Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Huwelijk en Opvoeding

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ongeloof en Ligtgelovigheid Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Huwelijk en Opvoeding

Levenswijze


[ 45 ]

HUWELIJK

EN

OPVOEDING.

De zaligste ftand, waarin een Menschenkind op deze benedenwaereld kan geplaatst worden, is een gelukkig Huwelijk. "Het Huwelijk is de aankweker en steun der Maatschappij. Het is 'er de aankweker en oorsprong van, dewijl alle Menschen uit énen Man en Vrouw gesproten zijn. Het is 'er de grondslag en steun van, dewijl het menschlijk geslacht vergaan zoude, indien het Huwelijk [ 46 ] afgeschaft wierde[1]." – Is een gelukkig Huwelijk de beste stand, welken wij hier op aarde kunnen genieten, dan moeten wij ook weten, wat het Huwelijk zij: "Het Huwelijk is, volgends de gronden der gezonde Reden en der Schrift, niets anders, dan ene verbindtenis ééns Mans en éner Vrouwe in den Here, om in getrouwheid en onverbreeklijke liefde samen te leven, met elkanderen Kinderen te telen, dezelve tot verheerlijking van God, en ten beste der menschlijke samenleving op te voeden, en zich voor onkuisheid te bewaren."[2] – Als men de Meiërijsche Huwelijken aan deze beschrijving toetst, dan zal men in die streken bijna nergens (de Protestanten echter uitgezonderd) een goed, volmaakt en gelukkig Huwelijk aantreffen.

"Waaröm is een Echtverbindtenis in de Meiërij zelden of nimmer gelukkig?" – Zo vraagde ik mij zelven dikwijls; en na alle redenen hier voor naargespoord te hebben, kon [ 47 ] ik geen ander antwoord, dan het volgende 'er voor vinden. De Huwelijks-veréniging grond zich in mijn Vaderland zelden of liever noit op deugd en braafheid, of op overéénstemming van charakter; men ziet een Meisjen, men bemint het op het eerst aanzien, ten minsten men verbeeld zich het te beminnen; men onderzoekt dan niet, of zulk een Meisjen verstand en een braaf hart bezit, of hoe deszelfs inborst is, ô neen! men vraagt zich altijd, of zulk ene Vrouwpersoon, met welke men zich in den Echt wenscht te begeven, enig geld[3], waaraede men een begin kan maken, heeft? kan zij werken? verstaat zij haren arbeid? deze vragen bij zichzelven voldoende beäntwoord hebbende, dan ziet men het Meisjen in zijn belang over te halen; het Meisjen doet van zijne zijde dezelfde vragen, en zijn die ook aan de wenschen van hetzelve beäntwoordende, dan word het Huwelijk, zonder enig verder onderzoek, zeer schielijk gesloten. – Getrouwd en de eerste driften bevredigd zijnde, dan word 'er zeer schielijk (en dit kan in een Huwelijk, op deze wijze aangegaan, niet anders [ 48 ] wezen) ene onverschilligheid tusschen Man en Vrouw geboren; men leert zich van tijd tot tijd beter kennen; de harten zijn niet, gelijk men zegt, op denzelfden toon gestemd of voor elkaêr berekend; men leeft hoe langer te meer yan elkanderen verwijderd; geen vriendlijk woord word 'er meer tusschen beiden gewisseld; men spreekt bijna altijd grauwende op enen gebiedenden toon, en zelden gaat 'er één dag voorbij, waaröp niet gekeven word, of enige onäangenaamheden voorvallen. De Man begeeft zich 's morgens vroeg aan zijnen arbeid, en verlaat zijne Echtgenote geheel onverschillig; hij keert op den middag weder naar huis, en na den maaltijd, welke dikwerf spraakloos gehouden word, gaat hij weder geheel onverschillig van zijne Vrouw, welke intusschen hare huislijke bezigheden te verrigten heeft, en veeltijds als ene slavin moet arbeiden, aan zijn werk; 's avonds t' huis komende, en ziende, dat zijne Vrouw haren arbeid nog niet volbragt heeft; of keert hij eens, naar de gedachten zijner wederhelft, wat te laat weder, dan valt 'er gewoonlijk ene knorpartij voor. De Avondmaaltijd word op dezelfde wijze als het Middagmaal gehouden, en men begeeft [ 49 ] zich, na het eindigen van denzelven, geheel onverschillig met malkanderen ter ruste. Gene onderhoudende gesprekken (hiertoe is de Meiërijënaar niet in staat) veräangenamen den soberen Maaltijd; geen kusch ener oprechte liefde verwelkomt, bij de terugkomst, elkanderen.

