Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Het Bijgeloof

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Godsdienst Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Het Bijgeloof

Ongeloof en Ligtgelovigheid


[ 18 ]

HET

BIJGELOOF.

Het Bijgeloof, waardoor ik versta, wen iemand zaken, die tegen de gezonde reden strijden, als onfeilbare waarheden aanneemt, bevat in zich, volgends de beschrijving van den geleerden J. F. Staffer[1], "al wat een onredenlijke Godsdienst, en een ongepast gevoelen omtrent de Religie, genoemd kan worden. Inzonderheid drukt dit woord mede uit, dat de Menschen, in zekere Godsdienstlijke verrichtingen, te verre gaan, en God [ 19 ] zoeken te behagen door zulke werken, waaräan Hij geen welgevallen heeft, maar die veel meer tegen zijne verheerlijking inlopen." – "In onze dagen," zo spreekt een ander Schrijver, "word het woord Bijgeloof in drieërlei betekenis genomen: 1. Voor den dienst van valsche, of afgoden. 2. Voor zulk enen eerdienst, den enigen waren God toegebragt, waarbij ene wufte menigte den Allerhoogslen, door dwaze en bespotlijke bedrijven, schandelijk zoekt te behagen, met ter-zijde-stelling van ware Godsvrucht en Deugd, en 3. Voor ene dweepächtige ligtgeloovigheid, en vreesvollen eerbied voor onbekende krachten, en vermogens, die, daar ze de gewone natuurkrachten schijnen te overtreffen, door alles voor goede munt aannemende Menschen, aan den invloed van Geesten en Duivelen worden toegeschreven[2]" – Alle deze [ 20 ] soorten van Bijgeloof heerschen onder de Roomschen in de Meiërij, en gaan daar altijd samen gepaard. Dit Bijgeloof ontspruit niet alleen uit onkunde of uit onöplettendheid, dat men alles, wat men al of niet geloven moet, niet naauwkeurig en onbevooröordeeld genoeg kan of wil onderzoeken; maar hetzelve vloeit ook vooräl voord uit stellingen, die men in de kindsheid, eer men denken kan, voor zekere bewezene waarheden aanneemt, en dan, wat meer is, dezelve nog vasthoud zelfs in enen meer gevoorderden ouderdom, of liever zijn geheel leven door. – Zijn deze gezegdens waarheid, gelijk zij in de daad zijn, dan zal zich niemand langer verwonderen, dat het domste Bijgeloof in de Meiërij zijnen zetel gevestigd heeft, en wel zó vast, dat 'er wonderen zouden moeten geschieden, eer men denzelven zou kunnen doen wankelen, ik laat staan, om verre werpen.

