Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Ongeloof en Ligtgelovigheid

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Bijgeloof Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Ongeloof en Ligtgelovigheid

Huwelijk en Opvoeding


[ 36 ]

ONGELOOF

EN

LIGTGELOVIGHEID.

Ook deze twe heerschen in mijn Vaderland, den Oord mijner geboorte, in enen zeer hogen trap. – Dit zal velen zeer vreemd toeschijnen, dewijl deze twe zaken volmaakt tegen elkanderen schijnen te strijden, en echter is niets zekerer dan dit gezegde. Maar – laat mij, eer ik dit betoog, ene beschrijving dezer beiden vooräf zenden. Door het Ongeloof versta ik: "wen iemand zaken, die helderer zijn dan het licht op den vollen middag, en [ 37 ] voor welker waarheid hij alle bewijzen heeft, niet alleen in twijfel trekt, maar ze zelfs als onwaarheden verwerpt."Hieruit vloeit derhalven van zelfs voord, dat met verkeerdlijk zulke Menschen Ongelovigen noemt, welke van sommige dingen niets gehoord hebben, en ze dus ook niet als ene waarheid kunnen aannemen. – "Ligtgelovigheid is, als men zaken, hoe dwaas ook, zonder enig onderzoek, zonder voldoende redenen, als waarheid gelooft, en aan dezelve, hoe onwaarschijnlijk zij ook wezen mogen, zijne toestemming geeft."

Het Ongeloof heeft in de Meiërij zijnen zetel zeer vast gevestigd; dit heeft bijna geen bewijz nodig. – Het Ongeloof vloet voord uit domheid en vooröordelen, of ook wel uit haat en vijändschap tegen den Godsdienst van anderen. Het is bij de Roomschen ene, bijna algemeen aangenomene en bewezens, stelling, dat een Hervormde, in het stuk van Godsdienst, nimmer waarheid kan spreken[1], dewijl zijn Godsdienst te veel verschilt van dei der Roomsche Kerk, bij welke alleen de [ 38 ] waarheid te vinden is; spreekt men derhalven met hun over het een of ander Godsdienstig gevoelen of plegtigheid, en toont men op onwederlegbare gronden de valschheid derzelve aan, men zal echter geen geloof vinden, omdat de Belijder van den Roomschen Godsdienst in die streken dus redeneert of denkt: "Een Hervormde belijd enen valschen Godsdienst, en in enen valschen Godsdienst is niets waars te vinden; hij is een Leugenaar, wijl hij enes valschen Godsdienst voor den enigen waren houd, en die in één stuk een Leugenaar is, die is het in alles." – Wegens deze vooröordelen kan of wil men de waarheid niet toetzen en dezelve van valschheid onderscheiden. 'Er staat dan zeer veel in den weg, om het Ongeloof daar zijne kraght te benemen.

Men kan hier bijvoegen, dat de Roomschen elken Protestant, beschouwen als enen Ongelovigen, of zo als zij zich gewoonlijk (want dit woord schijnt in hunnen mond bestorven te zijn) uitdrukken – als enen Ketter[2], [ 39 ] omdat dezelve, op voldoende gronden, hunne dwalingen verwerpt; men wil derhalven gelijk met gelijk vergelden. Is een Hervormde een Ongelovige, men heeft hetzelfde recht, om ook ongelovig te zijn; maar men onderscheid hier niet genoeg: Een Roomsche is ongelovig, omdat hij de waarheid niet kan, of niet wil, of niet mag onderzoeken, en verwerpt dus alles, wat tegen zijne domme vooröordelen strijd; een Protestant is ongelovig, en word van den Roomschen als enen Ongelovigen gescholden, omdat hij dwaasheden, die en tegen de gezonde Reden en tegen de H. Schrift strijden, niet wil omhelzen. De Roomsche handelt, zonder dat hij iets – onderoekt, zeer onbescheiden, belagchlijk en volmaakt éénzijdig. – Onbescheiden, omdat hij alles, wat tegen zijn Bijgeloof en Godsdienst strijd, en vooräl, wanneer het van enen Protestant als waarheid omhelsd word, lochent, en denzelven een bedrieger of bedrogenen, een' Ongelovigen noemt. – Belagchlijk, omdat hij anderen voor Ongelovigen en [ 40 ] Ketters houd, en zelf ligt hij in het domste Ongeloof bedolven. – Eénzijdig, dewijl hij aan zijne eigene vooröordelen, hou ongeruimd ook, halstarrig vastkleeft, en wil, dat een Protestant dezelve maar onbeproefd zal aannemen, en zelfs wil hij niets onderzoeken. – – Dit wil ik hier ook nog bijvoegen: een Roomsche houd den Godsdienst er Protestanten, vooräl der Hervormden, voor ene nieuwe uitvinding van Menschen; al wat in het stuk van Godsdienst (naar zijne gedachte) nieuw is, kan nimmer waarheid zijn; het oude is alleen het echte ware. Hij denkt niet, dat door geboorte, opvoeding en Bijgeloof ene dwaling zeer gemaklijk van geslacht to geslacht kan worden voordgeplant, ja zelfs vele eeuwen lang kan duren: Hij overpeinst niet eens, dat het veel gemaklijker is, ene veröuderde dwaling voord te zetten, dan dezelve geheel en al uit te rooiën. – Bij voorbeeld: Hoe lang heeft men niet gelooft, dat de Aarde stilsond, en de Zon zich om dezelve beweegde; eerst in de XV Eeuw leerde N. Kopernikus het tegengestelde. In de XVII Eeuw zou de stelling, "dat de Aarde om de Zon draait," den kundigen Galileus Galilel in Italiën het leven gekost hebben, de [ 41 ] Inquisitie zou hem hebben laten verbranden; hij leed wegens die ware gevoelen ene zesjarige gevangenis, en was eindelijk gedwongen hetzelve te herroepen, wilde hij zijn leven behouden en op vrijë voeten gesteld worden[3]. Lang, zeer lang hebben de werken van Kopernikus ene plaats beslagen op de Lijst der verbodene Boeken, eindelijk zijn echter dezelve, nog niet lang geleden, 'er afgeraakt, en de Inquisitie vergunt thands, zegt Martinet[4], degenade van te geloven, dat de Aarde om de Zon loopt. Wie ziet dan niet, dat ene dwaling zeer lang kan duren, en hoe veel moeite 'er geëischt word, om dezelve te overwinnen en uit te rooiën. – Ik zou zeer vele voorbeelden van denzelfden aart kunnen aanhalen, om mijn gezegde te staven, doch dit ene zal wel genoeg wezen.

