Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/De Godsdienst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Voorrede Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

De Godsdienst

Het Bijgeloof


[ 1 ]

DE

GODSDIENST.

Niets word 'er op de aarde gevonden, het geen den sterfling meer beschaaft,hem waarlijk tot enen Mensch vormt, en hem dus wezenlijk gelukkig maakt, dan de Godsdienst, en wel een Godsdienst, die op de gezonde Reden, en geenzints op Overleveringen of Inzettingen der menschen, gegrond is. Zuivere Godsdienst schept in onze harten waar genoegen, echte tevredenheid zelfs in het midden der gevaren; dan – wanneer niets onze smerten kan lenigen, ô dan stort die Godsdienst verzachtenden [ 2 ] balsem in onze gefolterde zielen. "Wij hebben," zegt de Abt Pluche, "op de aarde niets dierbarers dan den Godsdienst."[1] – Is de Godsdienst zó uitmuntend, verschaft hij zó veel aan het Menschdom; dan is ieder Mensch volstrekt verpligt, om zich op de kennis van den zuiveren Godsdienst toe te leggen. – Onder alle Godsdiensten (men moge zeggen, wat men wil) ken ik genen beteren, genen meer tot dit alles berekend, genen eenvouwigeren dan den weldadigen Godsdienst, dien Jesus, Gods Zoon, mij geleerd heeft. Maar helaas! hoe zeer is die schone, die eenvouwige en voor het hart van den Mensch zo geheel berekende Godsdienst misvormd! – In hoe vele aanhangen verdelen zich de Verërers van Jesus niet! – Ieder aanhang, elke gezindte, ja wat meer is, ieder Mensch (zo hij altoos Godsdienst bezit) houd zijne Godsvërtring voor de enige ware, en hieruit vloeit dikwerf minächting, haat en liefdeloosheid omtrent anders denkenden voord; de meesten echter onder de Christenen in ons Vaderland [ 3 ] beschouwen anderen, schoon van hun in de verëring van het Opperwezen verschillende, als Broeders, slechts één Kerkgenootschap wijkt hier zeer ver van af; ik bedoel de Roomschen, of, zo als zij zich zelven liever noemen, de Katholijken[2], schoon deze naam hun in generlei wijzen toekomt. Deze verdoemen, vervloeken, verketteren, onderdrukken en vervolgen, als zij het in hunne magt hebben, alle anderen buiten hun Kerkgenootschap, en dit heeft, vooräl in deze dagen, plaats in dat gedeelte van ons Vaderland, het geen aan elk enen, onder den naam van Meiërij van 's Hertogenbosch[3], bekend is; daar – ach! daar wijkt men thands zó ver af van de instellingen [ 4 ] en de lessen van den liefdevollen Godsdienst van den Here jesus, dat men den Godsdienst der Roomsche Meiërijenaars met het grootste recht den liefdeloosten en vervolgzuchtigsten van allen mag noemen. Een Jood, een Heiden, zelfs een Turk is menschlievender en verdraagzamer in het stuk van Godsdienst dan de Roomsche Meiërijenaar.

Toen ik dit alles ernstig overdacht, vraagde ik aan mij zelven: "Wat is toch Gods-"dienst?" – Zeker niet ene blote bespiegeling; niet de betrachting van enige weinige voorschriften; niet enige leerstellingen van Menschen; ô neen! – De ware Godsdienst, zo als Christus Jesus en zijne Jongeren ons denzelven hebben bekend gemaakt, is de uitöeffening van alle die pligten jegens het Opperwezen en onzen Naasten, welke ons in den Bijbel en door de gezonde Reden geleerd worden. Niets, wat tegen Reden en Openbaring strijd, het zij in de beschouwing (theoreticè), het zij in de beöeffening (practicè), kan op enigerlei wijze den naam van Godsdienst, ik laat staan – van den enigen waren Godsdienst dragen.