ô Neen! men rekent het zelfs ten schande wanneer in de Meiërij een Man enen hartlijken kusch der zuivere Huwlijksmin op de lippen zijner Echtgenote zoude drukken. – Ene voorbeeldloze onverschilligheid in het Huwelijk is een charaktertrek der Meiërijënaars. Als men deze redenen, die ik maar met flaauwe trekken geschetst heb, overweegt, dan zal zich niemand verwonderen, dat 'er zo veele slechte en onvergenoegde Huwelijken in de Meiërij worden gevonden.

Schoon 'er zo veel onverschilligheid in het Huwelijk heerscht, zo moet ik 'er dit, tot roem mijner Meiërijsche Landsgenoten, bijvoegen, dat men onder dezelve weinig hoort van Hoererij, Overspel en Echtbreuk, alhoewel men, helaas! niet kan zeggen, dat deze slechtigheden 'er geheel onbekende zaken zijn, Dit is zeker, dat zij, in dit opzigt, vele anderen beschamen, – Ik zal hier niet onderzoeken, [ 50 ] of de reden, waaröm zij zich minder aan die afschuwlijke misdaden overgeven, te zoeken is in koudbloedigheid, of in enen afkeer tegen die Zonde. – Ik moet hier echter met leedwezen bijvoegen, dat de Zeden hier, ten dezen opzigte, sedert enige jaren zeer bedorven zijn, en dat, vooräl in gesprekken, zelfs onder Kinderen, het betaamlijke en zedige niet meer zo in acht genomen word als wel voorheen, derhalve is het te duchten, dewijl men van woorden langzamerhand tot daden overgaat, dat ook die verfoeilijke Zonden, waarvoor ieder deugdzaam Mensch, vooräl de Christen, moet te rug beven, daar met den tijd in zwang zullen raken. Ik weet zeer wel, dat sommige Wijsgeren daar henen willen, dat zij daaruit, omdat sommige Volken alles zonder blozen bij zijnen regten naam noemen, het geen meer beschaafde Natiën onder verbloemde woorden voorstellen, een besluit willen afleiden, dat die Volken nog het schandelijke bij de, ondervinding niet kennen; maar dit is ook zeker, wanneer een Volk, dat van te voren alle zulke zaken met een diep stilzwijgen bedekte, in vervolg van tijd over die dingen zonder schaamte spreekt, dat dan, het Zeden-bederf zeer ver [ 51 ] gevoorderd is, en dat hetzelve dan op den laatsten trap staat, om tot daden over te slaan. – In de Steden, en in de grote Meiërijsche Dorpen, waar vele Ambachtslieden wonen, zijn de Zeden ten dozen opzigte meer bedorven, dan wel op liet platte Land, op Dorpen, waar de Boer door gestadige arbeid voor vele zedenloosheid beveiligd blijft.