De Kinderen der Roomsche Meiërijënaars worden in het Godsdienstige onderwezen op ene wijze, welke wel beäntwoord aan het oogmerk en voordeel van den Priester, doch geenzints om denzelven ene juiste kennis van den Roomsch-Katholijken Godsdienst, en nog veel [ 21 ] minder, om hun ene zuivere kunde van den eenvouwigen Christlijken Godsdienst in te boezemen. – – Het is overbekend, dat elk een, die in de Meiërij een Lidmaat der Roomsche Kerk is, jaarlijks enige stuivers, naar mate de grootte der Gemeente, zo genoemd Communicanten-geld aan den Priester moet betalen; ligt een Lidmaat op zijn uiterste, dan moet aan hem het laatste Olijsel en den Ouwel worden toegediend; komt hij te sterven, dan moet hij beäard worden[3], 'er word terstond ene Zielmisse voor gelezen, of behoort hij onder de Vermogenden, dan word die Misse zingende verrigt, dit kost meer Geld en is bijgevolg ook veel beter voor de Ziel des Overledenen; vervolgends word 'er alle Maanden een Lijkdienst voor gehouden, dit duurt één Jaar lang; en [ 22 ] eindelijk bid de Priester ééns in het jaar voor den Gestorvenen, dit geschied zo lang, als de Ziel in het Vagevuur verkeert, en het is mij altijd als iets aanmerklijks voorgekomen, dat hoe rijker iemand in zijn leven geweest is, hoe langer zijne Ziel in het Vagevuur blijft, want de Priesters (dit hebben verscheidene Roomschen mij plegtig verzekerd) weten zeer naauwkeurig den tijd, hoe lang ene Ziel in den slaat der zuivering moet verkeren. Een Priester kan derhalven zo lang de Ziel des Overledenen, of liever de Beurs der levende Naastbeltaanden pijnigen en vagen, als hij wil. – Ik kan dit met de Leer der Roomsche Kerk ook niet wel samenknopen; want tijdlijke voorspoed is een kenmerk van die Kerk, derhalven hoe meer vermogen iemand bezit, hoe sterker het bewijs, dat hij zeker een eght en waar Lid derzelve is; en hij nogthands, die dat kenmerk hezit, moet het meest lijden. Het eigenbelang heeft dit gevoelen onder de Roomschen verspreid. – Alle de zo even gemelde zaken, hebben omtrent Kinderen gene plaats; voordeel zit op dezelve, voor zij hunne belijdenis afgelegd hebben, voor den Priester niet op. Hoe meer Ledematen, hoe meer bijvalletjens, en [ 23 ] om deze redenen word een Kind van twaalf jaren, als het maar in staat is, om den Mechelschen Katechismus van buiten te leren, tot Lid der Kerk aangenomen. 'Er is niemand onder de Roomsche Meiërijënaars boven die jaren, of hij heeft zijne Geloofsbelijdenis reeds afgelegd, ten zij hij volslagen zinnenloos is, als hij maar geheugen heeft, dat is genoeg[4]. – – Een Priester legt zich niet toe, om zijnen Leerlingen regte begrippen van God en Godsdienst mede te delen, om hun verstand te beschaven, om hunne bijgelovige vooröordelen weg te nemen, om hun een gevoelig hart voor deugd, braafheid en menschenliefde in te planten. Ach neen! Allerlei bijgelovigheden, die het Kind van zijne geboorte, als 't ware, af aan ingeplant worden, blijven, en groeiën met de jaren op. De Priesters (misschien enige braven uitgezonderd) gaan dezelve niet ten kere[5], dit zou tegen hun belang strijden, [ 24 ] en daaröm denkt de Meiërijsche Roomschgezinde. (hij beschouwt een Priester altijd als een wonder van Geleerdheid en Heiligheid): "Het moet toch zeker waarheid zijn, anders zou onze Pastoor 'er wel iets tegen zeggen, maar dit doet hij niet, derhalven zal het zo wel wezen," – Men hoort dezelfde bijgelovigheden van tijd tot tijd herhalen; het een Kind verhaalt, als het iets van dien aart gehoord heeft, zulks weêr aan een ander, en dit verhaalt, op zijne beurt ook iets even zot en dwaas, en zo word het Bijgeloof van lieverlede zeer sterk voordgeplant. Hier kan ik nog bijvoegen: dat de Winterävonden de [ 25 ] Leerscholen van het Bijgeloof zijn; men komt dan bij elkanderen, men weet bijna over niets te spreken, dan alleen over bijgelovige zaken, en dit is voor den Roomschen Meiërijënaar altijd de aangenaamste tijdkorting. Die het meest kan verhalen, is de regte Man.

