Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Levenswijze

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Huwelijk en Opvoeding Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Levenswijze

Gezellige Pligten


[ 58 ]

LEVENSWIJZE.

Op de Levenswijze mijner Landgenoten valt weinig of niets te roemen. – Ik zal dezelve met weinige trekken schetzen, en zo wel het lof- als het lakenswaardige met weinige woorden, naar waarheid, aftekenen.

De Meijërijënaars leven, over het algemeen, zeer sober en matig; zij eten eenvouwige maar meestäl voedzame spijzen, hierdoor zijn zij gewoonlijk gezond en sterk, en gehard tegen zeer vele ongemakken, vooräl wijl zij aan enen gestadigen en zwaren arbeid gewoon zijn. Aan ledigheid zijn zij weinig overgegeven, [ 59 ] omdat zij genoodzaakt zijn, om te werken, willen zij eten. Overdaad word onder hen weinig gevonden, en dit is ook niet wel mooglijk, dewijl zij te weinig bezitten, en te weinig verdienen kunnen, om in lui- en ledigheid, in weelde en overdaad hunne levensdagen af te slijten. Men moet echter ook, wil men der waarheid recht laten wedervaren, bekennen: dat in de Levenswijze der Meiërijënaars ene grote verandering omtrent de weelde is voorgevallen, en dat 'er onëindig meer gelds onder hen nutloos verkwist en verteerd word dan wel voorheen; men gaat al van lieverlede enen stap vender, en zaken, die men voor weinige jaren in het geheel niet, of maar slechts in naam kende, zijn thands niet alleen bekende en gewone, maar zelfs noodzaaklijke dingen geworden. 'Er worden 'er reeds velen gevonden welke ook al tot die dwaze gedachte vervallen, dat niets goed kan wezen, ten zij het veel kost; dit is echter ook zeker, dat 'er vele Huisgezinnen, schoon meer vermogend, gevonden worden, waarin men nog de oude prijswaardige matig- en spaarzaamheid in spijze en drank in acht neemt.

Over het algemeen worden 'er weinig [ 60 ] Dronkaarts gevonden, alhoewel de éne of andere plaats in dit stuk zeer veel verschilt; maar hetgeen volstrekt af te keuren is, is dit, dat men op Zon- en Heilige dagen het grootste misbruik maakt van Bier en sterke Dranken. Men heeft op zulke dagen volstrekt niets te doen; men weet van gene behoorlijke en aangename onschuldige uitspanningen; derhalven schiet 'er niets overig, dan dat men zich, na het aanhoren der Misse, in Kroegen en Herbergen begeve, en daar, onder een glas Bier en Jenever, den kostlijken tijd vermoorde, of dat men zich in dezelve vermake met Kaartspelen. Deze gewoonte is nogthands niet algemeen. – Men zal in de week zeer zelden enen Dronkäart langs straat zien waggelen, maar wel des Zondags, want men kan dan bijna op gene andere wijze den tijd, die dan ontzaglijk verveelt, doorkomen. Leerzame gesprekken kent men niet; voor het Lezen van een nuttig Boek is men niet berekend, vooräl zo 'er bij gedacht moet worden; zo men al iets leest, dan is het: Thyl Uilenspiegel; Valentijn en Oursson; De vier Heemskinderen; Doctor Faustus; De destructie van Jerusalem; Jan Mandevyl; Den Troost der Zielen in het [ 61 ] Vagevuur; en dergelijke zotte Prulschriften welke men echter heilig gelooft. – Komt met des Zondags bij één, dan weet men over niets anders te spreken, dan over de daaglijksche bezigheden, en die verveelt zeer schielijk; men neemt dan zijnen toevlugt tot het spelen met Kaarten, hieröp zijn velen al te zeer verslingerd. – Wilde men deze misbruiken, en dus ook het ontheiligen van den dag des HEREN voorkomen en uitrooiën, dan moest men aldaar onschuldige aangename uitspanningen weten in te voeren, welke enen sterken invloed op het hart maakten, en dezelve van tijd tot tijd veränderen, anders zouden zij schielijk vervelen, en men zou zeer spoedig tot het oude wederkeren.

Slordig en Morssigheid zijn twe hoofdgebreken bijna in alle Huisgezinnen[1]. Wanneer 'er een Kermis op handen is, dan zijn alle Vrouwtjens in beweging, om hare Huizen schoon te maken. Op Zon- en Feestdagen brengt men het vertrek, waarin men woont, wat in orde voor het overige zorgt men 'er nier meer voor de zindelijkheid. – Dit komt misschien voord [ 62 ] meer uit noodzaaklijkheid, dan wel verkiezing, dewijl ook de Meiërijsche Vrouwen, vooräl de Boerinnen, de handen zó vol hebben aan haren daaglijkschen arbeid, dat de net- en zindelijkheid moet achter staan. – Eindelijk – Velen zijn zó zeer aan Slordigheid overgegeven, en de Morssigheid is door gewoonte zó veröuderd, dat men 'er geen kwaad meer in zien kan.