Dewijl het Huwelijk vooräl dient aangegaan te worden ter voordplanting en instandhouding van het Menschdom, en tot nut der Maatschappij, zo is het niet om het even, hoe wij onze Kinderen tot leden derzelve vormen. – De Opvoeding is derhalve één der voornaamste pligten der Ouderen, maar ook deze Opvoeding word in de Meiërij zeer verwaarloosd[4]. Het hart der Jeugd word daar niet beschaafd, men plant derzelve geen gevoel in voor het goede, het schone of deugdzame. "Men moet zorg dragen," zegt de brave Ganganelli of Paus Clemens XIV.[5], "om den [ 52 ] geest van jonge Luiden tot het verhevene op te leiden, door hen te overtuigen, dat het grootst vermaak van den Mensch moet bestaan in te denken, en in bewustheid van zijn bestaan te hebben. Deze is een verheven wellust, enen Hemelschen geest waardig, in zo verre, dat ik hem voor een ongelukkig, ten minsten voor een ongevoelig, wezen houde, die deze gelukzaligheid niet kent." – Al wat de Roomsche Meiërijënaar zijnen Kinderen laat leren, bestaat, behalven een Handwerk, in een weinig lezen en schrijven; en van de honderd Kinderen is 'er naauwlijks één, dat dit regt verstaat; dit vloeit daaruit voord, omdat men, zodra men maar enig voordeel van een Kind meent te kunnen trekken, hetzelve tot den Arbeid opleid. Men [ 53 ] boezemt, gelijk ik zeide, zijn Kroost gene liefde in voor het goede, schone en edelmoedige, want men kent dit zelf niet.

Het is ook ene grove fout in de Opvoeding onder de Meiërijënaars, dat zij hunnen Kindederen gene liefde, achting en eerbied jegens de Ouderen inboezemen. De Ouderen beminnen hun Kroost even weinig als hetzelve zijne Ouderen; dit is iets het geen zeer natuurlijk volgen moet. Herinner U slechts, wat ik gezegd heb over de wijze, waarop een Huwelijk gesloten word, en over de onverschilligheid, die hieruit zeer schielijk voordvloeit: de Man en Vrouw beschouwen elkanderen volmaakt onverschillig, zij hebben gene liefde of achting voor elkanderen, en – hoe kunnen zij dan hunne dierbaarste Panden hartlijk beminnen. Hoe sterker de liefde is tusschen Echtgenoten, hoe vuriger de genegenheid voor hun Kroost. – Zien nu Kinderen, dat 'er ene koel- en onverschilligheid tusschen hunne Ouderen heerscht, dan volgen zij dit voorbeeld zeer schielijk naar, en zij leven ook onverschillig jegens hen, aan welken zij de zuiverfte liefde en ware achting verschuldigd moesten wezen.

Vloeken en ontheiligen van Gods naam is [ 54 ] ene afgrijslijke Zonde, en nogthands word dezelve, in deze Landstreken, nimmer tegen gegaan. In alle Huisgezinnen word zulks gehoord. Ouders en Kinderen vloeken beiden even sterk; men beschouwt dit niet als kwaad, het is maar ene gewoonte, en als men 'er geen kwaad oogmerk (intentie) bij heeft, dan doet men 'er geen kwaad mede; onwetend zondigt men niet. Zo redeneert men 'er over. – Ligtvaardig Zweren is zo algemeen, indien niet algemener dan het Vloeken, dit acht men in het geheel niet, men weet niet eens, dat 'er kwaad in steekt. Over het algemeen heerscht 'er onder de Roomschen in de Meiërij enen afkeer tegen verwenschingen, of om iemand of zichzelven kwaad toe te wenschen, dit is zeker prijzenswaardig; doch ik moet omtrent deze misdaden aanmerken, dat de Zeden ten dezen opzigte, op de éne of andere plaats, zeer verschillen, schoon 'er geen enkel Dorp is, waarvan men kan zeggen: men maakt zich aan die Zonden daar niet schuldig.