Het Bijgeloof is de voorname oorzaak der vervolgzuchtige onverdraagzaamheid der Roomschen in de Meiërij, en in dit opzigt mag ik het Bijgeloof met G. F. Meiër[6]. wel noemen: "Een Wangedrocht, welk, als uit de Hel opgerezen, onder de Menschen ontzaglijke onheilen aangerigt heeft – – – en gene handeling is zulk ene schenddaad, guitenstuk, eerloze, Godvergetene, laaghartige en onëerlijke daad, die een bijgelovige niet zoude doen; zo dat hij nog daar te boven meent, daardoor God grootlijks te dienen." – "Het Bijgeloof," dus spreekt van Geuns[7], "is ten allen tijde ene rijke bron geweest van snode begeerlijkheden en ontmenschte gruwelen. Veelvuldige wreedheden en onverzoenlijke haat hebben daaräan [ 26 ] haren oorsprong te danken. – – – – – – – – En moet hier onder ook gerekend worden de onverzoenlijke haat tusschen de aanhangers van verschillende bijgelovige eerdiensten, tusschen Joden en Samaritanen, tusschen Heidenen en Christenen, ja helaas! tusschen zo genoemde Christenen zelfs." – Vervolgen, onderdrukken, ja zelfs het vermoorden der Protestanten word door het Roomsch Bijgeloof gebillijkt. Laat mij hier de woorden van enen Schrijver, die in Godsdienstige begrippen zeer ver van alle Protestanten afwijkt, aanhalen; hij is, dunkt mij een allersterkst getuigen, omdat hij zeker, ten dezen opzigte, van gene partijzucht kan beschuldigd worden. Dus zijn zijne woorden: "Een dienst van God in het vermoorden van Menschen, welk een tegenstrijdig denkbeeld! – De beste Vader is verheugd, wanneer zijne Kinderen, wegens ene onderscheidene uitlegging zijner bevelen, elkanderen om hals brengen: daar zijn eerst en voornaamst onderwijs hun de liefde, de zachtmoedigheid, de verzoenlijkheid, het geduld, op het nadruklijkst inboezemt! Hoe redenloos heeft men, zo vele eeuwen lang, in de Roomsche Kerk op die [ 27 ] manier gedacht, en vele heilige IJveräars onder hen denken, welligt, in hun hart nog niet beter[8]." Dit laatste gezegde is heden [ 28 ] ten dage maar al te sterk bewaarheid in de Meiërij van 's Bosch; de levendige bewijzen zijn hier van voorhanden[9]: en – zo 'er nog niet ene kleine vrees voor tijdlijke straf aldaar onder de Roomschen plaats gegrepen had, het Bloed der Protestanten zou zeker daar reeds geweldig gestroomd hebben. Ik spreek bij ondervinding. – En – wat zal 'er nog gebeuren, indien aldaar aan de nog in stilte woedende, vervolgzucht geen paal en perk gesleld worde?!

Wie, die een Mensch is, siddert niet op die gedachte?! "Duizende Menschen liggen bedolven in enen stikdonkeren Nacht van het domste, en niet alleen van het domste maar van het kwaadaartigste en vervolgzuchtigste Bijgeloof." – lndien het Bijgeloof der Roomschen in meergemelde Landstreek zich [ 29 ] alleen op domme onkunde vestigde; indien hetzelve alles, hoe dwaas ook, geloofde, dit zou men kunnen dulden; men zou het (voor ware verlichting is de Meiërijënaar bijna niet vatbaar) van harte medelijdend beklagen; maar – dewijl uit deze bijgelovige domheid onmenschlijke vervolgzucht voordvloeit, zo moet aldaar de Hervormde den Roomschen vrezen; men moet zelfs sidderen op die gedachte, dat de Roomschen, zo zij de overhand kregen (hiertoe heeft men reeds sedert enige jaren alles in het werk gesteld, en men is 'er nog mede bezig) hun grootst genoegen zouden stellen, om niet alleen alle Protestanten en Joden uit de gehele Meiërij te verdrijven, maar vooräl ook om zich in het Bloed der Hervormden te baden. De Jood zou meer barmhertigheid (indien de Roomsche Meiërijenaar dezelve kende) vinden dan de onschuldige Hervormde. – ô! Mogt de Goede Vader der Menschen ten dezen opzigte zorgen voor de Protestanten in het gemeen, en voor de Hervormden in deze streken in het bijzonder!! – Laat ons, wie wij ook zijn mogen, die Belijdenis doen van den zuiveren Godsdienst van Jesus Christus, zo veel zorg dragen, als in ons vermogen is, dat de [ 30 ] Roomschen nimmer hun oogmerk bereiken! Laat ons die Verblinden met medelijden beschouwen, en laat ons vooräl toezien, dat wij niemmer kwaad met kwaad vergelden, hat ons liever ernstig voor hun bidden, dat God hunnd harten verandere! – Jesus, onze Verlosser, zij hierïn ons naarvolgenswaardig voorbeeld; Hij smeekte zelfs aan het Kruis door zijne vijänden vastgeklonken, voor zijne Beulen. – Ik zeg, zo dikwerf (en ach! hoe menigmaal denk ik onwillig aan mijn lot, en dat van alle mijne ongelukkige en vervolgde Lands- en Geloofsgenoten!) ik mij de, sedert weinige jaren gehoudene, handelwijze der Roomsche Meiërijenaars in mijn geheugen ten rugge roep, bij mij zelven:

