Gezelle/Het hingstdier

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Peren * 109 Het hingstdier van Guido Gezelle Wit en zwart * 111
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Uit zijn groote longerpijpen
     rookt het ros, dat ‘t schaûwe geeft;
stampvoets stoot het, stijf en stevig,
     dat de stompe steenweg beeft:
sterk van lijve, staal in de ooge,
          kop omhooge,
          huis ondrooge,
     voorwaards voert het, nij'g en trotsch,
     ‘t hossebossend wielgeklots.

Vriezen mag het, zonnebranden,
     duister zijn, of helder dag;
ruw de weg, of effen; dapper
     slaan of niet, de geeselslag,
pinnen zal me ‘t hingstdier, moedig,
          trage of spoedig,
          kittelbloedig:
     deizen, dat en doet het niet,
     alzoo lang het bane ziet.

Edel dier, der Sassen vreugde,
     geren zie ‘k u lustig gaan;
geren zie ‘k den last u volgen,
     geren zie ‘k uw' schoonheid aan,
denkend hoe, bij vroeger dagen,
          rossen lagen
          neêrgeslagen,
     vielen voor het autaarvier,
     zwolten in hun bloed, alhier.

Neen, en valt geen' valsche goden,
     schoone peerden, meer ten zoen;
dient den mensche, en laat de menschen,
     die gij dient, geen' dere u doen.
Die u, hingstdier, moegesmeten,
          zonder eten
          kan vergeten,
     zulk een mensch, na mijnen zin,
     zelve een dier is, meer noch min.

God en doemde u niet ten kwade,
     God en hiet u kwellen ooit;
zij de krebbe u wel voorzien, en
     zij de stal u wel gestrooid:
helpt de boeren, helpt de sterken,
          neerstig werken:
          op uw' vlerken,
     vliegt den wind voorbij, en dan,
     haalt er eere en haver van!

"Horsenvleesch en zult gij eten,"
     geldt het nu nog, hier en daar:
"want, het bloedde voor den afgod!"
     Vroeger was dit zeggen waar:
zijn die dagen lang verleden,
          zijn het heden
          ander' zeden,
     Vlaming, na de ouden eesch,
     nooit en ete ik - peerdevleesch.

23/9/1896