Het enigste, waarvoor de Roomsche Meiërijënaar vlijtig zorgt, is, om het Bijgeloof op alle mooglijke wijzen voord te planten[6], [ 55 ] en waarlijk – hij is ook bijna nergens anders toe in staat. Men mag de volgende woorden van den Abt Pluche[7] met het volste recht wel op de Meiëijënaars toepassen: "De gehele geleerdheid van het gemene Volk bestaat in die soort van Historie–kennis" (naamlijk van vertellingen van hekzen, van diefstallen, van moorden, van doodstraffen, van wonderlijke dromen, van eunjers, spoken en kaboutermannetjens), "en zulke vertellingen maken diepe kwetzuren in de inbeelding, en brengen 'er dikwerf ene verkeerdheid in te wege, die niet meer te regt te brengen is, of ene vreesächtigheid en ene neiging tot den schrik, die noch door de jaren, noch door de overdenking te genezen zijn." – Verhaal den Meiërij-bewoneren de schoonste, de edelmoedigste en menschlievendste trekken uit het leven van waarlijk grote Mannen, dit zal hen niets roeren, zij blijven koud en ongevoelig; vertel hun integendeel het leven van enen ingebeelden Heiligen, schoon nog zo dwaas en onwaarschijnlijk, gij vindt aandachtige horers niet alleen, maar [ 56 ] uw verhaal word met eens in twijfel getrokken meng in uwe verhalen de ijslijkste en tevens de alleröngerijmdste Spookhistoriën, dan – ô! dan hebt Gij eerst het regte getroffen, men zal niet moede worden om te horen, men zal alles gretig geloven, en vooräl zal men dezelve in zijn geheugen trachten in te drukken, om het ook aan anderen te kunnen vertellen; en wanneer Gij met uw verhaal ophoudt, dan zal men U, zo vriendlijk mooglijk, verzoeken, men zal U dringen, men zal aanhouden, om nog meer dergelijke stukken te verhalen. Hoe wonderlijker, hoe onwaarschijnlijker, hoe ijslijker uwe vertellingen zijn, hoe meer geloof aan dezelve gehecht word. Dit vloeit zeer natuurlijk uit domme onkunde voord; hoe dommer een Sterfling is, hoe gretiger hij is, om het wonderlijke te horen, hoe genegener, om hetzelve als onfeilbare waarheid te omhelzen:

Is het zo slecht met de Opvoeding in de Meiërij onder de Roomschen gelegen, wat wonder dan, dat men daar genen prijs stelt op deugd en braafheid, dat men daar niet deugdzaam is, omdat de deugd haren liefhebberen gelukkig maakt, maar omdat men vele ondeugden (en hoe gelukkig is dit niet?) niet kent. – [ 57 ] Geen wonder, dat men edelmoedige en menschlievende daden 'er in het geheel niet acht. – Geen wonder, dat men ongevoelig is voor het schone. – Geen wonder, dat weinig gezond Menschen–verstand in die streken gevonden word. – Geen wonder, dat bij den Meiërijënaar een sterke trek heerscht naar het verschriklijke, dat hij onmenschlijke tonelen met meer genoegen beschouwt en hoort, dan de schoonste verrigtingen, welke immer ten nutte van het Menschdom kunnen worden aangewend.

Naar dat een Kind word opgevoed,
Daar naar zo schikt het zijn gemoed.
Zuigt Romulus aan een' Wolvin,
Hij zuigt haar' roof- en moordzucht in[8]

  1. Pluche, Schouwtoneel der Natuur. XI. Deel. Bl. 28 – Dit Werk draagt ook den naam van: Schouwtoneel der Natuur door P. le Clercq.
  2. J. F. Stapfer, Grondlegging tot den waren Godsdienst. IV. Deel. Bl. 525.
  3. Reize door de Majorij in 1798. Bl. 116.
  4. Reize door de Majorij in 1799. Bl. 189.
  5. Brieven. II. Deel Bl. #. en zijne Uitgelezene Gedachten. Bl. 2. Het ware te wenschen, dat deze laatste in alle huisgezinnen der Roomsche Meiërijënaars vlijtig gelezen wierden. Zeer vele Priesters in de Meiërij trekken de echtheid der gemelde Brieven in twijfel, enig en alleen, omdat 'er zaken in voorkomen, die tegen hunne aangenome valsche Leerbegrippen strijden. Dit is zeker, dat onder die Brieven enige ondergeschovene zijn, echter zijn zij alle niet valsch. De Taalkundige Lezer kan over dezelve naslaan de symbolae Litterarie Haganae. Class. Pascicul. III. Pag. 647. en J. F. le Bret, Magazin zum gebrauch der Staaten – und Kirchen-geschichte u. s. w. VI. Theil im Vorrede Seite 6.
  6. Zie boven Bl. 23, 24.
  7. Schouwtoneel der Natuur. Deel XI. Bl. 92.
  8. De Gezellige, I. Deel. Bl. 224.