Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw/Gezellige Pligten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Levenswijze Gedachten over de Meiërij van 's Hertogenbosch en derzelver inwoners, bij het begin der negentiende eeuw (1801) van [[Auteur:|Onbekend]]

Gezellige Pligten


[ 67 ]

GEZELLIGE PLIGTEN.

"DeMensch," zegt Paus Clemens XIV[1], "vertoont zich in zo vele verschillende gedaanten; hij verénigt in zich zo vele strijdigheden, dat hij noodzaaklyk heeft moeten schijnen, of een geheel Hemelsch Schepsel, of een geheel dierlijk Wezen. Door zijne Ziel is hij, op de heerlykste en innigste wyze, aan God verknocht door zijn Ligchaam deelt hij, op de vernederendste en gevoeligste wyze, in het Niet." Vertoont zich [ 68 ] de Mensch in vele verschillende gedaanten, dan moet dit ook zeker plaats grijpen in zijne Gezellige Pligten. Ik zal hier eens onderzoeken, of mijne Landsgenoten die Pligten, ten minsten enigen der voornaamsten, behoorlijk betrachten, en of zij derhalven hierin te laken of te prijzen zijn.

Zal het leven der sterflingen ene onäfgebrokene reeks van gezellige pligten wezen, zal men dezelve op prijs stellen, dan behoort de Verkering en Omgang met Menschen, dunkt mij, hiertoe den grond te leggen. "Door de Verkering met andere Menschen leren wij spreken; wij verkrijgen het gebruik der Reden; verbeteren alle onze Zielvermogens; verkrijgen kennis van alle Kunsten en Wetenschappen; wij leren de Deugden, en worden bekwaam tot alle Menschlijke bezigheden en Zeden: bijgevolg kunnen wij ook alle deze voordelen, aan andere Menschen, door onze Verkering met dezelven, verschaffen[2]." Maar – zal de Verkering dit einde bereiken, dan behoort zij gul, oprecht, [ 69 ] vriendlijk, leerzaam en onderhoudend te wezen; dit alles heeft echter in de Meiërij gene plants, want men komt weinig bij elkanderen, uitgenomen des Zondags, of in de lange Winteravonden, en dan bestaat de gehele Verkering, gelijk ik zeide[3], in bet verhalen van allerlei zotte bijgelovigheden. Die Verkering is echter, zo Gij wilt, gul en oprecht, wanneer men naamlijk deze woorden in dien zin opvat, dat men 'er onbeschaafdheid door verstaat, en dat een ieder spreekt, zo als hij denkt. Het leerzame, het onderhoudende word 'er niet in gevonden, hiertoe zijn zij, wegens hunne Opvoeding, niet berekend.

Beleefdheid en Dienstvaardigheid zijn twe gezellige pligten, waarop de Meiëijënaar meer roem mag dragen, ja waaröp hij zelfs aanspraak kan maken. Dit is zeker, dat zij altijd elkanderen, wen zij zich ontmoeten, of wen zij een huis intreden, of weêr verlaten, op ene vriendlijke wijze, enen goeden dag, morgen of avond zullen toewenschen; doch zeer zelden zullen zij den Hoed van het hoofd nemen, of het moet wezen voor iemand, dien [ 70 ] zij voor iets meer dan enen anderen beschouwen. Zij zijn zeer dienstvaardig, zelfs zonder veel eigenbelang, en hierin beschamen zij zeer vele bewoners in andere streken van ons Vaderland. Hebt Gij ergens, waar een Meiërijënaar zich naar toe meet begeven, iets te verrigten, iets te bezorgen, Gij kunt veilig staat maken, dat hij het doen zal, zonder 'er iets voor te eischen; hij zal U, na zijne wederkomst, met genoegen van zijne verrigtingen verslag geven; prijst Gij hem, toont Gij, dat Gij met zijne verrigtingen te vreden zijt, dit is voor hem beloning genoeg, en – voegt Gij bij dit alles ene pijp Tabak, enen kop Koffie, ene Borrel of glas Bier, dan is hij niet alleen dubbel vergenoegd en beloond, maar hij zal U zelfs nog bedanken. – Een Vreemdling, die onkundig is van den weg, of van denzelven afgedwaald is, zullen zij op alle mooglijke wijzen te regt zoeken te brengen; zelfs ontzien zij zich niet, om, wanneer de weg moeilijk te vinden is, of 'er vele bijwegen zijn, een stuk wegs mede te gaan. Dit is ene prijzenswaardige hoedanigheid van de meeste Meiërijënaars. Van den anderen kant is dit ook zeker, dat de Boeren, die digt bij 's Bosch [ 71 ] wonen, veel minder beleefd- en dienstvaardigheid bezitten; dit schijnt uit deze twe oorzaken te ontstaan: 1. omdat zij zichzelven, door den gedurigen omgang met de Stedelingen, als noodzaaklijke wezens beschouwen, zonder welken men niet leven kan; 2. omdat zij eniger mate de gewoontens der Stedelingen naarvolgen en aannemen: dit is immers, over het algemeen, zeker, dat op het platte Land altijd meer dienstvaardigheid gevonden word, dan in de Steden.

