Keulemans Onze vogels 2 (1873)/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
2 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

3. De roodstaart papegaai

4


[ Pl03 ]

Keulemans Onze vogels 2 03.jpg

[ 10 ]
 

DE ROODSTAART-PAPEGAAI.

PSITTACUS ERYTHACUS.


De Roodstaart-Papegaai is, als kooivogel, overal bekend. Iedereen weet hoe schrander en oplettend hij is, en hoe gemakkelijk hij in alle talen woorden leert naklappen. Daarom is deze Papegaai een der meest geliefkoosde huisvrienden geworden; geen wonder dan ook, dat er zoo velen dezer vogels uit hun vaderland naar Europa en Amerika worden verzonden. Ook op Java zijn zij algemeen bekende kooivogels, maar de aldaar levende zijn meestal uit Europa meêgebragt.

Geene andere Papegaaijensoort kan in aanbevelenswaardige eigenschappen met den Roodstaart-Papegaai wedijveren, en te regt bekleedt hij dan ook onder de dieren, welke wij alleen voor ons genot houden, de eerste plaats. Inderdaad zijn er weinig vogels, die er zoo verstandig uitzien als hij. Door zijne oplettendheid en vertrouwelijke bedaardheid heeft hij in zijn uiterlijk en in zijne wijze van bewegen werkelijk iets menschachtigs. Zoo gij u voor zijne kooi plaatst en hem eenige woorden toevoegt, zal hij steeds den kop zóó wenden, dat het linker- of regteroor, al naar den kant waar gij u vóór hem bevindt, naar uwe zijde gerigt is, even als iemand zou doen, die slecht hoort of niet duidelijk verstaan heeft. Daarop wacht hij even, en geeft dan eenig geluid of lispelt eenige woorden of syllaben. Is hij echter gewoon met u te praten, dan schijnt hij minder oplettend te luisteren en antwoordt onmiddellijk, even als iemand, die duidelijk verstaan heeft. Zijn schrander uiterlijk ligt dan ook niet zoozeer in de omtrekken zijner vormen, als wel in de menschachtige bewegingen van den kop. De lichte oogrand doet ook het oog beter uitkomen: het spreekt meer. Ware hij schuw en wild, dan zou men zijne uitdrukkingen niet zoo ontwikkeld noemen; hij weet echter, wanneer hij lang gekooid is geweest, al zijne verschillende gewaarwordingen duidelijk te kennen te geven, en men behoeft waarlijk geen naauwkeurig opmerker, te zijn, om te ontwaren, onder welke indrukken de vogel verkeert. Angst, schrik woede, ontevredenheid of vrolijkheid, al deze gewaarwordingen zijn onmiddellijk uit zijne bewegingen en geluiden op te maken.

[ 11 ] Men moet hierbij echter in aanmerking nemen, dat de Roodstaart-Papegaai bij ons steeds in een geheel of gedeeltelijk tammen staat wordt aangetroffen en zijne oorspronkelijke onhandelbaarheid reeds in zijn geboorteland en gedurende den overtogt herwaarts heeft afgelegd. Men vangt dan ook maar zelden de ouden, daar dezen te slim zijn; daarentegen gewennen de jongen, die men meester wordt zoodra zij vliegen kunnen, veel spoediger aan den mensch en zijn veel minder kwaadaardig, dan hunne volwassen soortgenooten.

Het vaderland van dezen vogel is West-Afrika, beneden de Sierra Leone. Brehm zegt, dat, volgens Heuglin, de Roodstaart-Papegaai tot diep in het binnenland doordringt, en dat geloofwaardige naturalisten (welke?) deze vogels bij groote troepen, in het land van Wan en Bongo, tot op 8° NB., aantroffen. Het is echter niet waarschijnlijk, dat het vaderland van dezen Papegaai zich meer oostelijk uitstrekt; althans in het oostelijk gedeelte van Soudan is hij niet bekend. Ten opzigte van Heuglin moeten wij voor 't overige aanmerken, dat zijne opgave ten deze geenszins op zijne eigen waarnemingen kunnen gegrond zijn, vermits hij alleen het Noord-Oosten van Afrika doorreisd heeft.

Gedurende ruim een jaar, heb ik den Roodstaart-Papegaai dagelijks in zijn vrijen staat gadegeslagen. Ik bevond mij toen in West-Afrika, op het door de natuur zoo rijk bedeelde Prinseneiland (Ilha do Principe). Daar wonen deze Papegaaijen, daar is hun paradijs, en nergens anders op het vasteland van Afrika zijn zij zoo menigvuldig, en leven zij zoo ongedeerd, als op genoemd eiland. Zij zijn daar de eersten, de merkwaardigsten onder het gevogelte, en worden er door alle andere gevederde lucht- en boschbewoners ontzien, gevreesd en geëerbiedigd. Alleen de Vliegende Honden (Pteropus) en eene aldaar levende Ibis (Geronticus olivaceus) mogen in hun gezelschap meê vliegen; alle andere dieren, groote of kleine, jagen zij daarentegen uit hunne nabijheid. Zij zijn er even menigvuldig, als de Spreeuwen in Holland, en volgen er een natuurlijken leefregel, waarvan zij niet afwijken en ook niet behoeven af te wijken, omdat zij uiterst zelden gestoord worden. Hun nachtverblijf houden zij in 't midden van het eiland, op een bergtop, waar zij niet overvallen kunnen worden, en van waar zij 's morgens bij het eerste daglicht uitvliegen, om er tegen het vallen van den avond terug te keeren. Zij zijn voorzigtiger en slimmer dan de inboorling, vlugger dan de aap, behoeven geen gereedschap om harde vruchten te kraken, en zijn dus de onafhankelijkste van alle levende wezens op dit eiland.

