Gezelle/De donderroe

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oorloge * 84 De donderroe van Guido Gezelle Brand! * 86
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

     De scherpe donderroe verdreegt, of waar ‘t,
     het wolkenschip, daarin de donder vaart,
     te booren door den boeg. Het zwerk alom
is zwangergaande; zwaar, de zwarte hemelkom.

     Gezwegen wordt er heind en verre. ‘t Is
     benauwelijk, als in een vangenis,
     daar, angstig, iedereen ‘t gerucht verwacht
des grendels, en den roep des doods, te middernacht.

     Een kruise, schielijk, elk een kruise haalt,
     te borste van den hoofde... Neder straalt
     de bliksem: bulderend de donder dan
bebast de bevende eerde, al dat hij bassen kan.

     Wel honderd bommen, al medeens gelost,
     herhalen ‘t bassen: ‘t huilt en ‘t hossebost,
     en ‘t ratelt, overal, in ‘t wolkenschip,
daarin de donderroe duwt heuren glavietip.

     Hij vlamt het vier daaruit omhoogevonkt;
     de wolken breken los, de regen ronkt,
     en ‘t giet, en ‘t golpt, en ‘t geult, ‘t is zonder eind.
"God zegent," zegt het volk, "de dondervlage." ‘t Reint.

15/10/1896