Voor Vriendschap, de edelste aller menschlijke hartstogten, zijn zij niet vatbaar. – Zo lang de Meiërijënaar in den staat der kindsheid verkeerd, ook even zo lang schijnt 'er ene zekere genegenheid, of, zo als men het zoude kunnen noemen, Vriendschap jegens zijne speelgenoten bij hem te heerschen; maar deze edele hartstogt verflaaawt, bij het klimmen der jaren, en sterft, helaas! eindelijk geheel en al weg. Dit schrijf ik aan twe oorzaken toe: 1. aan de Opvoeding, welke, gelijk wij bove[4] gezien hebben, niet ingerigt is, om edele driften, menschlievende gevoelens, in te [ 72 ] boezemen; 2. aan de dagelijksche beslommeringen waarin zij onöphoudenlijk verkeren. Zij hebben zo veel met hunne eigene zaken te doen, dat zij om niets anders denken, zich om niets anders bekommeren. Het is hun onverschillig, hoe het met anderen gaat, wen zij maar hunne eigene zaken kunnen in orde houden, en hunnen eigenen staat en omstandigheden kunnen verbeteren. – Ik voeg hier, ten opzigte mijner Landsgenoten, ja van het gansch Menschdom, dezen hartlijken wensch, welken ik geheel den mijnen maak, bij: "Kom Vriendschap, zoete, lieflijke, Godlijke Vriendschap, en beziel het geslacht der Menschen zo zal het geslacht der Menschen gelukkig zijn[5]!"

De Waarheid, dat is: ene ware opregtheid in onze woorden, word in de Meiërij weinig op prijs gesteld, en dit word alleen veröorzaakt, omdat die Leerstukken onder de Roomschen, vooräl in dit Land, heerschen, dat ene leugen, om best wil, gelijk men ze noemt, altijd en in alle omstandigheden geöorlofd is; en ook – dat men enen Ketter geen geloof [ 73 ] behoeft te houden[6]. Hier komt bij, dat den Priesteren de magt word toegeschreven, om alle Zonden, ja! zelfs enen valschen Eed, te vergeven; men behoeft derhalven genen valschen Eed, gene onwaarheid, hoe ook genoemd, te schuwen! zo zij al kwaad zijn, zo heeft men nogthands van den Priester, voor ene geringe Boetdoening, of voor een stuk Gelds, vergeving te wachten. Wat komt het 'er dan ook op aan? – Want na de vrijspraak (absolutie) is men weer zo goed, zo zuiver, zo rein en heilig, als van te voren.

