Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Voorrede

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
titelpagina e.d. Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Voorrede

De Godsdienst


[ iii ]

VOORBERICHT.

Ik heb de Reizen door de Meiërij van 's Bosch in 1798 en 1799 gelezen en herlezen. – Ik heb mij verheugd, dat de slechtigheden, die aldaar sedert enige jaren gepleegd zijn, aan het licht gebragt, en naar waarheid verhaald zijn. – Ik heb, als een Inboorling der Meiërij, onder het lezen der genoemde Reizen, mijne gedachten bij enige stukken, die mij enige opheldering schenen te behoeven, in dezelve bijzonder bepaald. – Ik heb 'er over nagedacht, en geef mijne gedachten thands ter beöordeling van het geëerd Publiek over. – Ik heb vooräl getracht, om geheel onpartijdig te werk te gaan, en daarom heb ik mij, in het gebruikmaken van Schrijveren, alleen van die genen bediend, die of zelve Belijders zijn van den Roomschen Godsdienst, of die ten minsten geheel en al onverschillig zijn.

[ iv ] Men kan derhalven deze Gedachten als ene Bijdrage tot gemelde Reizen beschouwen, en 'er uit leren, dat in het Land mijner Geboorte ene ontzaglijke verändering zal moeten voorvallen, eer aldaar Menschenliefde, Verdraagzaamheid, Beschaving, Kunde en ware Verlichting zullen plaats grijpen. – – Mogt deze zo nodige verandering schielijk gebeuren! – Dit moet de wensch wezen van elken Menschenvriend. – Dit is vooräl de wensch van den

Schrijver 
.

Uit de Meiërij, den 10 Mai 1801.