Aan dezen bovenstaanden grondregel toetste ik den Roomschen Godsdienst, zo als hij in [ 5 ] deze dagen in de Meiërij beleden en beöeffend word, en welk een hemelsbreed onderscheid vond ik daar tusschen deze beide plaats grijpen. – Ik weet, en ben ten voile overtuigd, dat de Roomschen[4], ten minste de verstandigsten en braafsten onder hen, stellen en belijden, dat de twe voornaamste pligten van het Christendom, volgends de les van onzen Verlosser[5], zijn: God lief te hebben boven alles en onzen Naasten als ons zelven – ! – Maar wie is mijn Naasten? Zo vraagde eens een Wetgeleerde aan den Here Jesus[6], en zo mag ik hier ook wel vragen, omdat de Roomschen hier weder zeer ver van het eenvouwig Euängelie afwijken. Bij mij, als Mensch, als Wijsgeer en vooräl als Christen, zijn alle mijne [ 6 ] Natuurgenoten, zij mogen dan over den Godsdienst denken, zo als zij willen, mijne Naassten; hier komt geen verschil in Godsdienstige denkwijze ten passe. – Denkt of leert zo ook een Roomsche? ja! ten minste enige beter denkenden onder dat Kerkgenootschap, zelfs ook vele Priesters, doch niet alle. Ik beb mij reeds van mijne jeugd af aan toegelegd, om den Roomschen Godsdienst en zijne leerstelllngen regt te kennen; ik verkeerde veel met de Belijders van dien Godsdienst; ik trachtede hunne denkwijze naar te sporen; ik las tot dat einde hunne schriften; woonde dikwerf hunne Godsdienstige verrichtingen, vooräl het onderwijs der Jeugd, bij; en welk een onderscheid hoorde ik dikwijls omtrent dezen pligt – Liefde des Naasten – onder Belijders van enen en denzelfden Godsdienst! – Eens hoorde ik enen Priester met enige Kinderen over dit stuk Katechizeren, en ik schreef terstond zijne vragen en antwoorden van woord tot woord op, om dezelve niet te vergeten. Ik wilze hier, dewijl ze mij aanmerkenswaardig voorkomen, overschrijven:

Vraag. Wie zijn onze Naasten?

Antw. Alle menschen. [ 7 ] Vr. Zijn de Ketters (Protestanten[7]) ook onze Naasten?
Antw. Ja!
Vr. Waaröm?
Antw. Omdat zij ook de hemelsche glorie kunnen deelächtig worden.
Vr. Zijn de Zielen in het Vagevuur ook onze Naasten?
Antw. Ja! om dies wil, dat zij de glorie des Hemels verkrijgen.
Vr. Zijn de Duivelen in de Hel ook onze Naasten?
Antw. Neen! want zij kunnen nimmer de hemelsche glorie deelächtig worden.

deze Priester erkende zelfs enen Protestant voor zijnen Naasten, en stelde ten minsten de mooglijkheid van het zalig worden der Ketters.

Andere Priesters, gelijk ik meer dan éénmaal hoorde, verschillen hiervan zeer veel in denkwijze, en vooräl heeft dit plaats onder de Roomschen van allerlei stand (misschien enige weinigen uitgezonderd) in de Meiërij. – Zij [ 8 ] beschouwen volstrekt niemand als hunnen Naasten dan hunne Geloofsgenoten. Zij dragen aan gene anderen enige liefde toe, integendeel haten zij dezelve, volgends hunne, hun ingeplante, Jesuitische denkbeelden, met enen doodlijken haat. – Hoe heerscht toch dit gevoelen zo algemeen onder de Roomschen in deze Landstreek zo vraagde ik mijzelven, en ik kan 'er gene andere voldoende redenen voor vinden dan deze volgende: De geest van het vervolgziek Jesuitismus word den Priesteren op de Leuvensche Akademie zeer sterk ingescherpt, in de Kloosters is zulks nog veel erger; zulke tot alle bitterheid en vervolgzucht opgewondene, Menschen[8] zijn de Onderwijzers der Jeugd in den Godsdienst. Zij kennen volstrekt den menschlievenden Godsdienst van Jesus [ 9 ] Christus niet, en zijn devhalve ook niet in staat, om den Kinderen dien te onderwijzen, alleen het volgende drukt men der Jeugd zeer vast in het hart: "Een Ketter – een Geus. is buiten allen twijfel vefdoemd; hij is na dit leven zeer zeker ongelukkig; hij kan nimmer zalig worden, want God haat den Ketter meer dan enen Jood of Heiden; men mag denzelven derhalve ook haten, want hierdoor stelt men zich gelijk aan God; men mag hen bedriegen, en behoeft hem geen woord te houden; men moet allen omgang met hem, immers zo veel geschieden kan, vermijden, want hij is een verächter van God, van Maria, van de Heiligen, van de Beelden en van de goede Werken." – Uit deze stellingen moet bij domme Menschen, die zo door Priesters onderwezen worden, welkers gezegdens heilig zijn als eene Godspraak, natuurlijk deze gedachte geboren worden: "Enen mensch, die van God gehaat word; wien men gene beloften, schoon plegtig bezworen, behoeft te honden; wien men veilig mag bedriegen, als men maar kan; wien men moet schuwen; die een Verächter is van alles, waardoor wij onze zaligheid alléén [ 10 ] zoeken, moeten wij voorzeker haten." – De Roomschen in de Meiërij kennen den Godsdienst der Protestanten in het geheel niet, en hierdoor leggen zij hun dingen ten laste, waaräan zij echter niet schuldig staan, doch omdat zulks van de Ouders op de Kinderen word voordgeplant, en omdat de Priesters, of uit haat of uit domheid (verre de meesten zijn waarlijk blinde Leidslieden der blinden), zulks leren, daaröm moet het zeker zo wezen; wie 'er slechts aan twijffelen wilde, die is volstrekt niet Katholijk.

