Keulemans Onze vogels 3 (1876)/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
24 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

25. De oeverzanger

26


[ Pl25 ]

Keulemans Onze vogels 3 25.jpg

[ 85 ]
 

DE OEVERZANGER

CALAMOHERPE PALUSTRIS.


De Oeverzanger, door sommigen ook Bosch-Rietzanger genoemd, is bij ons een zeer algemeene vogel, die zich, van het begin van Mei tot het einde van Augustus, in het lage hout, langs de rivieren en meren, hooren laat. Behalve in onze waterrijke provinciën Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht, vinden wij hem slechts hier en daar vertegenwoordigd; in drooge, onbebouwde streken, zooals die vooral in Drenthe voorkomen, alsmede in een groot gedeelte van Noord-Braband, is hij eene groote zeldzaamheid, en wordt hij in heide- en zandvlakten door den verwanten Heidezanger (C locustella) vervangen.

Het is zeer moeijelijk, deze soort van den naauw verwanten Rietzanger (C. arrundinacea) te onderscheiden; er bestaat dan ook werkelijk geen standvastig verschil in kleur tusschen beide soorten, zoodat het, zonder een gezet onderzoek, bijna niet mogelijk is, de twee soorten uit elkander te houden. Gewoonlijk echter heeft de Oeverzanger eene meer geelbruine, de Rietzanger eene meer rosse tint; doch ook de individuen van elk der beide soorten verschillen weder onderling in kleur van gevederte, en beiden jongen zijn zoo geheel gelijk, dat men slechts door de uiterste verscheidenheden van beide soorten de identiteit bepalen kan. De kleur der pooten van den Rietzanger is ook meestal donkerder, die van den Oeverzanger daarentegen gewoonlijk doorschijnend hoornbruin; doch ook dit verschil doet zich slechts bij de ouden na den broeitijd voor: want buiten dien tijd verschillen ook dezen individueel zoodanig, dat dit verschil evenmin als een zeker herkenningsteeken dienen kan. Bij naauwkeurige vergelijking blijkt intusschen, dat de hier afgebeelde soort in den regel wat zwaarder van snavel, over het geheel iets grooter en op de bovendeelen een weinig lichter is. Het voornaamste kenmerkend verschil tusschen deze beide vogelsoorten ligt echter in hare [ 86 ] levenswijze: de Rietzanger houdt zich namelijk steeds in het riet of langs den waterkant op, terwijl de Oeverzanger uiterst zelden in het riet zelf, doch meestal in heesters of veldgewas, soms zeer verre van het water, vertoeft. De zang van den eerstgenoemde is grof, eentoonig, en gelijkt naar dien van den Kleinen en Grooten Karekiet (C. turdina en C. palustris), waarom men hem ook onder den naam van Kleinen Karekiet aanduidt; de hier afgebeelde daarentegen heeft een langgerekten, scherpen, doch zeer gevarieerden zang, welke veel overeenkomst heeft met het vrolijk gekweel van den Spotvogel (S. hypolaïs).

Gewoonlijk hoort men den Oeverzanger in de tuinen nabij meren, kanalen of moerassen, meestal onder het groen van peulgewas of in hooge heesters, zooals seringen, vlier en anderen. Zelden echter krijgt men den zanger te zien, en daarbij heeft zijn geluid ook nog dit eigenaardige, dat het nu eens digtbij, dan weder zeer verre af schijnt; dit is het gevolg van de schielijke afwisseling van grove en schelle met zachte strophen, welke hij in zijn zang aanbrengt.

De Oeverzanger komt zelden vóór Mei, en bouwt zijn nest steeds in de takken, meestal 5 à 9 voet boven den grond; de Rietzanger daarentegen steeds in het riet of langs het water, aan de stengels van brandnetels of andere bij het water groeijende planten. De Oeverzanger maakt ook een rond nest en legt lichter gekleurde, minder fijn gestipte en regelmatig gevlekte eijeren, terwijl het nest van den Rietzanger langwerpig is, en diens eijeren, hoewel onderling zeer verschillende, toch meestal eene groenachtig witte grondkleur hebben en in kleur en verspreiding van vlekken zeer met die van den Grooten Karekiet overeenkomen, welke namelijk eene lichtblaauwe of blaauwachtig witte grondkleur hebben, met zeer groote, grijsachtig purpere en helderbruine vlekken.

