Keulemans Onze vogels 3 (1876)/27

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
26 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

27. De blaauwe roodborst

28


[ Pl27 ]

Keulemans Onze vogels 3 27.jpg

[ 92 ]
 

DE BLAAUWE ROODBORST.

SIALIA WILSONI.


Deze fraaije zanger is onder de volgende wetenschappelijke namen beschreven: Turdus sialis, Sylvia sialis, Sialia sialis, Erythraca Wilsoni en Erythraca sialis. De Amerikanen noemen hem Blue bird of Blue Robin, de Duitschers Hüttensanger. Hij bewoont, even als de twee verwante soorten (S. mexicana en S. arctica), Noord- Amerika tot Mexico. De twee zooeven genoemde soorten zijn echter niet zoo menigvuldig en minder over het geheele oostelijke gedeelte van Noord-Amerika verspreid.

Deze vogel bezit dezelfde eigenschappen en gewoonten, heeft denzelfden streelenden en kwijnenden zang, en beweegt zich geheel als ons Europeesch Roodborstje. Men heeft hem in zijn vaderland ook even lief en hij wordt daar evenzeer ontzien, als het Roodborstje in onze buitenstreken. Audubon en Wilson, de wereldberoemde ornithologen, beschrijven hem ook als het allerliefste vogeltje, dat zich in die streken hooren laat.

Het mannetje heeft de bovendeelen kobaltblaauw, de onderdeden tot aan de pooten bruin, buik en onderste staartdekveêren wit. Het wijfje heelt de bovendeelen licht leikleurig, vleugels en staart zwartachtig met grijze zoomen aan de veêren, keel vuilwit, borst flets bruin, buik en onderste staartdekveêren rosachtig wit.

Hel jong in zijn nestkleed heeft de kleuren van het wijfje, doch over het geheel iets lichter, en de veêren onduidelijk gevlekt, zoodat zij als schubben afgezet schijnen.

Deze vogels broeijen, naarmate der luchtstreek, in Mei of Junij, en bouwen hun nest in lage heesters, op de onderste takken van dennen of tusschen hooge grasplanten, doch steeds nabij den grond. Het nest wordt uit wortelen, stroo of [ 93 ] hooi, doode bladeren en hechtdraden van klimplanten zaamgesteld en van binnen met haar of veêren belegd, en heeft nagenoeg den vorm van het nestje van Nachtegaal of Roodborstje, doch grooter. De eijeren hebben dezelfde grootte als die van den Leeuwerik, zijn helder blaauwgroen en ongevlekt, even als die van Tapuit of Roodstaart, en worden alleen door het wijfje uitgebroeid.

De jongen worden met insecten gevoerd, en blijven tot den trektijd met hunne ouders rondvliegen. Gedurende het najaar eten zij ook bezien en zaden, doch leven overigens hoofdzakelijk van rupsen, spinnen en kleine kevers. Volgens Audubon, geven zij de voorkeur aan eene zekere soort van vijgen, die zij eerst van de boomen pikken en daarna wegslepen. Ook vliegen zij insecten na en vangen ze, even als onze Vliegenvangers en Zwaluwen, hoog in de lucht.

Brehm vermeldt met betrekking tot dezen vogel het volgende geval. In het Berlijnsche aquarium had een paar, dat met andere vogels in eene groote volière gehouden werd, spoedig een nest gebouwd, en reeds den 29 Mei waren er vijf eijeren gelegd; het wijfje begon toen te broeijen, zonder echter door het mannetje afgelost te worden, en veertien dagen later waren er vier jongen geboren, die vooral door het mannetje gevoederd werden. Ook het wijfje werd op den duur door het mannetje gevoêrd, zelfs terwijl zij jongen had; reeds drie weken vóórdat de eijeren gelegd waren, had zij niet eens de moeite genomen om zelf een meelworm op te rapen of eene vlieg te vangen, maar had zich die steeds door haar echtgenoot in den bek laten stoppen[1]. De jonge vogeltjes werden, tot den derden dag, door de moeder, die op het nest bleef zitten, verwarmd; na dien tijd echter kwam het wijfje slechts nu en dan op het nest. Den vijfden dag hoorde Brehm het mannetje een klagend geluid voortbrengen en zag het angstig rondom het nest vliegen; vermoedende dat er iets aan scheelde, begaf hij zich naar het nest, en vond drie doode jongen, waarvan er twee reeds den vorigen dag moesten gestorven zijn. Het nog overblijvende jong was, ofschoon het nog teekenen van leven gaf, eveneens koud. „Mijne vrouw", aldus vervolgt Brehm, „hield het arme diertje in hare handen, om het te verwarmen, totdat ik er twee [ 94 ] jonge Roodborstjes bijgebragt had, met welke het toen in een diep en warm wollen nest geplaatst werd. Tengevolge der verwarming kwam het dan ook weder bij, en stak een poosje later zijn bekje omhoog, om gevoederd te worden. Ik vreesde dat het sterven zou, want het was nog geheel kaal en blind; doch door de zorgvuldige verpleging van mijne vrouw, die het elk kwartieruurs met eenige miereneijeren verkwikte, kwam het langzamerhand vooruit, nuttigde ook grovere spijzen, en zonder eenige ongesteldheid groeide het tot een krachtig, gezond mannetje op. Toen het oude wijfje zich van hare jongen beroofd zag, begon zij te tweeden male een nest gereed te maken. Zij legde weder vier eijeren, en broeide ze zonder tegenzin uit, doch, ofschoon zij op het nest door het mannetje bijna onophoudelijk werd gevoêrd, liet zij ook deze jongen van koude omkomen. Na dien tijd paarden de ouden niet meer".

