Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 78 )

dene- voorbeelden, in deze dagen voorgevallen, kunnen ſtaven, doch ik wil hier dezelve ſtilzwijgend voorbijgaan. – Enige weinige uitzonderingen hebben hier echter plaats; men vind onder de Roomſche Meijërijenaars enen enkelen dankbaren ſterfling, gelijk uit het volgend voorbeeld ten duidlijkſten blijkt: In den jare 1794. wierd een Predikant in de Meiërij door enige Franſchen geplunderd, en van veel goed beroofd, zo dat hij noch geld, noch levensmiddelen overhield; vele Roomſchen zagen dit met genoegen, alleen een Timmerman van denzelfden Godsdienst, een man, die zijne handen vol had, om voor zijne Vrouw en Kinderen den kost te verdienen, en welken die Predikant eens in ene netelige omſtandigheid geholpen had, dit horende, kwam bij denzelven, en bood, wijl die Predikant hem eens wezenlijken dienst had gedaan, denzelven al het geld aan, dat hij bezat; hij had het reeds in zijne hand, en wilde het met geweld den Hervormden Leeräar opdringen, doch de Leeraar, door deze dankbaarheid getroffen, weigerde het, wetende, dat die man zijn geld meer nodig had dan hij. Dit is het enige voorbeeld, zo ver mij bekend is, van enen

dank-