De kleding der beide Seksen is in de Meiërij niet bevallig, alhoewel de Mode (indien ik het zo eens noemen mag) bijna op elk Dorp hier in verschilt. Voorheen was alles zeer eenvouwig, thands echter neemt, helaas! de pracht, hand oyer hand, zeer sterk toe; en dit strekt voor velen ten bederve. De begeerte, om boven anderen in kleding uit te munten, is ook in mijn Vaderland een hoofdgebrek; men kleed zich boven zijn vermogen, en dit heeft vooräl plaats, dit is bijna overäl zo, onder jonge Luiden; dit is echter allernadeligst, en men kan de bewijzen voor dit gezegde zeer wel uit het volgende opmaken. – Voor men getrouwd is, kleed men zich zo kostbaar, als men kan, vooral zoekt men bij den ondertrouw, in klederpracht te munten, men berekent niet, [ 63 ] of men het weinigjen Gelds, dat men bezit, niet tot een beter einde zou kunnen besteden, ô neen! maar pas getrouwd zijnde, dan ondervind men te laat, hoe dwaas het is, om al het geen men bezit, aan de hovaardij op te offeren; men is zeer schielijk genoodzaakt om alle goud, zilver en zomtijds zelfs klederen te verkopen, wil men eten. Men moet van dit laatste de meer vermogenden uitzonderen, alhoewel ook deze zich door de pracht zeer benadelen.

Eindelijk. – De Meiërijënaar munt niet uit in fraië Kunsten en Wetenschappen; Geleerdheid word bij de Roomschen in mijne streken niet gevonden[2]. Herinner U, het geen ik boven[3] over het Ongeloof en de Opvoeding gezegd heb, en het zal niemand langer vreemd voorkomen, dat men aldaar in deze stukken niet alleen niet uitmunte, maar zelfs niet eens middenmatig is. – Kunsten en Handwerken worden 'er altijd op den ouden voet beöeffend; men zoekt naar gene verbetering. Ouderen en [ 64 ] Vooröuderen hebben op dezelfde wijze geärbeid en den kost daardoor gehad, en waaröm zouden hunne Kinderen dan niet op dezelfde wijze voordgaan[4]? Misschien komt hierïn nimmer enige verändering.

Ieder Menschenvriend moet bij zich zelven wenschen, dat 'er eens ten dezen opzigte ene grote verändering in de Mëiërij moge voorvallen, dat 'er Kunsten en Handwerken bloeiën mogen; dat ware Geleerdheid 'er worde ingevoerd; dat alle Verkwisting en Overdaad eens ophoude; dat Slordig- en Morssigheid eens met Net- en Zindelijkheid verwisseld worde. – Met korte woorden: Dat 'er ene gehele verändering, in Zeden, Kunde en Levenswijze spoedig doorbreke.

Ik, wil hier, voor mijne Landgenoten, de volgende Gezondheid- en Levens-regelen uit den Gezelligen[5] bijvoegen;

[ 65 ]  Indien Gij lang gezond wilt leven,
 Vlied Gramschap, Droefheid; Zorg en Nijd!
 Want die zijn' drift niet wil weêrstreven,
 Leeft stervende en sterft voor zijn' tijd.

 Verzaad U noit in middag-spijzen!
 Uw Avondmaal zij haast gedaan!
 Dit is de les der Waereldwijzen;
 Natuur eischt weinig tot bestaa

 Drink noit, verhit, te koele dranken!
 Verwarm U, koud, noit boven maad
 De onmatigheid maakt vele kranken;
 Te veel verändering is kwaad.

 Beweeg U veel! maar spaar uw krachten
 Slaap nimmer langer, dan 't behoort!
 De bevigheid krenkt alle magten;
 Te lange rust brengt ziekte voord.

[ 66 ]  Beteugel uw' genegenheden!
 En ken U-zelven! Houd maat!
 Volg uw' natuur! Gebruik uw' Reden!
 Zo blijft Gij lang gezond in staat.

  1. Reize door de Majorij in 1798. Bl. 115
  2. Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jare 1798. Bl. 72 en 77.
  3. Bladzijde 37, 38 en 52.
  4. De meergemelde Reize in 1798. B. 74. en de Reize in 1799. Bl. 59, 60 en 188.
  5. IV. Deel. Bladz. 296. – Mogten de Meiërijënaars ook dit Werk vlijtig leze en 'er naar leven, ô dan zouden zij tot; ware Gezelligen, ware Menschenvrienden herschapen worden!