Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 6 )

genoten, zij mogen dan over den Godsdienst denken, zo als zij willen, mijne Naasſten; hier komt geen verſchil in Godsdienſtige denkwijze ten pasſe. – Denkt of leert zo ook een Roomſche? ja! ten minſte enige beter denkenden onder dat Kerkgenootſchap, zelfs ook vele Priesters, doch niet alle. Ik beb mij reeds van mijne jeugd af aan toegelegd, om den Roomſchen Godsdienst en zijne leerſtelllngen regt te kennen; ik verkeerde veel met de Belijders van dien Godsdienst; ik trachtede hunne denkwijze naar te ſporen; ik las tot dat einde hunne ſchriften; woonde dikwerf hunne Godsdienſtige verrichtingen, vooräl het onderwijs der Jeugd, bij; en welk een onderſcheid hoorde ik dikwijls omtrent dezen pligt – Liefde des Naasten – onder Belijders van enen en denzelfden Godsdienst! – Eens hoorde ik enen Priester met enige Kinderen over dit ſtuk Katechizeren, en ik ſchreef terſtond zijne vragen en antwoorden van woord tot woord op, om dezelve niet te vergeten. Ik wilze hier, dewijl ze mij aanmerkenswaardig voorkomen, overſchrijven:

Vraag. Wie zijn onze Naasten?

Antw. Alle menſchen.

Vr.