Gezelle/Elisabeth

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Arm huisgezin * 15 Elisabeth van Guido Gezelle Leu XXme siècle * 17
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

     Gij pleegt een edel liefdewerk, voorwaar,
wanneer gij, bij des winters wilde razen,
weldadiglijk uw' vrije vensterglazen,
     de bane langs, in ‘t diepste van het jaar,
     vol hemelschoone blomgewassen zet,
weledele vrouwe, en zuiverlijke Elisabeth!

     Ik ben uw arme bidder: ‘k hebbe dorst,
en honger; achter strate moet ik varen,
verarmoed en veracht; en, voor de jaren
     verstijven hand en voet mij, van den vorst;
     maar gij, o koninklijke Elisabeth,
van blommen hebt gij milde ‘en maaltijd voorgezet.

     Och ja, ge zoudt mij helpen, vroege ik om
nen troost, in mijnen dorst, in mijnen honger;
gij lauwen zoudt de locht, die mijne longer
     in ‘t leven houdt, en ‘k ware u willekom:
     maar liever zie ‘k uw' blommen, daar gezet,
als alle gaven, giftelijke Elisabeth!

     ‘t Is omgewend, het wonder, dat weleer
verwisselde in geplukte roozenblâren
hetgene een' koningin den bedelaren
     was dragende, bespied van haren Heer
     en koning: ate en drank, Elisabeth,
zijn de edele blommen mij, die ge in uw venster zet!

9/4/1895