Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 32 )

blinden ijver, de bijgelovige overleveringen hunner Vooröuderen aankleven, zo willen zij ook anderen hunne grondſtellingen opdringen; zij wanen, dat elk, – – – – – – , verpligt zij, hunne Leer, die reeds zó lang is aangenomen, en ook reeds zó oud is, aan te nemen. Zij denken niet, dat ene dwaling al zeer oud kan zijn[1]". – Uit dit alles vloeit dus, mijns achtens, voord, dat men diene te waken tegen alle ſoorten van Bijgeloof; en vooräl dient 'er gezorgd te worden, dat door hetzelve geen Sterfling onderdrukt worde.

Uit dit Bijgeloof volgt zeer natuurlijk Dweperij, en deze ſtrekt zich bij den Meiërijenaar ontzaglijk ver uit. – Vrees voor Geesten, Spoken en allerlei ongerijmde dwaasheden, en vooräl de vrees voor her Vagevuur, is een heerſchend gebrek, waarvan geen één Roomſche in de Meiërij bevrijd is. Dit laatſte is zeer wel te dulden, dewijl het één der voornaamſte en voordeligſte Leerſtukken der Roomſche Kerk is; maar het eerſte ontſpruit enkel en alleen uit domme onkunde, welke om des voordeels

wil

  1. De Mensch. X. Deel. I. Stuk. Bl. 311, 312.