Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 27 )

manier gedacht, en vele heilige IJveräars onder hen denken, welligt, in hun hart nog niet beter[1]." Dit laatſte gezegde is heden

ten

  1. D.H. Purgold, Reſultaat van mijne meer dan vijftigjarige overdenking over den Godsdienst van Jesus. Bl. 70, 71. – Hoe ver de haat der Roomschgezinden zich uitſtrekt blijkt uit het volgende. Eene zekere Vrouw bepaalde in haar Testament, dat geen Hervormde, gelijk anders bij voornamere Roomſchen in de Meiërij plaats heeft, haar lijk ten grave mogt volgen; deze uiterſte wil wierd van velen toegejuicht, en ook ſtipt ten uitvoer gebragt; geen Hervormde wierd door de Nabeſtaande der Overledene ter begravenis gebeden. De gehele Famille dezer Vrouwe is berucht wegens hare bitterheid tegen de Hervormden, en daaröm thands ook in verſcheidene posten geplaatst. – De opelijke haat der Roomſchen in de Meiërij ſchijnt iets te bedaren; men ziet gene kans meer om hen uit te rooiën, men neemt nu twe andere zaken bij de hand: men zend overäl Zendelingen, die de Proteſtanten, vooräl derzelver kinderen, door omkopingen en beloften tot den Roomſchen Godsdienst zoeken over te halen, verſcheidene zijn reeds overgehaald. – Het twede is, dat men de Kerken, welke de Proteſtanten nog in bezit hebben, geheel en al laat vervallen, want men heeft over dezelve Roomſche Kerkmeesters aangeſteld; de meesten zijn zonder glazen, en met zeer vele gaten in de daken, zij zien 'er erger en vuiler uit dan beestenſtallen; men kan in dezelve, bij regenweder, naauwlijks droog zitten. Als dezelve inſtorten, moeten de Gereformeerden 'er van zelfs uit.