In de Meiërij heerscht zeer weinig Menschlievendheid. Men zou denken, als men hoort, met hoe veel ophef een Roomsche van Goede werken spreekt, dat hij een schitterend voorbeeld van zuivere Menschenliefde wezen zoude; doch zo men dit denkt, dan bedriegt men zich[7]. Het eigenbelang heerscht over de Menschlievendheid; men wil wel Goede werken doen, maar zij moeten niet met vele moeite verzeld gaan, en men moet rekenen, dat men 'er altijd iets bij wint. Dit is echter zeker: [ 74 ] Wie zijnen Vriend of Vijänd weldaden bewijst, en daarvoor van hem weldaden voordert, diens weldaad verliest daardoor reeds de innerlijke waarde[8] – Ook moeten Goede werken niet veel kosten, uitgenomen aan de Priesters, hoe meer dit kost, hoe beter dit is. – Een Bedelaar word dikwijls met een: God helpe U! weggezonden, hoe groot ook zijn nood is. Bij de Prorestanten in deze streken heerscht meer Menschenliefde; nog nimmer zag ik (het getal der Bedelaars vermeerdert thands in deze streken dag bij dag) van hun enen Bedelaar, zonder ene gift, al was dezelve nog zo klein, Wegzenden. – Ene daad van ware Menschlievendheid moet ik hier bijvoegen, daar dezelve tot nog toe der vergetenheid schijnt toegewijd. Men zou zeker van dezelve enen groten ophef gemaakt hebben, maar de Uitvoerer 'er van was een Hervormde, en dit alleen is genoeg, om ze der vergetenheid toe te wijën. Ik wil ze echter, zo dit mooglijk is, der vergetenheid thands [ 75 ] ontrukken. – In de Maand Februarij 1795. stond de Stad 's Hertogenbosch, gelijk bekend is, door ene Overstroming, voor het grootst gedeelte onder water. Een zeker jongeling, met naam JOSEPH KAM (waaröm zou ik zijnen naam verzwijgen), niet arm en ook niet rijk, winnende met zijne handen den kost, voer bij die gelegenheid met een Schuitjen overäl rond, om voor de Luiden, die wegens het water op hunne Bovenwoningen gevlugt waren, boodschappen te doen, en liet zich hiervoor ook betalen, doch al het Geld, dat hij hiermede verdiende, besteedde hij aan Brood, en bragt hetzelve aan arme Menschen, zonder 'er énen Duit voor te vragen, welke hij daardoor niet alleen voor gebrek, maar ook voor den dood bevrijdde. – Hoe schoon is niet deze daad! dezelve is boven alle beloning verheven! – Hij heeft 'er ook gene andere beloning voor gezocht of ontvangen, dan de bewustheid van wel gedaan te hebben, en deze beloning is alleruitmuntendst, "de bewustheid van iets goeds gedaan te hebben, edele handelingen verrigt te hebben, is de grootste gelukzaligheid, waarvoor een Mensch in dit [ 76 ] leven vatbaar is[9]." – Ja ook – "Hoe gelukkig is hij, die gewoon is vergenoegd te wezen, wanneer zijn eigen hart hem zegt: Gij zijt goed! Die zich boven allen lof en laster verheven acht, betere beloningen ten gemoete ziet, en met zeer vele gelatenheid aanziet, dat men prijzen aan anderen uitdeelt, en bij zichzelven denkt: Ik bezit meer dan zij! [10]!!" – Zulk een charakter bezit JOSEPH KAM! – Achtingwaardig Jongeling! Mogten 'er velen gevonden worden, die uw lofwaardig voorbeeld naarvolgden!!