Het nest van den Oeverzanger is uit doode grashalmen, plantenpluis en insectenweefsels vervaardigd en van binnen met paardenhaar belegd. Omstreeks het midden van Junij zijn de 4 à 6 eijeren in dertien dagen door beide ouden uitgebroeid, en de jongen zijn binnen 15 à 18 dagen genoegzaam ontwikkeld, om het nest te kunnen verlaten. Zij worden vooral met muggen grootgebragt, en vliegen na den broeitijd nog eenige dagen met de ouden rond, om dan, te gelijk met dezen, geheel onverwachts uit de door hen bewoonde plaats te verdwijnen, zelfs al is het weder nog warm, en al hebben zij daar nog insecten in overvloed. Reeds sedert drie jaren (misschien veel langer, doch ik had vroeger geen gelegenheid om dit waar te nemen) broeit een paar in den zoölogischen [ 87 ] tuin te Londen, nabij de groote volière. Of het inderdaad telkenmale dezelfde vogels zijn, die daar komen broeijen, is zeer moeijelijk te bepalen; doch zooveel is zeker, dat zij steeds hetzelfde nest bewonen, dat telkens gerepareerd wordt, en dat zij zich telken reize in hetzelfde boschje ophouden, en ook even geregeld 's morgens vroeg bij de voederplaats komen, om gevallen miereneijeren en stukjes gehakt vleesch op te pikken. Uit dit een en ander meen ik te mogen opmaken, dat de aldaar verblijvende Oeverzangers steeds een en hetzelfde paar zijn; immers, hoe zouden zij zich anders, zoo onmiddellijk na hunne aankomst, daar zoo geheel te huis kunnen gevoelen? We weten toch met zekerheid van andere vogels, dat zij hunne oude nesten en broeiplaatsen weêr weten op te sporen, en menigeen heelt, bij gebreke van eene betere verklaring, de oorzaak van dit verschijnsel hierin meenen te vinden, dat sommige vogels, behalve de gewone, ook den mensch eigen zintuigen, er nog een zesde zintuig op zouden nahouden, waardoor zij in staat zouden zijn, den weg naar het Zuiden en den terugweg naar hunne broei plaats weêr te vinden. Op dezelfde wijze verklaart men ook de geheimvolle wijze, waarop de meeste Duiven van eene verre, haar onbekende streek, over berg en dal, regtstreeks naar hare til of woonplaats terugvliegen. Daar echter de Duiven bij mistig weder van den regten weg afraken, is de onderstelling zeker niet gewaagd, dat bij het hier bedoelde verschijnsel het gezigt eene groote rol speelt en het voornaamste zintuig is, waardoor de meeste trekvogels op hunne togten geleid worden.

De zang van den Oeverzanger is, gelijk we hierboven reeds aanstipten, zeer afwisselend en gelijkt nu eens naar het grove gekweel van den Tuinzanger, dan weder naar het scherpe gekwetter der Zwaluw; eensklaps echter verandert de toonaard weder, en men meent den Karekiet voor zich te hebben; doch daarop verneemt men weder een zacht geluid, als dat van het Roodborstje, en dan weêr op eens zeer schielijk afgebroken toonen, als die van den Grutto of Marel (Limosa aegocephala). Daarenboven is zijn geluid nu eens zeer luid en krachtig, dan weder zacht en kweelend. Hij zingt ook 's nachts en maakt dan, bij de alom heerschende stilte, een effect, alsof er vele vogels gelijktijdig zongen. Zijn gewoon geroep is een scherp »tèk-tèk" zeer overeenkomende met het geluid van Grasmusch, Braamsluiper en Zwartkop, doch meer gerekt en scheller.

Behalve ons vaderland, bewoont deze soort geheel Midden- en Zuid-Europa, en na den broeitijd, als het voor ons winter is, het Westen van Azië en [ 88 ] Noord-Afrika. Zij gaat niet zoo ver noordelijk als de Rietzanger, die echter zuidelijker trekt en zelfs aan de Goudkust en aan de Kaap de Goede Hoop wordt aangetroffen, in welke laatste streek hij hoogstwaarschijnlijk tot de standvogels behoort, even als de Kortvleugelige Oeverzanger der Kaap-Verdische eilanden (C. brevipennis) .

Alle tot het geslacht Calamoherpe behoorende soorten kunnen in gevangenschap leven, en vereischen dan het voor den Nachtegaal voorgeschreven voeder. De Duitschers, die de hier afgebeelde soort Sumpfröhrsanger noemen, schatten dezen vogel zeer hoog en noemen hem den zangmeester onder de Röhrsanger. In het warme jaargetijde, vóór en na den broeitijd, kan men de mannetjes met vogellijm of strikjes vangen; men kan dit het best doen door eenige levende meelwormen aan een langen stok boven de peulgewassen te steken, en daaronder strikjes te bevestigen of vogellijm te smeren. Heeft men nu eenmaal den vogel gehoord of gezien, dan trachte men eerst de plaats uit te vorschen, waar hij zich bij voorkeur neerzet, en plaatse vervolgens daar het vangtoestel, natuurlijk gedurende zijne afwezigheid. Zijn deze vogels eenmaal gepaard, dan is het moeijelijker, ze te bemagtigen, terwijl het ook inderdaad meer dan wreed zou zijn, de zoo lieve vogeltjes gedurende den broeitijd te verschalken.