Aloë longifolia, terwijl ze, bij de laatste herdooping, als Kniphofia Aloïdes betiteld werd. Dat zijn dus alles zamengenomen acht namen, waarvan er zeker zes vrij algemeen in gebruik zijn; alleen onder de laatste komt ze echter meer uitsluitend in sommige wetenschappelijke inrigtingen voor.

De Tritomanthe Uvaria is eene vaste of overblijvende plant, oorspronkelijk thuis behoorende aan de Kaap de Goede Hoop, van waar ze reeds in 't jaar 1707 naar Europa werd overgebragt.

Vergis ik mij niet, dan werd zij het eerst afgebeeld in 1804, in het twintigste deel van Curtis's Botanical Magazine, eene afbeelding die voor dien tijd zeer goed kan genoemd worden, hoewel de bloeiwijze er veel te klein is voorgesteld, 't natuurlijk gevolg daarvan, dat deze prachtige plant aanvankelijk niet anders dan in potten gekweekt werd, waarin ze zich natuurlijk veel minder krachtvol ontwikkelt, dan wanneer ze in den vrijen grond geplant is, gelijk men tegenwoordig algemeen gewoon is te doen.

Ook—en ik haast mij het er bij te voegen—onze afbeelding is in dit opzigt niet volkomen juist; immers de bloemtrossen vertoonen zich veelal nog grooter in alle afmetingen en ook rijker aan bloemen en dus digter. Die, welke ons in den nazomer van '68 ten dienste stond, was echter niet grooter, wijl de planten in het voorjaar uit den grond genomen en verplant waren. Wij meenden echter van ons beginsel, om namelijk zooveel mogelijk natuurgetrouwe afbeeldingen te geven, niet te moeten afwijken, te meer daar deze een zeer goed denkbeeld geeft van deze hoogst sierlijke bloeiwijze.—

Met het volste regt kan de Tritomanthe, ook veelal Veltheimia Uvaria genoemd, tot de sierlijkste vaste planten gerekend worden. En niet beter kan men haar in groote tuinen of buitenplaatsen aanwenden, dan door er een aantal op een afzonderlijk groot perk, op ruim twee voet afstands bijeen te planten.

[ 39 ] Reeds van 't begin van den zomer af, wanneer de lange, sierlijk overgebogene en aan de bovenzijde gootvormige bladeren zich beginnen te ontwikkelen, levert zulk een perk, door het donker groen der bladeren, 't welk zoo goed uitkomt tegen het lichtere groen van het omringende gras, een zeer fraai gezigt op. Maar eerst tegen 't laatst van Augustus, wanneer de sierlijke bloemtrossen—veelal, hoewel in dit geval onjuist, pluimen genoemd—tusschen de dan meerendeels ruim twee voet lange bladeren te voorschijn komen, biedt het geheel een prachtig schouwspel aan, 't welk nog oneindig verrassender is, wanneer zulk een perk aan de helling van een waterkant werd aangelegd, zoodat hij, die zich op eenigen afstand bevindt, als 't ware een aantal flambouwen in 't water teruggekaatst ziet.

Dat dit laatste echter geen noodzakelijk vereischte is om voldoening van deze planten te hebben, spreekt wel van zelf.

Hoewel de buitenste bladeren tijdens den bloei eene lengte van 2–2½ voet bereiken, zijn de planten dán, door het overhangen der bladeren, toch niet meer dan anderhalf voet hoog, zoodat de zware en digt gevulde bloemtrossen, hoewel eigenlijk niet langer dan de bladeren, door hun kaarsregten stand, er toch circa een voet bovenuit komen.

Al de bloemen bereiken echter niet aan denzelfden tros te gelijkertijd hare volle ontwikkeling; integendeel, de onderste zijn doorgaans reeds lang uitgebloeid en verwelkt, eer die aan den top geopend zijn. Dit schaadt evenwel in geenen deele aan de sierlijkheid van 't geheel, en geeft daarentegen het voordeel, dat de bloei, die anders vrij snel voorbij zou zijn, daardoor veel langer duurt en men er dus meer genot van heeft.

Het eenige wat men ten nadeele er van zou kunnen aan voeren is, dat de benedenste, verwelkte bloemen niet onmiddellijk afvallen, en dus aan den tros, wanneer deze eenigen tijd achtereen geopende bloemen voortgebragt heeft, een meer of min verwelkt aanzien geven.

Zeer nabij gezien is dit eenigzins het geval, maar op eenigen afstand—en men plaatse ze bij voorkeur zoodanig dat men er van verre het fraaiste gezigt op heeft—doet zulks aan het effect niet het geringste nadeel, en blijven ze prachtig tot aan de laatste dagen van den bloei. Trouwens de verwelkte bloemen dringen zich als 't ware digt om den steel heen, zoodat ze inderdaad veel minder in 't oog loopen dan men vermoeden zou. De nog geslotene knoppen zijn donker oranjekleurig; de geheel geopende bloemen lichter van kleur en tennaastenbij geel, terwijl de ver uit de bloemkroon te voorschijn komende meeldraden de afzonderlijke bloemen, van meer nabij gezien, nog sierlijker maken.

Ook als alleenstaande plant is ze aanbevelenswaardig, maar, ik herhaal het, men moet een aantal krachtig bloeijende planten er van bijeen hebben gezien, om hare schoonheidswaarde juist te kunnen schatten.

Daarvoor is echter in de eerste plaats noodig eene opene, warme en zonnige standplaats en voorts een luchtigen, zeer voedzamen grond, die vóór de planting diep omgewerkt is.

Ze weêrstaat in den open grond onze strengste winters, evenwel niet zonder eene fiksche bedekking, wat echter geenerlei bezwaar opleveren kan.

De bladeren blijven frisch groen en volmaakt gezond tot zelfs tegen den winter, maar men [ 40 ] doet best ze in 't begin van November op een half voet van den grond af te snijden en vervolgens de planten met eene goede laag blad te dekten, die er in 't voorjaar weder afgenomen wordt; de jonge bladeren zijn dan gewoonlijk reeds ontwikkeld, doch geel; spoedig echter verkrijgen ze hunne normale kleur en weldra leveren de planten, gelijk ik zooeven reeds opmerkte, een allezins bevredigend gezigt op.

De voortkweeking heeft alleen, maar ook vrij gemakkelijk, in het voorjaar door scheuring plaats. Wèl brengen deze planten, als 't een warme zomer is, enkele, doch weinige zaden voort, maar 't duurt voor den liefhebber te lang eer de daarvan gekweekte planten bloeibaar zijn.

 

 
  1. De klasse der Zesmannige is de zesde van het sexuëele stelsel van Linnæus, waartoe alle planten behooren in welker bloemen men zes vrije, dus niet onderling vergroeide, meeldraden aantreft; terwijl tot de Eénwijvige weder die gerekend worden, waarbij men in 't centrum der bloem slechts één stijl aantreft.