Gezelle/Het borelingske

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sempervivum tectorum L. * 30 Het borelingske van Guido Gezelle Boomen * 32
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Zijn tandelooze mond
lacht lieflijk; ongewonnen
zoo is het woord hem nog,
en ‘t weten onbegonnen
     van mannelijk verdriet,
     van vrouwelijk misbaar:
     een kerstekind en is ‘t,
     een borelingske maar.

o Mochte ‘t, immer voort,
eenparelijk verblijden;
een borelingske zijn,
dat lacht, ten allen tijden,
     zoo ‘t nu doet; onbewust,
     het muilke rood en rond,
     waarom zoo lustig lacht
     zijn tandelooze mond!

Zijn tandelooze mond
zal, eenmaal, tanden moeten;
‘t zal woorden spreken; ‘t zal
‘t zoet wichtje, eens, wel ontzoeten;
     ‘t zal wakker worden, en,
     gewassen, meer als eens,
     zijne oogen wasschen, naast
     de bronnen des geweens.

6/10/1896