Eindelijk voeg ik hier nog, als enen gezelligen pligt, de Dankbaarheid bij; zij bestaat in ene liefde jegens onzen Weldoener, wegens weldaden, die hij ons bewezen heeft, in ene liefde welke niet alleen in woorden moet bestaan, maar die vooräl door wederkerige diensten altijd levendig moet blijven en nimmer verflauwen. – Deze schone, en het Menschdom zo verërende, pligt word onder de Meiërijënaars [ 77 ] nauwlijks gekend. Wen een Roomsche in deze streken ene weldaad ontvangt van wien het ook zij, dan zal hij zijnen Weldoener wel met woorden voor dezelve bedanken, hij zal zelfs heilig beloven, om ze bij gelegenheid te vergelden, en ze nimmer te vergeten; maar naauwlijks heeft men den rug gekeerd, of de weldaad is uit het geheugcn vervlogen, als of zij noit bewezen ware, en zij word niet meer herdacht. Dit moet zeer natuurlijk plaats hebben onder Menschen, die geen gevoel bezitten voor het goede en deugdzame, welker Opvoeding allerschandelijkst verwaarloosd word. Maar het geen mjjne bewondering vaak gaande gemaakt heeft, is dit: dat de Roomsche Meiërijënaar zelfs schaamteloos genoeg is, om, schoon hij, tegen alle beloften aan, noit aan zijnen Weldoener gedacht, of denzelven enige vergeldende dankbaarheid betoond heeft, zich weder bij hem, als men eens weder zijne hulp nodig heeft, te vervoegen, en deszelfs bijstand in te roepen. Nimmer is echter de ondankbaarheid groter, dan wanneer de Roomsche ene weldaad van enen Hervormden ontvangen heeft; aan enen Ketter is men gene wedervergelding ten goede schuldig. Ik zou dit met [ 78 ] voorbeelden, in deze dagen voorgevallen, kunnen staven, doch ik wil hier dezelve stilzwijgend voorbijgaan. – Enige weinige uitzonderingen hebben hier echter plaats; men vind onder de Roomsche Meijërijenaars enen enkelen dankbaren sterfling, gelijk uit het volgend voorbeeld ten duidlijksten blijkt: In den jare 1794. wierd een Predikant in de Meiërij door enige Franschen geplunderd, en van veel goed beroofd, zo dat hij noch geld, noch levensmiddelen overhield; vele Roomschen zagen dit met genoegen, alleen een Timmerman van denzelfden Godsdienst, een man, die zijne handen vol had, om voor zijne Vrouw en Kinderen den kost te verdienen, en welken die Predikant eens in ene netelige omstandigheid geholpen had, dit horende, kwam bij denzelven, en bood, wijl die Predikant hem eens wezenlijken dienst had gedaan, denzelven al het geld aan, dat hij bezat; hij had het reeds in zijne hand, en wilde het met geweld den Hervormden Leeräar opdringen, doch de Leeraar, door deze dankbaarheid getroffen, weigerde het, wetende, dat die man zijn geld meer nodig had dan hij. Dit is het enige voorbeeld, zo ver mij bekend is, van enen [ 79 ] dankbaren Roomschen jegens enen Hervormden. – Een voorbeeld alle naarvolging waardig, en derhalven overwaardig, dat het der vergetenheid ontrukt worde.

Ten Slotte voeg ik hier enige Zedelessen bij uit een meer gemeld voortreflijk Werk[11], verzeld van dien hartlijken wensch, dat alle mijne Landsgenoten, vooräl mijne Medemeiërijënaars, zo zij, gelijk ik vurig hoop, dezelve lezen (en waaröm zouden zij dezelve niet lezen, zij behelzen niets, dat tegen Godsdienst of gezonde Reden strijd), dezelve dan ook diep in hunne harten mogen drukken, en ze volvaardig opvolgen, dan zullen zij niet alleen de roem worden van ons Vaderland, maar ook van het geheel Menschdom. – – Mijne Mede-Meiërij-bewoners!

Leeft oprecht en vroom te vreden,
Stil en nedrig voor uw' God!
Houdt den Godsdienst en gebeden
Voor uw lieflijkst zielgenot!
Schuwt een lui en ledig leven!
Wilt naar uw beroep en pligt,
Vrolijk, vol van ijver, streven!
Wandelt in het heilig licht!

[ 80 ]

Mijdt de Staats- en Kerk-krakelen,
Vol verleiding en gevaar!
Laat de Deugd U noit vervelen,
Schoon ze moeilijk valt en zwaar!
Hebt Gij Ouders, Vriend o f Magen,
Die U steeds ten besten raên;
Toont die eerbied alle uw' dagen,
Dan zal 't U voorspoedig gaan!
Mint de Waarheid! Haat den logen,
Die U ten verderve leid!
Prijst verdienste en schuwt den laster!
Toont dat Gij de Deugd bemint!
Denkt: de Waerelt staat niet vaster,
Dan de wankelbare wind! -
Dit geprent in uwe zinnen,
Vloeit U alle dink naar wensch.
Die zijn driften kan verwinnen,
Is een regt gelukkig mensch!

  1. Brieven. III Deel. Bl. 49. en zijne Uitgelezene Gedachten. Bladz. 84.
  2. G. F. Meier, Philosophische Zedenkunde. Deel III. Bl. 310.
  3. Zie boven Bl. 24, 25.
  4. Bladz. 51.
  5. M – . Ene Hand vol Menschenvreugde, Bl. 102.
  6. Reize door de Majorij in 1798. Bladz. 118.
  7. Reize in 1799. Bladz 192.
  8. Mengelwerken van Fredrik van der Trenk, I. Deel. Bladz. 154.
  9. A. Sterk, Weekblad voor Neerlands Jonglingschap. Deel II, Bladz. 202.
  10. M – . Ene hand vol Menschenvreugde, Bladz. 49.
  11. De Gezellige. IV. Deel. Bladz. 128.