Een ander Duitsch ornitholoog, de heer Freyberg, was gelukkiger. Hij verkreeg van één paar twee broeisels, elk van vijf jongen; de jongen van het eerste broeisel waren naauwelijks uitgevlogen, of het oude wijfje had reeds een tweede vijftal eijeren gelegd, welke zij eveneens uitbroeide, en ook deze jongen bragt zij groot. Freyberg zegt verder (in Brehms Gefangene Vögel, Theil I, Band II, erste Lieferung, p. 50): „Als die erste Brut ausflog, belanden sich mehrere auslandische weibchenlose Weberfinken im Fluggebauer, und sie alle, ohne Ausnahme, befriedigten ihren Geschlechtstrieb an den jungen Hüttensangern. Diese hielten still, liessen alles mit sich geschenen, und selbst die Alten sahen theilnahmlos zu".

In den zoölogischen tuin te Londen heeft men ook jongen van dezen vogel verkregen, doch de meesten stierven kort nadat zij waren uitgevlogen.

Wil men dus dezen vogels gelegenheid tot broeijen verschaffen, dan plaatse men ze in eene groote volière, liefst buiten het huis of voor het raam aan de zonzijde. Buitenvolières moeten steeds van nachthokjes voorzien zijn, ten einde de gevleugelde bewoners voor nat en koude te beveiligen. Zulke hokjes moeten ongeveer een voet hoog en breed en ¾ voet diep zijn en eene ronde opening op zijde hebben; men plaatse er ook eenige overdwarsche takjes in, waarop de vogels zich kunnen ter ruste zetten of hunne nesten bevestigen. De materialen brenge men in de volière of tusschen de traliën aan. Zoodra de eijeren gelegd zijn, moet men vooral eene genoegzame hoeveelheid miereneijeren of meel wormen, behalve het gewone voeder (gehakt ei of geschrapt vleesch en wortelen, met broodkruimels en gekookte krenten gemengd), in gereedheid houden, opdat de [ 95 ] pasgeboren jongen met een voor hen geschikt voeder kunnen grootgebragt worden. Men zorge ook steeds, dat het den ouders aan niets ontbreekt; anders verlaten zij hun kroost zeer spoedig.

Het is algemeen bekend, dat een wijfjes-Leeuwerik uit eigen beweging alle jonge vogels voêrt, welke in haar bereik komen; en ik heb dan ook dikwijls zulke jongen, die door hunne ouders verlaten waren, met goed gevolg aan hare zorgen toevertrouwd. Hare tegenwoordigheid in eene volière, waar jonge vogeltjes gevoederd moeten worden, is dus van groot belang, vooral daar zij hare jongen uit den bek voêrt.

De koopprijs voor een paar ouden is 1 à 2 dollars in hun vaderland, 12 à 30 shillings in Engeland, 6 à 10 thaler in Duitschland, en 8 à 15 gulden in Nederland.

 
  1. Ditzelfde heb ik ook van ons Roodborstje opgemerkt. Eenigen tijd geleden plaatste ik namelijk een juist gevangen wijfje bij een zeer oud mannelijk voorwerp, en was zeer verrast bij het zien, dat de oude heer, blijkbaar met groot genoegen, zich door de nieuwelinge liet voederen. Toen echter het wijfje ongesteld werd, en stil in een hoek der kooi verscholen zat, bragt het mannetje op zijne beurt haar het voedsel in den bek. Ook het Blaauwborstje (Sylvia suecica) laat zich door zijn meester, met schijnbaar welbehagen, het voeder in den bek steken.