Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 22 )

eindelijk bid de Priester ééns in het jaar voor den Geſtorvenen, dit geſchied zo lang, als de Ziel in het Vagevuur verkeert, en het is mij altijd als iets aanmerklijks voorgekomen, dat hoe rijker iemand in zijn leven geweest is, hoe langer zijne Ziel in het Vagevuur blijft, want de Priesters (dit hebben verſcheidene Roomſchen mij plegtig verzekerd) weten zeer naauwkeurig den tijd, hoe lang ene Ziel in den ſlaat der zuivering moet verkeren. Een Priester kan derhalven zo lang de Ziel des Overledenen, of liever de Beurs der levende Naastbeltaanden pijnigen en vagen, als hij wil. – Ik kan dit met de Leer der Roomſche Kerk ook niet wel ſamenknopen; want tijdlijke voorſpoed is een kenmerk van die Kerk, derhalven hoe meer vermogen iemand bezit, hoe ſterker het bewijs, dat hij zeker een eght en waar Lid derzelve is; en hij nogthands, die dat kenmerk hezit, moet het meest lijden. Het eigenbelang heeft dit gevoelen onder de Roomſchen verſpreid. – Alle de zo even gemelde zaken, hebben omtrent Kinderen gene plaats; voordeel zit op dezelve, voor zij hunne belijdenis afgelegd hebben, voor den Priester niet op. Hoe meer Ledematen, hoe meer bijvalletjens, en

om