Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 29 )

alleen op domme onkunde vestigde; indien hetzelve alles, hoe dwaas ook, geloofde, dit zou men kunnen dulden; men zou het (voor ware verlichting is de Meiërijënaar bijna niet vatbaar) van harte medelijdend beklagen; maar – dewijl uit deze bijgelovige domheid onmenschlijke vervolgzucht voordvloeit, zo moet aldaar de Hervormde den Roomſchen vrezen; men moet zelfs ſidderen op die gedachte, dat de Roomſchen, zo zij de overhand kregen (hiertoe heeft men reeds ſedert enige jaren alles in het werk geſteld, en men is 'er nog mede bezig) hun grootst genoegen zouden ſtellen, om niet alleen alle Proteſtanten en Joden uit de gehele Meiërij te verdrijven, maar vooräl ook om zich in het Bloed der Hervormden te baden. De Jood zou meer barmhertigheid (indien de Roomſche Meiërijenaar dezelve kende) vinden dan de onſchuldige Hervormde. – ô! Mogt de Goede Vader der Menſchen ten dezen opzigte zorgen voor de Proteſtanten in het gemeen, en voor de Hervormden in deze ſtreken in het bijzonder!! – Laat ons, wie wij ook zijn mogen, die Belijdenis doen van den zuiveren Godsdienst van Jesus Christus, zo veel zorg dragen, als in ons vermogen is, dat de

Room-