Hoe kan men deze wanbegrippen onder de Roomsche Meiërijënaars ten keer gaan? Hoe zou men dit gevoelen, dat en tegen de Reden en tegen de gewijde Schriften strijd, den bodem kunnen inslaan? – Men moest zich op alle mooglijke wijzen toeleggen, om in dat Land meer liefde onder de Roomschen jegens de Protestanten voord te planten; men moest hunne Godsdienstige begrippen geheel en al zien te hervormen; men moest hen zo ver kunnen brengen, dat zij het volgende als bewezene stellingen, als onwederspreeklijke waarheden, aannamen: "God heeft alle zijne schepselen lief en derhalve ook alle Menschen. Hij [ 11 ] bemint zo wel den worm, die voor onze voeten in het stof wriemelt, als den Mensch; zo wel den Mensch als den Engel; zo wel den Hervormden als den Roomschen; want onze Vader, die in de Hemelen is, doet zijne Zon opgaan over bozen en goeden,Hij regent over Rechtvaardigen en Onrechtvaardigen[9]. Een Hervormde dient, schoon op ene andere wijze, even denzelfden God, den liefderijken Weldoener van allen, als de Roomsche. Hervormden houden hunne beloften aan ieder Heilig, ten minsten dit eischt hun Godsdienst van hun. Zij mogen met ieder enen, welken Godsdienst hij ook toegedaan is, verkeren. Zij zoeken alleen hun heil en zaligheid bij den Here Jesus. Zij schatten Maria, als de Moeder des Here, hoog; maar zij eren noch dienen haar niet. Heiligen, ware Heiligen, verëren zij daardoor, dat zij derzelver deugden trachten naar te volgen; zij zijn voor hun voorbeelden van enen braven wandel, doch zij roepen dezelven niet aan; Zij houden zich alleen aan het [ 12 ] gezegde van den Verlosser: "Den Heer uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen[10]," derhalve knielen zij niet voor Beelden noch bidden dezelven aan. Zij stellen goede Werken zeer zeker op enen hogen prijs, echter trachten zij 'er den Hemel niet mede te verdienen." – Deze stellingen moesten de Priesters in de Meiërij hunnen Gemeenten inscherpen als waarheden, die onfeilbaar zeker zijn, dit zou terstond den Godsdienst der Roomschen een geheel ander aanzien geven, hij zou veel liefderijker, en dus meer met het Euängelie instemmend, worden. Een Protestant kan hier noch door spreken noch door schrijven iets uitvoeren; een Roomsche zal zijne gezegdens wel met woorden (dit heeft mij de ondervinding meer dan éénmaal geleerd) toestemmen, omdat hij 'er niets weet tegen in te brengen, doch in zijn hart zal hij alles ontkennen, en in zijne verkeerde begrippen blijven voordleven; een Ketter kan, vooräl in het stuk van den Godsdienst, nimmer waarheid spreken, men mag zich met hem in gene Godsdienst-verschillen inlaten, en het best dat men [ 13 ] doen kan, is, om hem, als men hem niet kan wederleggen, maar alles toe te stemmen, en echter bij zijne eigene aangenomene denkbeelden stijf te blijven volharden. – Zo denkt ieder Roomsche.