Kom nu, mijn Vijänd! 'k voel geen bloed door de ad'ren lopen,
Dan niet door 't Liefdevuur in mij bewogen word.
Mijn' ziel voelt zich tot vreê, door 's Heilands voorbeeld, nopen,
'k Vergeef hem, dien nog woed door wraakzucht aangeport.
Wat eer voor mij! – ik kan grootmoedig thands vergeven,
Mijn hart word nu bestierd door laagmoed en geduld,
Mijn Vijänd heeft nu voor mijn'gramschap niet te beven,
'k Vergeef, want Gij vergaaft, ô Heiland! mijne schuld[10].

[ 31 ] Het Bijgeloof, zo als het thands in de Meiërij plaats heeft, is waarlijk een schandvlek voor onze Natie en Vaderland; en zij, die hetzelve, naar alle waarschijnlijkheid aanvuren (indien dit misschien niet geschiedde, zou het van lieverlede verminderen), zijn pesten in de Maatschappelijke samenleving, die geheel uit dezelve moesten verbannen worden. "Het maakt," zegt van Geuns, "de Menschen ten enemale onvatbaar voor de burgerlijke Vrijheid, was haar altijd vijändig, en daarentegen ene bestendige Gezellinne van dwinglandij[11]." – – Laat mij hier nog één gezegde van enige waarlijk geleerde Mannen, doch die geheel onpartijdig zijn, ten bewijze en ter bevestiging van mijn gevoelen, bijvoegen: "Zo zeer als het Bijgeloof den Mensch zelven tot schande verstrekt, zo gevaarlijk word het ook veeltijds voor het Gemenebest; want vermits de bijgelovige Menschen zelve slaven van hunne vooröordelen zijn, terwijl zij, met enen geheel [ 32 ] blinden ijver, de bijgelovige overleveringen hunner Vooröuderen aankleven, zo willen zij ook anderen hunne grondstellingen opdringen; zij wanen, dat elk, – – – – – – , verpligt zij, hunne Leer, die reeds zó lang is aangenomen, en ook reeds zó oud is, aan te nemen. Zij denken niet, dat ene dwaling al zeer oud kan zijn[12]". – Uit dit alles vloeit dus, mijns achtens, voord, dat men diene te waken tegen alle soorten van Bijgeloof; en vooräl dient 'er gezorgd te worden, dat door hetzelve geen Sterfling onderdrukt worde.