[ 12 ] Er is tot dusver weinig of niets bekend geworden aangaande de levenswijze der Papegaaijen in hun natuurstaat, hunne wijze van broeijen, en dergelijke bijzonderheden meer. Zoo bekend als de vogel in zijn kooileven is, zoo weinig weet men van zijn leven in den natuurstaat. Het is mij juist daarom des te aangenamer, hier datgene te kunnen mededeelen, wat ik zelf ten aanzien van het huishoudelijk leven dezer vogels heb waargenomen.

In het onbebouwde gedeelte van Ilha do Principe, dáár waar de natuur allerlei levende wezens, behalve den mensch, herbergt, ligt een ontzagwekkend bosch, met klimplanten en velerlei vruchtdragende struiken digt begroeid. Dit bosch ligt op en tegen den wand van een tamelijk hoogen berg. Van een afstand bezien vertoont het zich als een rijzend landschap, geheel uit boomen bestaande; want de rotsachtige bodem is geheel door den weelderigen plantengroei bedekt. Deze bergtop ligt p. m. 1200 voet boven de oppervlakte der zee en wordt door de inboorlingen Pico de Papagayo genoemd. Dit is de eigenlijke broei- en verzamelplaats, het algemeene rustpunt dezer vogels. Alle Papagayos van llha do Principe brengen daar den nacht door; 's avonds tegen zonsondergang komen zij van alle zijden des eilands naar hun rustoord heen, terwijl naderende vlugten door een vrolijk gefluit hare aankomst te kennen geven. De voorwerpen, die reeds aangekomen zijn en een geschikten rusttak hebben uitgekozen, keuvelen en babbelen nog geruimen tijd en fluiten onophoudelijk den aankomenden troepen hun welkom toe. Dit vrolijk getier begint iederen avond ten half 6 en eindigt ten half 7 ure. Langzamerhand neemt het geraas in hevigheid af, en ten laatste laten nog slechts enkelen zich hooren. Wel hoort men soms nog in het donker bij tusschenpoozen hier en daar eenige geluiden, doch dat zijn waarschijnlijk slechts achterblijvers, misschien wel ruziemakers. Ook geraakt wel eens de geheele bende 's nachts in oproer; doch dit wordt, naar ik meen, slechts door een onverwacht bezoek van Vliegende Honden, Wilde Katten of Civetten veroorzaakt.

's Morgens gaat het geregelder. Tegen 6 ure (tegen zonsopgang) verlaten zij hun nachtverblijf en verspreiden zich, weder troepsgewijze, over het geheele eiland. De meesten begeven zich naar het oostelijk gedeelte of naar de bergtoppen, waar zij 't allereerst den zonneschijn kunnen genieten. Later op den dag bezoeken zij het geheele westelijke gedeelte, en wanneer, tegen het midden van den dag, de zonnewarmte te fel wordt, verbergen zij zich tusschen het gebladerte der hooge boomen.

[ 13 ] Als het regent, zijn zij wat minder tierig: zij vliegen dan zoo ver niet, maar blijven in het hooge geboomte rondhuppelen. Bij zware onweders of stormen schijnen zij weg te kruipen, en komt er onverwachts een tropisch onweder opzetten, dan hoort men nu en dan eenigen, die door hun hevig gekras en haastige vlugt duidelijk hun angst verraden.

Ik heb gedurende den broeitijd een gedeelte van den Pico de Papagayo bezocht en vele gaten in boomen ontdekt. Ongetwijfeld waren in vele dezer gaten nesten aanwezig, maar de dikte der stammen belette mij er in te klimmen. Gedurende mijne excursie heb ik voor 't overige de volgende bijzonderheden opgemerkt: Beide ouden broeijen. De jongen worden uit den krop gevoerd, terwijl ook de ouden, zoo lang een van beiden broeit, elkander uit den krop voeren. Des nachts zit een der ouden op het nest, doch is de andere niet te zien ('tgeen nog niet bewijst, dat deze zich ver van het nest verwijderd heeft). Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit het vleesch der palmnoten en wordt uit de onmiddellijke nabijheid, niet van verre, aangebragt. Zij nuttigen ook grootere vruchten, zooals papayas, bananen enz.; doch dit voedsel is op den Pico de Papagayo minder overvloedig, of niet het geheele jaar door rijp te verkrijgen, zoo als de palmnoten. Voorts heb ik mij ook overtuigd van de bijzonderheid, dat de ouden hun kroost tot het uiterste verdedigen en dat, wanneer de noodige krachten daartoe te kort schieten, hun door hunne soortgenooten bijstand wordt verleend.

De inboorlingen verhaalden mij, dat het aantal jongen in één broeisel zelden meer, maar in den regel minder dan vier bedraagt (zoodat twee het minimum, vijf het maximum is). De eijeren komen in alle opzigten met die der Ringduif (C. palumbus), overeen; zij zijn namelijk wit, een weinig naar het gele trekkende, tamelijk glanzig en zeer dun van schaal. Hoe lang de eijeren bebroeid worden, is niet met zekerheid bekend; doch, volgens waarnemingen van sommige inwoners, moet dit 20 à 24 dagen duren. De jongen hebben aanvankelijk groote koppen met blaauw-grijze iris, zware pooten, en een licht grijsachtig, dun en vrij lang dons. Zij groeijen spoedig, en kijken alras buiten het nest, doch verlaten dit niet vóórdat zij vliegen kunnen. Hunne kleuren zijn fletser en graauwer; de wangen en stuit niet zoo wit, als bij de ouden, en hunne iris blijft gedurende 3 à 4 maanden grijs en neemt eerst langzamerhand de geelwitte kleur aan.

In gevangenschap geeft men deze vogels wit- en hennepzaad; wat suiker, en nu en dan een amandel of hazelnoot.