Keulemans Onze vogels 3 (1876)/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
35 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

36. De gele kardinaal

37


[ Pl36 ]

Keulemans Onze vogels 3 36.jpg

[ 120 ]
 

DE GELE KARDINAAL

GUBERNATRIX CRISTATELLA.


De Gele Kardinaal bewoont een groot gedeelte van Brazilië en Paraguay, alwaar hij zich in het lage hout der prairiën en langs de bosschen ophoudt. Ook in de kleine en met laag hout begroeide vlakten der tropische wouden wordt hij, steeds in troepjes of paarsgewijze, aangetroffen.

Hij behoort tot eene der fraaiste vogelsoorten, welke men in die streken ontmoet; daarbij komt, dat hij hoofdzakelijk op of nabij die plaatsen leeft, waar thans plantages zijn aangelegd, zoodat hij meer dan andere kleine vogelsoorten wordt opgemerkt. Ten opzigte van levenswijze en kleur nadert hij eenigzins de Veldgorzen of, juister gezegd, staat hij tusschen dezen en de Dikbekken in, terwijl zijne bewegingen meer met die der Wevers overeenkomen. Onophoudelijk in de weer, doorvliegt hij echter slechts korte afstanden; hij blijft liefst in 't groen, springt, vliegt en dartelt daar op en neer, nestelt in de heesters der plantages, en is zoodoende de voornaamste bezoeker der bebouwde gronden.

De Brazilianen kennen dezen vogel onder den naam van Cardinalo amarello en Gobernador. Laatstgenoemde titel wordt hem door de meer beschaafde bewoners gegeven, en waarschijnlijk is deze, even als de wetenschappelijke geslachtsnaam Gubernatrix (gouvernante of opzigtster), afgeleid van zijne gewoonte om zich met de jongen van andere vogelsoorten te bemoeijen en ze, zoodra zij uitgevlogen zijn, met voeder te vervolgen: eene gewoonte trouwens, waarin onze Leeuwerikken hem evenaren.

Aangaande de wijze van broeijen, het nest en de eijeren van dezen vogel in den vrijen staat, is men nog weinig zekers te weten gekomen, naardien de hieromtrent ontvangen berigten steeds zeer tegenstrijdig luidden. Daar echter de [ 121 ] kardinalen, als zij in groote volières worden gehouden, ook in gevangenschap broeijen en, vooral door Duitsche vogelliefhebbers, zeer gezocht en breedvoerig beschreven zijn, is men in de laatste jaren toch geheel en al met de bijzonderheden hunner voortteling bekend geworden. In verschillende zoölogische tuinen, zooals te Londen, en volgens dr. Brehm ook te Frankfort, Keulen en Berlijn, heeft men in den laatsten tijd jaarlijks eenige jongen dezer vogelsoort aangekweekt. De nesten waren, al naar omstandigheden, tusschen takken, of in een hoek langs of op het houtwerk, bevestigd en uit plantenvezels, zooals het haarachtige pluis der cocosnoot, gebouwd. Een drietal eijeren, door Brehm in den zoölogischen tuin te Berlijn waargenomen, hadden eene graauwe tint met donkere vlekken; andere eijeren, gedeeltelijk in tammen, gedeeltelijk in vrijen staat gelegd, zijn door den welbekenden Duitschen oöloog, dr. Baldamus, als blaauwgroenachtig wit, met enkele zwarte punten en vlekken, beschreven. Brehm schat den tijd der bebroeijing op 12 à 13 dagen; hij vermeldt voorts, dat beide ouden aan het broeijen deelnamen, waarbij het mannetje trouw zijn wijfje afloste en even vlijtig in het voêren der jongen was. Doch ook Brehm had, even als gewoonlijk ieder vogelliefhebber, met moeijelijkheden te kampen, wilde hij de vogels behouden; want „de ouden”, zegt hij, „werden na eenigen tijd traag in het verzorgen van hun kroost, zoodat ik de jongen in eene kooi moest overbrengen en ze zelf voeden. Toen kwamen echter de ouden tot inkeer en fladderden met voeder rondom de kooi. Daar nu het wijfje te tweeden male tot eijerleggen bereid scheen, trokken beide ouden weder naar hun vorigen broeikorf, waarin de eerste, nog niet volwassen jongen geboren waren. Terwijl het wijfje zich met het tweede broeisel bezig hield, waren intusschen de jongen van het eerste groot genoeg om te kunnen vliegen en zich bij hunne ouders te scharen; zij stelden zich dan ook weder onder hunne bescherming en zaten, uren lang, naast hunne moeder op het nest”.