Is een Roomtsche In de Meiërij, ongelovig, gelijk ik heb aangetoond, hij is tevens de Ligtgelovigheid zelve; en het is bijna overtollig, om dit te betogen. Ik heb bewezen, dat het [ 42 ] Bijgeloof, op ene onbegrijplijke wijze in die Landstreek heerscht, en waar hetzelve plaats heeft, daar woont ook Ligtgelovigheid, want de laatste is de vruchtbare Moeder van bet eerste. – De Ligtgelovigheid ontstaat altijd uit domheid en gebrek van oordeel, wanneer men niet in staat is, om het ware van het valsche te onderscheiden; of ook wel uit vooröordelen, welke door de opvoeding hoe langer te meer worden versterkt, gevoed en aangevuurd. – De Ligtgelovigheid is derhalven zo wel een schandvlek in het Godsdienstige als het Bijgeloof. "Ja! de Ligtgelovigheid stort in het uiterste gevaar, om geloof te geven aan de kinderächtigste dwalingen, zo dat 'er een afgrijslijk en vloekwaardig Systdéma der Religie ontstaan zoude, indien men geloof wilde geven aan alle verhalen, die van God en Godlijke dingen onder de Menschen plaats hebben[5]"

Maar – hoe zoo men Ongeloof en Ligtgelovigheid in gemelde Landstreek kunnen uitdelgen, ten minsten hare kracht benemen? Men [ 43 ] moest den Meiërijenaar zo ver kunnen brengen, dat hij, iets horende verhalen, het zij van een' Protestant of van enen zijner Geloofsgenoten, naauwkeurig, onbevooröordeeld onderzocht: of hij, die iets verhaalt, de waarheid weet, of hij dezelve kan of wil vertellen – of het verhaalde op eigene ondervinding, of enkel op horen zeggen, steunt – of hij alles naauwkeurig genoeg zelf beproefd heeft. Doch – hoe is het mooglijk, om hen zo ver te brengen? – Men moest daartoe ware beschaving, ware verlichting invoeren, en hiertoe is de ware zuivere Godsdienst onzes Verlossers het best berekend, hij kan alleen het Ongeloof, het Bijgeloof en Ligtgelovigheid vernietigen; maar zo lang Ligtgelovigheid, Bij- en Ongeloof middelen zijn en blijven, om tijdelijke voordelen voor den Priester te bejagen; om over de Consciëntieën der menigte te heerschen; om 'er eigene grootheid op te bouwen; om door valsche wonderen voor Heiligen gehouden te worden; zo lang zal de zuivere Godsdienst van Jesus daar verächt worden, zo lang zal beschaving en verlichting aldaar geweerd worden. – ô Mijn ongelukkig Vaderland! waar het Bijgeloof, Ongeloof en [ 44 ] Ligtgelovigheid zulke diepe wortelen geschoten heeft. - Ongelukkig Sterfling! die meer verlicht onder zulke domme Menschen verkeren moet, zonder iets ter geschaving zijner Natuurgenoten te kunnen aanwenden. - Hoe gelukkig zou het voor mij en mijne Landgenoten in de Meiërij wezen, wen eens der Ligtgelovigheid en het Bijgeloof den Bodem wierd ingeslagen, en de zuivere Godsdienst 'er mogt zegenvieren!! Dit zij de wensch van ieder, wien de eer van God en het waar geluk, zijner Medesterflingen ter harte gaat. - Ieder, die de uitbreiding van Jesus Godsdienst met geheel zijn hart begeert, zegge:

Deez' rijke Parel, meer in waarde,
Dan al wat Zee of afgrond baarde,
Zij 't Sieraad steeds van Neêrlands Kroon!
Deez' schoonste Bloem der Deugdgezinden
Bloei eeuwig, vrij van onweêrswinden,
En spreid' haar luister daar ten toon!
Deez' Star moet aan zijn Hemel lichten!
Dit vuur brandde op het Hartältaar!
Zo lang, als in zijn' Godsgestichten,
Het Licht der Waarheid schijnt op zijnen Kandelaar[6]

  1. Zie boven Bl. 12.
  2. Sommigen leiden ons woord Kettter af van het Grieksche Katharos betekenende: zuiver, rein, oprecht, onverweegt. Vide F. A. Lampe, Histor. Ecclesiast. Pag. 120. Zo deze afleiding doorging, dan zou het woord Ketter een eernaam wezen, en de Roomschen leggen dan daardoor hunnen haat tegen de zuivere waarheid niet onduidelijk aan den dag.
  3. J. F. Martinet, Historie der Waereld. Deel IV. Bl. 121.
  4. Historie der Waereld. VI. Deel. Bl. 380.
  5. G. F. Meier, Philosophische Zedenkunde. I. Deel. Bl. 183.
  6. De Gezellige II. Deel. Bl. 120.