Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/85

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 77 )

nauwlijks gekend. Wen een Roomſche in deze ſtreken ene weldaad ontvangt van wien het ook zij, dan zal hij zijnen Weldoener wel met woorden voor dezelve bedanken, hij zal zelfs heilig beloven, om ze bij gelegenheid te vergelden, en ze nimmer te vergeten; maar naauwlijks heeft men den rug gekeerd, of de weldaad is uit het geheugcn vervlogen, als of zij noit bewezen ware, en zij word niet meer herdacht. Dit moet zeer natuurlijk plaats hebben onder Menſchen, die geen gevoel bezitten voor het goede en deugdzame, welker Opvoeding allerſchandelijkst verwaarloosd word. Maar het geen mjjne bewondering vaak gaande gemaakt heeft, is dit: dat de Roomſche Meiërijënaar zelfs ſchaamteloos genoeg is, om, ſchoon hij, tegen alle beloften aan, noit aan zijnen Weldoener gedacht, of denzelven enige vergeldende dankbaarheid betoond heeft, zich weder bij hem, als men eens weder zijne hulp nodig heeft, te vervoegen, en deszelfs bijſtand in te roepen. Nimmer is echter de ondankbaarheid groter, dan wanneer de Roomſche ene weldaad van enen Hervormden ontvangen heeft; aan enen Ketter is men gene wedervergelding ten goede ſchuldig. Ik zou dit met verschei-

dene