Uit dit Bijgeloof volgt zeer natuurlijk Dweperij, en deze strekt zich bij den Meiërijenaar ontzaglijk ver uit. – Vrees voor Geesten, Spoken en allerlei ongerijmde dwaasheden, en vooräl de vrees voor her Vagevuur, is een heerschend gebrek, waarvan geen één Roomsche in de Meiërij bevrijd is. Dit laatste is zeer wel te dulden, dewijl het één der voornaamste en voordeligste Leerstukken der Roomsche Kerk is; maar het eerste ontspruit enkel en alleen uit domme onkunde, welke om des voordeels [ 33 ] wil ook niet word tegengegaan. "De Ligtgelovigheid" – dus spreekt 'er de Roomsche Abt de Saint Pierre ter beschaming zijner Geloofsgenooten over[13] – "spruit uit onkunde der oorzaken van de natuurlijke – uitwerkingen, en het Bijgeloof maakt, dat een onkundige, zotlijk, voor Mirakelen zodanige uitwerkingen neemt, die niet dan natuurlijk zijn. Deze dwaling doet de Menschen somtijds wegen inslaan, die sespotlijk zijn, en ten verderve strekken." – – Bijgelovige dwepende benaauwdheid doet den Roomschen Meiërijenaar alles ter bevrediging van zijn hart uitdenken, naamlijk: Vasten, Bedevaarten, Missen; met één woord alles, wat hij voor Goede Werken houd, hoe zeer het ook tegen de gezonde Reden moge strijden; want om de ziel te zuiveren en om het hart te verbeteren, dat kent men niet, en men kan derhalven ook gene andere, dan de opgenoemde Bijgelovige middelen, in het werk stellen, om zich voor alle benaauwende Bijgelovige dweepächtige vrees [ 34 ] te beveiligen. Men vreest in de Meiërij ontzaglijk voor ware Verlichting, en vooräl zijn de meeste Priesters zeer. beducht voor dezelve; alles wat men denkt, dat maar enige aanleiding hiertoe zou kunnen geven, word verboden, gelijk uit dit volgend staaltjen blijkt: Een Lid der Roomsche Kerk in deze streken had, nog zeer onlangs, de nieuwe uitgave der Werken van onzen beroemden Dichter J. Cats door R. Feith gekocht, en las dezelve met groot genoegen, zijn Biegtvader, hier achter komende, verbood hem om met de lezing verder voord te gaan, en dwopg hem, om dat schadelijk Boek weêr te verkopen.

Ieder, wien de zuivere Godsdienst ter harte gaat, mag hier wel met een deelnemend hart vragen: "Wanneer zal eens de ware Verlichting in de Meiërij doorbreken? Wanneer zal daar het dweepziek Bijgeloof vervallen en beschaamd gemaakt worden? Wanneer zullen daar eens kalmer tijden voor de Hervormden geboren worden?" – Dan, wanneer Hij, die alles regeert, zal zeggen: Tot hier toe en niet verder! Dan ja dan zal de Waarheid zegevieren. – Mogten die lang gewenschte tijden niet verre meer af zijn!! [ 35 ]

Zie dan, zie met verwilderde ogen,
ô Bijgeloof! naar 't groot vermogen,
Daar U de Waarheid van berooft.
Vergeefsch wilt Gij haar Leer en Wetten,
Door vuile dwaling, nog besmetten;
Haar Licht word noit door U verdoofd.
Vermet’le! niets zult Ge op haar winnen,
Zij word door 's Hoogsten Schild bedekt;
Gij heerscht alléén in zwakke zinnen,
In Geesten, daar Ge schrik verwekt.[14]