De jongen worden, zooals door verschillende vogelkweekers is opgemerkt, hoofdzakelijk met insecten (miereneijeren en meelwormen) grootgebragt, terwijl de ouden zich met allerlei granen, zaden, versch groen, gekookte rijst, aardappelen, kastanjes en ook brood voeden. Meelwormen eten zij bijzonder gaarne, even als de meeste Vink- en Gorsachtige vogels, wanneer zij in volières worden gehouden; doch de meeste dezer vogelsoorten verleezen langzamerhand de natuurlijke zucht naar het zoeken van insecten, en gelijktijdig daarmede ook den [ 122 ] bijzonderheden smaak voor zulk voedsel, vooral wanneer zij uit hunne ruime woningen in kleine, bekrompen kooijen worden overgebragt en steeds den „zaadbak” voor den neus hebben; daarom dienen de Gele en ook de andere soorten van Kardinalen eene minstens even groote kooi te hebben als die, welke men gewoonlijk voor Lijsters of Leeuwerikken bezigt. Daar de Kardinalen zich bijzonder gaarne baden en zeer net op hun gevederte zijn, plaatse men dagelijks, liefst 's ochtends, een aarden of zinken bakje vol versch water in hunne kooi; de steenen bakjes, die in het huishouden zeepbakjes worden genoemd en uit een schoteltje met daarop passend bakje en dekseltje bestaan, zijn (het onderste schoteltje namelijk) daarvoor bijzonder geschikt, daar ze voor vogels van gelijke grootte juist den vorm en de diepte, dus de vereischte hoedanigheden van een badkuipje, bezitten.

Een hoofdvereischte is ook, dat men den Gelen Kardinaal afzonderlijk houde, aangezien de mannetjes, zoodra zij in elkanders gezelschap zijn, elkaar onmiddellijk den oorlog verklaren, en dan zoo lang vechten, tot een van beiden er het leven bij inschiet.

De Gele Kardinaal is geen groot zangkunstenaar, maar een vrolijke snapper. Zijn geluid is helder en hoog van toon, weinig gevarieerd en min of meer stotterend. In gezonden toestand zingt hij gedurende het grootst gedeelte van den dag, behalve in den ruitijd, die van Augustus tot October, soms iets vroeger of later, intreedt. Alleen het mannetje zingt, en de jonge mannetjes beginnen reeds vóór hun eersten rui te kwelen.

De seksen zijn gemakkelijk te herkennen, daar het wijfje veel fletser gekleurd is; in plaats van geel en zwart, de zoo sierlijke kleuren van het mannetje, is het wijfje flets en witachtig op den buik, rondom het oog en op de vleugels; in plaats van het zwart aan keel en kuif, heeft zij donkergrijs of graauw; de zijden der borst en verdere onderdeelen zijn bij haar vuil grijsachtig groen, met duidelijker dwarsstrepen, dan bij het mannetje. De jongen hebben nagenoeg dezelfde kleuren als het oude wijfje, doch de borst is bij hen over de geheele breedte, even als de nek en de zijden, duidelijk donker en overlangs gestreept.

Het is een zeer opmerkelijk verschijnsel in de wetten der kleurverdeeling en kleurwijziging in vogelvederen, dat bij de meeste vogelsoorten (onverschillig tot welk geslacht of welke orde zij behooren of gerangschikt worden), waarvan het mannetje geel, groen en zwart, of geel en zwart gekleurd zijn, de wijfjes steeds een meer gestreept, een lichter of graauwer zwart en vooral een veel fletser [ 123 ] groen of geel vederkleed hebben, terwijl bij allen de jongen aan hunne vlekken of meer duidelijk overlangsche strepen te herkennen zijn. Men herinnere zich slechts den Wielewaal, of den Wilden Kanarie, het Sijsje, de Geelgors, den Gelen Kwikstaart, den Amerikaanschen Baltimore-vogel en nog vele anderen.

De koopprijs voor een paar is gewoonlijk 30 shillings in Engeland, 12 à 15 thaler in Duitschland, en 15 à 25 gulden in Nederland. Zij worden nooit in ruime mate, althans steeds in minder aantal dan de Roode of Grijze Kardinaal, aangevoerd, evenwel zijn zij geenszins zeldzaam maar als kooivogels schier overal bekend. Eene poging, onlangs aangewend, om ze in Nieuw-Zeeland te acclimatiseren, is nogtans geheel en al mislukt.