Keulemans Onze vogels 2 (1873)/21

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
20 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

21. De tapuit

22


[ Pl21 ]

Keulemans Onze vogels 2 21.jpg

[ 86 ]
 

DE TAPUIT.

SAXICOLA ŒNANTHE.


De Tapuit, dien wij reeds vroeger hebben vermeld, bewoont de gematigde streken van Europa beneden Lapland, tot aan Alpen en Pyreneën; ten Zuiden daarvan wordt hij door S. aurita en S. stapazina vervangen. Men treft hem ook in de gematigde streken van Azië en in Noord-Afrika aan. In de koudere streken behoort hij tot de trekvogels, in de warmere daarentegen tot de standvogels. Velen trekken verder zuidwaarts, dan die landen, van waar hunne daar inheemsche soortgenooten niet verhuizen; zoo b.v. verschijnen er omstreeks September en October vele in Egypte, terwijl de in Spanje en Zuid-Frankrijk levende voorwerpen niet wegtrekken. Op de eilanden van den Levant zijn zij volgens Sonnini gedurende alle jaargetijden te vinden, gelijk ook R. B. Tristam ze als zoodanig op den berg Carmel in Palestina vermeldt, terwijl zij door denzelfden schrijver in het Zuiden van Palestina alleen op den trek zijn waargenomen.

Eene verwante soort, S. leucomela, in Noord-Rusland te huis behoorende onderneemt jaarlijks geregeld togten naar het Zuiden, doch trekt in eene zuid-oostelijke rigting en komt dus nooit hier te lande.

De Gewone Tapuit bezoekt ons reeds vroeg in het voorjaar en vertrekt omstreeks half September. Men ziet hem meestal op den grond, voornamelijk in drooge vlakten of in de duinen, waar zijn nest soms in konijnenholen te vinden is. Hij loopt schielijk en met plotseling afgebroken schreden, even als een Strandlooper of Plevier, beurtelings vooruitschietende en stilstaande. Aan zijne bewegingen is hij reeds van verre te herkennen; ook zijn witte romp verraadt hem spoedig. Onder het loopen houdt hij den staart gewoonlijk opgerigt; doch naauwelijks staat hij, of hij wipt dien langzaam op en neêr, gelijk de Nachtegaal. In zijne beweging heeft hij iets sierlijks, nets en afgemetens; bij het rusten op takken spreidt hij de [ 87 ] veêren uit en zit soms uren lang onbewegelijk, en welke houding hij ook aanneemt, zij heeft steeds iets zachts, iets zeer eigenaardigs.

Bijgaande afbeelding stelt het mannetje in zijn zomerkleed, en op den achtergrond het wijfje voor. Na den herfst-rui echter vertoont het mannetje niet meer die fraaie zachte kleurteekening; zijn winterkleed gelijkt veeleer naar het zomerkleed van het wijfje, met dit onderscheid evenwel, dat de vleugels en de punten der staartpennen van het wijfje minder donker zijn; niettemin heeft ook zij des winters fletser kleuren: zij wordt dan over 't geheel licht, graauw en nog iets fletser aan de onderdeelen. Door een en ander kan men dus in alle jaargetijden de seksen gemakkelijk onderscheiden.

De jongen hebben aanvankelijk dezelfde kleuren, als het wijfje in haar zomerkleed, doch zijn een weinig blanker; door ruijing krijgen zij al zeer spoedig eene donkerder tint, doch zij komen eerst in den volgenden zomer tot hun volmaakt gevederte, en eerst na den eersten rui tot hun winterkleed, waarin echter reeds het verschil van sekse te herkennen is.

De Tapuit nestelt op den grond of in spleten van oude muren, soms ook onder steenen; voor den nestbouw bezigt hij mos, gras, paardehaar of schapenwol, welke in of aan doornheggen of aan de schuurpalen is blijven vastzitten; daar, waar schapen weiden, vindt men dan ook gewoonlijk den Tapuit, die hen soms van verre volgt, om zich van de uitgevallen wol meester te maken (waarvan zijn Fransche naam „Traquet pâtre" afkomstig is.) Het nest is vlak en weinig afgewerkt; het bevat gewoonlijk 5 à 6 lichtblaauwe eijeren, die meestal ongevlekt, soms echter met roode vlekken bezet zijn. Deze vogels broeijen tweemaal: de eerste maal in April of Mei, de tweede maal in Junij of het begin van Julij.

De Tapuit heeft weinig aanspraak op den naam van zanger; doch door zijn scherp geroep zeer schielijk te herhalen, brengt hij soms een soort van ratelenden zang ten gehoore. Zijn gewoon geroep klinkt als „èk tjèk èèi dekkek".

Deze vogels gewennen zich spoedig aan het kooileven en worden zeer mak; zij zijn echter zeer twistziek en blazen of sissen wanneer ze verstoord zijn. Men voêrt ze even als den Nachtegaal of Kwikstaart.