  1. De Zedenleer. II. Deel, Bl. 142, 143.
  2. Rechtsgeleerd-Staatkundige Verhandeling over de vraag: Of de Wetten mogen ingerigt worden naar Dwalingen en Bijgelovigheden? door J. M. van Geuns, Matthiasz. in het Vaderlandsch Magazijn van Wetenschap, Kunst en Smaak. I Deel. II. Stuk. Bl. 159.
  3. Het beäarden bestaat hierin: Het Lijk in de Kist gelegd zijnde, word van den Priester, onder het uitspreken van enige woorden, met gewijd water gesprengd en bewijrookt; eindelijk, na nog enige cerimonieën, doet de Priester driemaal wat aarde in de Kist, zeggende: Here! Gij hebt hem van aarde gemaakt, met beneren en zenuwen hebt Gij hem versterkt, doe hem verrijzen ten jongssten dage. Amen! Zie S. van Emdre, Historisch bericht van alle de Gezindteden, enz. Twede Druk. Bl. 177.
  4. Reize door de Majorij in 1799. Bl. 140.
  5. Een zeker, thands overleden Priester, zijnde een braaf en opregt Man, met wien ik zeer gemeenzaam verkeerde, verhaalde mij een de volgende Anekdote: Een Soldaat, zijnde een Meiërijenaar, die in het Oorlog, dat in 1748. geëindigd is, ten velde moest trekken, en zeer bang voor den dood was, begaf zich naar zijnen Priester, om zich hard te laten maken (wat hard maken zij, kan men zien in de Reize door de Majorij in 1798. Bl. 134.) De Priester, in plaats van deze bijgelovigheid ten kere te gaan, gaf denzelven een verzegeld briefjen, waarïn hij geschreven had: Hondsvot! stavast! met last, om het zelve wel te bewaren, en het bij zijne terugkomst weder aan hem ter hand te stellen, dan was hij gewis voor alle kogels veilig. Het geluk diende den Soldaat, hij keerde, na geëindigden veldtogt, onbezeerd weêr naar huis. hij vertelde toen alles, en de Priester bekwam hierdoor enen zeer grooten naam. Ieder beschoude dit als een wonderwerk.
  6. Philosophische Zedenkunde. I. Deel Bl. 374, 375.
  7. Ter aangehaalde plaatze. Bl. 163, 164.
  8. D.H. Purgold, Resultaat van mijne meer dan vijftigjarige overdenking over den Godsdienst van Jesus. Bl. 70, 71. – Hoe ver de haat der Roomschgezinden zich uitstrekt blijkt uit het volgende. Eene zekere Vrouw bepaalde in haar Testament, dat geen Hervormde, gelijk anders bij voornamere Roomschen in de Meiërij plaats heeft, haar lijk ten grave mogt volgen; deze uiterste wil wierd van velen toegejuicht, en ook stipt ten uitvoer gebragt; geen Hervormde wierd door de Nabestaande der Overledene ter begravenis gebeden. De gehele Famille dezer Vrouwe is berucht wegens hare bitterheid tegen de Hervormden, en daaröm thands ook in verscheidene posten geplaatst. – De opelijke haat der Roomschen in de Meiërij schijnt iets te bedaren; men ziet gene kans meer om hen uit te rooiën, men neemt nu twe andere zaken bij de hand: men zend overäl Zendelingen, die de Protestanten, vooräl derzelver kinderen, door omkopingen en beloften tot den Roomschen Godsdienst zoeken over te halen, verscheidene zijn reeds overgehaald. – Het twede is, dat men de Kerken, welke de Protestanten nog in bezit hebben, geheel en al laat vervallen, want men heeft over dezelve Roomsche Kerkmeesters aangesteld; de meesten zijn zonder glazen, en met zeer vele gaten in de daken, zij zien 'er erger en vuiler uit dan beestenstallen; men kan in dezelve, bij regenweder, naauwlijks droog zitten. Als dezelve instorten, moeten de Gereformeerden 'er van zelfs uit.
  9. Men zie, ten bewijze, de Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jare 1798, als mede de 'Twede Reize' door dat Lan in 1799. Welker lezing door alle Protestanten, vooräl in deze dagen, hoogst belangrijk is. – Ik zou, indien het nodig ware, de, door den Schrijver dier Reizen naar waarheid verhaalde, Staaltjens van verre beschoud heb, kunnen vermeerderen, maar dit is hier mijn oogmerk niet; die geächte Schrijver heeft reeds de ogen van velen geöpend.
  10. De Mensch. II. Deel. I. Stuk B. 240. Dit voortreffelijk Werk zou vooräl voor de Roomsche Meiërijenaars zeer geschikt wezen, om hen waarlijk tot Menschen te hervormen; maar – het is door Protestanten geschreven, en derhalven – verbonene waar.
  11. Ter aangeh. plaatze. Bl. 162.
  12. De Mensch. X. Deel. I. Stuk. Bl. 311, 312.
  13. In de Genees – Heel – Ontleed – en Natuurkundige Courant. I. Stuk. Bl. 6.
  14. De Mensch. VIII. Deel. I. Stuk. Bl. 110.