Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/13

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 5 )

ze dagen in de Meiërij beleden en beöeffend word, en welk een hemelsbreed onderſcheid vond ik daar tusſchen deze beide plaats grijpen. – Ik weet, en ben ten voile overtuigd, dat de Roomſchen[1], ten minſte de verſtandigſten en braafſten onder hen, ſtellen en belijden, dat de twe voornaamſte pligten van het Christendom, volgends de les van onzen Verlosſer[2], zijn: God lief te hebben boven alles en onzen Naasten als ons zelven – ! – Maar wie is mijn Naasten? Zo vraagde eens een Wetgeleerde aan den Here Jesus[3], en zo mag ik hier ook wel vragen, omdat de Roomſchen hier weder zeer ver van het eenvouwig Euängelie afwijken. Bij mij, als Mensch, als Wijsgeer en vooräl als Christen, zijn alle mijne Natuur-

ge-

A3

  1. Men moet zeker enig onderſcheid maken tusſchen de redenlijker denkend Janſenisten de zogenoemde Paterſchen of Jeſuitsgizinden. De eerſten zijn veel zuiverer in de Leerſtukken van den Godsdienst en veel verdraagzamer dan de laatſten. In de Meiërij worden gene Janſenisten gevonden; alle de Roomſchen in die Landſtreek zijn (gelijk de Proteſtanten zich thands aldaar, wegens de vervolgingen, die zij te verduren hebben, uitdrukken) bittere Jeſuiten.
  2. Matth. XXII: 37-40.
  3. Luc. X:29.