Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 8 )

beſchouwen volſtrekt niemand als hunnen Naasten dan hunne Geloofsgenoten. Zij dragen aan gene anderen enige liefde toe, integendeel haten zij dezelve, volgends hunne, hun ingeplante, Jeſuitiſche denkbeelden, met enen doodlijken haat. – Hoe heerscht toch dit gevoelen zo algemeen onder de Roomſchen in deze Landſtreek zo vraagde ik mijzelven, en ik kan 'er gene andere voldoende redenen voor vinden dan deze volgende: De geest van het vervolgziek Jeſuitismus word den Priesteren op de Leuvenſche Akademie zeer ſterk ingeſcherpt, in de Kloosters is zulks nog veel erger; zulke tot alle bitterheid en vervolgzucht opgewondene, Menſchen[1] zijn de Onderwijzers der Jeugd in den Godsdienst. Zij kennen volſtrekt den menschlievenden Godsdienst van Jesus Chris-

  1. "Ruim anderhalf honderd van deze, voor de Maatſchappij zo ſchadelijke, Wezens (waarönder omtrent één zesde Monniken van allerlei koleuren, die zeker de allerſchadelijkſte zijn), bekleden in de Meiërij de posten van zogenomde Pastoren en Kapellanen. Ik noem hen, in het algemeen, ſchadelijk, want zo 'er al enige weinige redenlijke Menſchenvrienden onder hen gevonden worden, zal hun getal zeer gering zijn." Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jare 1799. Bl. 192, 193.