Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 38 )

heid te vinden is; ſpreekt men derhalven met hun over het een of ander Godsdienſtig gevoelen of plegtigheid, en toont men op onwederlegbare gronden de valschheid derzelve aan, men zal echter geen geloof vinden, omdat de Belijder van den Roomſchen Godsdienst in die ſtreken dus redeneert of denkt: "Een Hervormde belijd enen valſchen Godsdienst, en in enen valſchen Godsdienst is niets waars te vinden; hij is een Leugenaar, wijl hij enes valſchen Godsdienst voor den enigen waren houd, en die in één ſtuk een Leugenaar is, die is het in alles." – Wegens deze vooröordelen kan of wil men de waarheid niet toetzen en dezelve van valschheid onderſcheiden. 'Er ſtaat dan zeer veel in den weg, om het Ongeloof daar zijne kraght te benemen.

Men kan hier bijvoegen, dat de Roomſchen elken Proteſtant, beſchouwen als enen Ongelovigen, of zo als zij zich gewoonlijk (want dit woord ſchijnt in hunnen mond beſtorven te zijn) uitdrukken – als enen Ketter[1], om-

dat

  1. Sommigen leiden ons woord Kettter af van het Griekſche Katharos betekenende: zuiver, rein, oprecht, onverweegt. Vide F. A. Lampe, Histor. Eccleſiaſt. Pag. 120. Zo

de-