Gezelle/Courtrai

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het getouwe * 91 Courtrai van Guido Gezelle Wierook * 93
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Het vierig gedrochte,
geklauwd in de schenen,
     geweldig geschuifel
     ontlatende, vliegt,
van Lendlee, te Leye- en
te Kortrijkwaard henen,
     met mij in zijn lanken,
     gehutst en gewiegd.
Daar zitte en aanschouwe ik,
in ‘t wolklooze westen,
     de zonne, de groote,
     de roode, die vaart,
zoo vast als ik vare, en
die de uiterste vesten
     des werelds in brande
     steekt. Alles, of waar't,
doorberst en doorberrent
zij: huizen en koten,
     en kerken ontsteekt zij,
     en laat ze, in nen niet,
weêr duister, om, verder
en verder geschoten,
     naar Kortrijk te varen.
     - Wat is er geschied?
‘k en zie mij noch zonne,
noch boomen meer branden:
     is ‘t vaartuig aan ‘t zinken,
     met allen aan boord?
Wat hoore ik voor vreemde
geruchten? - Wij landen:
     "Courtrai!" ‘t Is al schuiflen
     en fransch, van nu voort!

10/70/1895