Men denke niet, dat ik, door de bovenstaande stellingen wil te kennen geven, dat men de Roomschen hierdoor moest zoeken te overtuigen, dat 'er ene zeer naauwe overéénkomst en gelijkheid tusschen den Hervormden en den Roomschen Godsdienst gevonden word. Neen! ik wilde maar alleen de verkeerde begrippen, de valsche denkbeelden, die de Roomschen over het algemeen omtrent de Hervormden koesteren, weggenomen hebben, dan zouden zij gewis den Protestanten meer liefde toedragen, en dan had men reeds veel, zeer veel gewonnen. Men moet derhalven mijn schrijven niet misduiden. – De Vader der Menschen, het alles weldoend Opperwezen word bij alle Protestanten, en vooräl ook bij de Hervormden, meer in geest en waarheid gediend dan bij de Roomschen; bij de laatsten is alles uitwendige pracht en luister; bij hen moet alles het oog verblinden, niets het hart raken; bij hen deelt Maria en andere Heiligen meer in den eerdienst dan [ 14 ] het Opperwezen zelf. – Het komt 'er met den Roomschen Meiërij-bewoner niet op aan, hoe men het met God staat (laat mij eens deze uitdrukking gebruiken), als men het maar wel staat met de bijzondere goede Vrienden van God in den Hemel. De stelling van alle Roomschen ten dezen opzigte is deze: "Het is geöorlofd de Heiligen te eren en aan te roepen, doch niet op dezelfde wijze, waaröp wij gelast worden, God, als den Schepper, Verlosser en Schenker van alles goeds, te eren en aan te roepen: maar in enen veel minderen trap, naamlijk als Gods geliefdste Vrienden, als onze Middelaars en Beschermers (Intercessores et Patronos) bij Hem."

Deze zijn de eigen woorden van den Jesuit P. Canisus[11] hiermede stemt ook de Mechelsche Katechisimus[12], die bij alle Roomschen hier te Lande, als een Katechizeer-boek, gebruikt word, volmaakt in. – – Ik geloof, dat men de gevoelens der Roomschen omtrent dit stuk zeer gevoeglijk op deze wijze zou kunnen begrijpen: Ik heb eens de gunst van enen Vorst, [ 15 ] dien ik niet ken, maar alleen weet, dat hij 'er is, nodig, dan bemoei ik mij volstrekt niet, om dien Vorst te kennen of met hem bekend te raken, ô neen! maar dan zoek ik zijne bijzondere Gunstlingen op; zijn die mijne Vrienden, dan heb ik met den Vorst zelven niets te maken; zijne Gunstlingen, mijne Vrienden, zullen alles wel voor mij bezorgen en wel maken.

Bij dit alles kan ik nog bijvoegen dat de Meiërijenaar niet alleen de Heiligen verëerd, maar dat hij zelfs de Beeldtenissen, waarönder de een of andere Heilige word voorgesteld, Godsdienstige eer bewijst. Dit hebben verscheidene Roomschen, zelfs ook Priesteren mij verzekerd. Ook zag ik de Meiërijënaars meer dan eens met allen eerbied voor een Beeld knielende bidden, hunne aandacht was geheel en al op hetzelve gevestigd. – Dat zij den Beelden zelven dienen, blijkt zonneklaar hier uit, omdat zij anders zulke verre Bedevaarten[13] niet zouden ondernemen, want het een of ander Beeld verschilt zeer veel in magt en het [ 16 ] doen van wonderwerken. Hoe ouder een Beeld is, hoe heiliger, hoe aanbiddenswaardiger; hoe schoner het is opgepronkt, hoe meer eerbied het verwekt in het oog van den Meiërijënaar, en derhalven hoe meer, hoe vuriger hij zulk een Beeld moet aanbidden. Uit dit alles vloeit dus zeer natuurlijk voord, dat zinlijke voorstellingen den Godsdienst geheel en al zinlijk maken; en hoe kan dan een Roomsche den enigen waren Godsdienst bezitten, hoe kan hij God, die een Geest is, in geest en waarheid dienen, want ook zij beelden den Onbegrijpelijken God af onder verschillende ligchaamlijke gedaantens; het blijft dan eeuwige waarheid: "een hout (een Beeld) is een onderwijs der ijdelheden[14]."

