Koninklijk Besluit van 12 december 1957 betreffende de uitvoering van de archiefwet van 24 juni 1955

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Koninklijk Besluit betreffende de uitvoering van de Archiefwet van 24 juni 1955

Auteur
Genre(s) Koninklijk Besluit
Brontaal Nederlands
Datering 20 december 1957
Bron Belgisch Staatsblad
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
[[w:Archief|Meer over Koninklijk Besluit betreffende de uitvoering van de Archiefwet van 24 juni 1955]] op Wikipedia

HOOFDSTUK I: NEERLEGGING VAN BESCHEIDEN OP GROND VAN ARTIKEL 1, EERSTE LID, VAN DE WET VAN 24 JUNI 1955[bewerken]

ARTIKEL 1[bewerken]

De rechtbanken der rechterlijke macht, de Raad van State, de rijksbesturen en de provincies, zullen binnen een termijn van zes maand, ingaande op de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, hun bescheiden van meer dan honderd jaar neerleggen.

ARTIKEL 2[bewerken]

Deze overheden zullen, na verloop van elke tienjarige periode, hun bescheiden van meer dan honderd jaar oud, neerleggen. De eerste tienjarige periode gaat in op 1 januari 1958.

ARTIKEL 3[bewerken]

De neerlegging door bedoelde overheden worden gedaan:

  1. in het Algemeen Rijksarchief, wanneer hun zetel in de provincie Brabant gevestigd is;
  2. in het Rijksarchief van de provincie waar hun zetel gevestigd is, in de andere gevallen

ARTIKEL 4[bewerken]

  1. Worden ervan ontslagen hun archieven neer te leggen:
    1. het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel;
    2. het Ministerie van Landsverdediging
    3. het Ministerie van Koloniën
  2. Moeten niet worden neergelegd:
    1. de bescheiden die van een onbetwistbaar administratief belang zijn voor de betrokken overheden of stukken die zijn bestemd voor hun documentaire of didactische musea;
    2. de duplicaten en afschriften van bescheiden;
    3. de duplicaten van registers van de burgerlijke stand die dagtekenen van na het besluit van 29 prairial IV(17 juni 1796), en in het bezit zijn van de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg.

HOOFDSTUK II: NEERLEGGING EN OVERBRENGING VAN BESCHEIDEN OP GROND VAN ARTIKEL 1, TWEEDE TOT VIJFDE LID, VAN DE WET VAN 24 JUNI 1955[bewerken]

ARTIKEL 5[bewerken]

De algemene rijksarchivaris is gemachtigd om met gemeenten, openbare instellingen, bijzondere personen en private verenigingen, contracten te sluiten met het oog op de neerlegging en overbrenging van bescheiden bedoeld in artikel 1, tweede en vijfde lid van de wet van 24 juni 1955. Deze contracten worden gesloten voor een duur van tenminste vijfentwintig jaar en kunnen worden vernieuwd.

ARTIKEL 6[bewerken]

  1. Neerlegging van bescheiden als bedoeld in artikel 1, tweede tot vierde lid, der wet van 24 juni 1955, en overbrenging van archieven door private verenigingen, geschieden overeenkomstig de voorzieningen van artikel 3.
  2. Naargelang de bescheiden betrekking hebben op de provincie Brabant of op de overige provincies, brengen bijzondere personen hun archieven over naar het Algemeen Rijksarchief of naar de bewaarplaats van het Rijksarchief gevestigd in de hoofdplaats van de provincie. Hebben deze archieven betrekking op verschillende provincies, dan duiden de algemene rijksarchivaris en de bijzondere personen in gemeen overleg de bewaarplaats aan waarheen ze zullen worden overgebracht.

HOOFDSTUK III: ALGEMENE BEPALINGEN[bewerken]

ARTIKEL 7[bewerken]

  1. Iedere neerlegging of overbrenging van bescheiden, bij toepassing van dit besluit, moet een maand vooraf, naargelang van het geval, aan de algemene rijksarchivaris of aan de bevoegde conservator ter kennis worden gebracht. Bij de kennisgeving wordt gevoegd een beknopte opgave, in drievoud, van afmetingen, volume en uiterste data der bescheiden.
  2. De gemeenten, openbare instellingen, bijzondere personen en private instellingen mogen, indien zij erom verzoeken, deze opgave doen opmaken door een ambtenaar die daartoe gemachtigd is door de algemene rijksarchivaris of door de bevoegde conservator.

ARTIKEL 8[bewerken]

Mocht zulks nodig zijn, dan kan de algemene rijksarchivaris of de bevoegde conservator indien deze laatste daartoe het akkoord heeft bekomen van de algemene rijksarchivaris, een neerlegging of een overbrenging geheel of gedeeltelijk uitstellen.

ARTIKEL 9[bewerken]

  1. Neerlegging van bescheiden door de in artikel 1, eerste lid, van de wet van 24 juni 1955 vermelde overheden en door gemeenten en openbare instellingen geschiedt door toedoen en op kosten van de bewaargever.

De in artikel 1, tweede lid van deze wet bedoelde neerlegging, kan echter door toedoen en op kosten van het Algemeen Rijksarchief geschieden indien er voor de gemeenten en de openbare instellingen te zware lasten zijn aan verbonden.

2. Overbrenging van bescheiden door de bijzondere personen en de private verenigingen geschiedt door toedoen en op kosten van het Algemeen Rijksarchief.

ARTIKEL 10[bewerken]

Op het ogenblik dat de bescheiden neergelegd of overgelegd worden, geeft de algemene rijksarchivaris of de bevoegde conservator er een voorlopig bewijs van ontvangst van, op een van de drie exemplaren van de in artikel 7 bedoelde opgave.

ARTIKEL 11[bewerken]

Nadat de inventaris is opgemaakt, doet de algemene rijksarchivaris of de bevoegde conservator hiervan een exemplaar geworden aan de bewaargever. Dit exemplaar geldt als definitief bewijs van ontvangst.

ARTIKEL 12[bewerken]

Wanneer bescheiden overgebracht door bijzondere personen of private verenigingen eventueel teruggenomen worden, geschiedt zulks door toedoen en op kosten van deze laatsten.

ARTIKEL 13[bewerken]

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

ARTIKEL 14[bewerken]

Onze Minister van Openbaar Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.