Ik kan bij dit alles ten overvloede nog dit bijvoegen: dat het mij als een onfeilbaar kenmerk van den Godsdienst, of hij naamlijk waar of valsch zij, voorkomt; wanneer hij liefde leert jegens alle menschen zonder onderscheid, en vooräl ook wanneer hij dezelve uitöeffent; waar liefde gene plaats grijpt, daar is zeker de ware, de liefdevolle Godsdienst van den [ 17 ] Menschlievenden Jesus niet te vinden. – Vergelijk ik dan hiermede den Roomschen Godsdienst in de Meiërij – ach! dan is de ware Godsdienst bij dat Kerkgenootschap, vooräl in dit Land, niet te vinden. – Akelige gedachte! – Zielsmertende overdenking! – !!

Liefde, kenmerk van een Christen,
Band der Vriendschap, grond der Rust,
Vijänin van 't schad'lijk twisten,
Aller braven vreugd en lust!
Gij leert ons den Naasten minnen,
Noit vergelden kwaad voor dwaad;
Helpt ons Monsters overwinnen,
Daar ge Wraakzucht, Nijd en Haat,
Dwinglandij en and're plagen,
Boeit aan uwen zegenwagen[15].

  1. Schouwtoneel der Natuur. Deel IX. Bl. 312. der Uitgave in 1799.
  2. Het woord Katholijk betekend eigenlijk Algemeen. Blj de Kerkvaders word het vooräl gebruikt in de betekenis van Regszinnig. De Taalkundige Lezer kan hieröver naslaan J. C. Suiceri Thesaur. Eccles. Tom. II. in Voce.
  3. Buiten noodzaaklijkheid, mijns oordeels, noemt men thands de Meiërij een gedeelte van Bataafsch Braband. – Ik zie geen nut in deze naamsverändering; zij baart bij minkundigen integendeel vele verwarring. Men voegt ér, ter onderscheiding van andere gedeeltens van Bataafs Braband, wel eens bij: de gewezene Meiërij, – Is de Meiërij dan gene Meiërij meer?
  4. Men moet zeker enig onderscheid maken tusschen de redenlijker denkend Jansenisten de zogenoemde Paterschen of Jesuitsgizinden. De eersten zijn veel zuiverer in de Leerstukken van den Godsdienst en veel verdraagzamer dan de laatsten. In de Meiërij worden gene Jansenisten gevonden; alle de Roomschen in die Landstreek zijn (gelijk de Protestanten zich thands aldaar, wegens de vervolgingen, die zij te verduren hebben, uitdrukken) bittere Jesuiten.
  5. Matth. XXII: 37-40.
  6. Luc. X:29.
  7. Protestant, Geus, Ketter zijn bij de meeste, zelfs bij de beschaafdste Roomschen, vooräl in de Meiërij, woorden van enerlei betekenis.
  8. "Ruim anderhalf honderd van deze, voor de Maatschappij zo schadelijke, Wezens (waarönder omtrent één zesde Monniken van allerlei koleuren, die zeker de allerschadelijkste zijn), bekleden in de Meiërij de posten van zogenomde Pastoren en Kapellanen. Ik noem hen, in het algemeen, schadelijk, want zo 'er al enige weinige redenlijke Menschenvrienden onder hen gevonden worden, zal hun getal zeer gering zijn." Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jare 1799. Bl. 192, 193.
  9. Matth. V: 45.
  10. Matth. IV: 10.
  11. Vide Parvum ejus Catechismum Catholicorum. Pag. 11.
  12. De XII Les.
  13. Reize door de Majorij in 1799. Bl. 10, 11.
  14. Jeremia X: 8b.
  15. De Gezellige, I. Deel. Bl. 128.