Laatste avondmaal in Sarajevo

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Laatste avondmaal in Sarajevo

Auteur Karel Poort
Genre(s) Reisverslag/documentaire
Brontaal Nederlands
Datering 25-09-1993
Bron De Gooi en Eemlander
Auteursrecht
Logo Wikipedia
Meer over Laatste avondmaal in Sarajevo op Wikipedia

Op weg[bewerken]

Geldgebrek is de enige reden die ik kan bedenken waarom ik naar Sarajevo af zal reizen vandaag. Het gaat de laatste tijd niet zo goed met de afdeling financiën en één van de oorzaken is het tijdelijk uitblijven van opdrachten. Dus hoe moet dat nu met de hypotheek en zo. Totdat ik een telefoontje krijg van collega Paul Cohen, of ik zin heb in vijftien dagen Bosnië voor Diogenes, de buitenlandrubriek van de VPRO. Nou, zin is niet bepaald het goeie woord, maar zijn verzoek komt wel als een geschenk uit de hemel vallen en op een goed getimed moment bovendien. Dus hoef ik er eigenlijk helemaal niet over na te denken of ik mee zal gaan. Ik móét wel, ondanks dat ik al jaren van de daken roep dat ik niet meer naar oorlogsgebieden zal gaan.

Het zoemt op Schiphol om ons heen van de haastige reizigers, op weg van A naar B en terug, maar het zoemt vooral ook in m’n hoofd. Het is zo’n soort van zoemerigheid waarvan je weet waar het vandaan komt, maar ook weer niet. Wat zijn we toch eigenlijk aan het doen? Waar zijn we in hemelsnaam mee bezig? Waarom hebben we niet gewoon zoals zoveel andere mensen, mijnheer Winthers van de afdeling hypotheken om maar eens iemand te noemen, een stabiele baan bij de Rabobank of iets dergelijks?
In tegenstelling tot de tientallen andere balies, met als bestemmingen Alicante, Korfu of Faro, waar lange rijen mensen nerveus met trolleys en tickets in de weer zijn, is het bij ons incheckpunt rustig. Sterker nog, Paul en ik zijn de enige klanten. De grondstewardess is zeer behulpzaam, maar heeft tegelijkertijd ook iets onderzoekends. Zonder opdringerig te worden informeert ze naar het doel van onze vlucht op Zagreb en wat we dáár in hemelsnaam te zoeken hebben. We vertellen dat Zagreb slechts een tussenstop zal zijn op weg naar Sarajevo. Ze fronst haar wenkbrauwen en wenst ons veel sterkte toe, maar vooral ook heelhuids weer thuis. Het is het eerste moment dat Paul en ik elkaar aankijken met een blik van: we zijn onderweg naar de hel die Sarajevo heet en er is nu geen weg meer terug. We gaan proberen een twintig minuten durende documentaire te maken over inwoners van Sarajevo en hoe ze het klaarspelen te overleven. We kennen allebei de beelden van de televisie en lezen de kranten, maar hoe zal het écht zijn? Wat is er waar van de krantenverslagen? Wat hebben de westerse journalisten laten liggen? Wat is er overdreven en wat niet? We hebben een beeld, via via, maar over een paar uur zal dat beeld veranderen. Drastisch.

De eerste kennismaking[bewerken]

Na het maken van pasfoto’s en het inslaan van shag, sigaretten, chocolade, batterijen en sterke drank, duwen we onze met apparatuur volgeladen trolleys voor ons uit en voelen de blikken van medereizigers op ons gericht. Twee kogelvrije camouflagevesten liggen nu nog werkloos over onze linkerschouders. De door het ministerie voorgeschreven blauwe UN-helmen bungelen zonder hoofd aan de geluidsrecorder. Het is allemaal erg onwezenlijk. De verschrikkelijke oorlog woedt in volle hevigheid op nauwelijks anderhalf uur vliegen van het taxfree walhalla van Michael van Praag, en wij zullen er aanstonds getuige van zijn. Morgen, na het ophalen van de benodigde accreditaties, een overnachting in Zagreb en een tussenstop in Split, zullen we in een groen gespoten Hercules vrachtvliegtuig stappen.

Maar eerst hangen we nog noodgedwongen urenlang rond op Split airport, alwaar we door een bureaucratische Zweedse Unprofor dienstklopper op ons te veel aan overvracht worden gewezen. “Twintig kilo, dat is de limit.”, zegt de man, we krijgen dus lang niet alles mee. “Maar meneer, zonder accu’s, extra lenzen en statief kunnen we toch niet filmen?” stribbelen we nog tegen. Maar de Zweed, met zijn staalharde ogen en íéts te smalle lippen, is niet over te halen. “Als jullie geluk hebben kan de rest van de apparatuur morgen nog met een andere vlucht mee. Áls die er is tenminste, want om die reden heet deze luchtverbinding naar Sarajevo namelijk Maybe Airlines.“ zegt hij koel en wendt zich af.
Een Bosnische schaakjournalist die vastzit op Split-airport, klampt ons aan en smeekt bijna huilend of we een plastic tasje met wat vitamines, chocolade en koekjes voor zijn moeder, die in een buitenwijk van Sarajevo woont, mee willen nemen en bij haar thuis af willen leveren. Als de meedogenloze Zweed zich voor een momentje omdraait, hangt het tasje met adres en al aan een van onze polsen. Enkele dagen later zullen we onze opgedrongen plicht moeten doen.

De vlucht van 's ochtends elf uur naar Sarajevo moeten we noodgedwongen laten schieten, want militairen hebben op deze vluchten altijd voorrang. Dus lopen we in de voormiddag behangen met een groot assortiment aan mee gesmokkelde handbagage naar de Hercules met zijn dikke buik. We bevinden ons in het illustere gezelschap van opeengestapelde voedselpakketten, een aantal Franse UN-soldaten en medewerkers van het Rode Kruis en UNICEF. Na een halfuurtje vliegen gaan de motoren in een lager toerental, want we cirkelen nu rond de bergen van Sarajevo. Van het cabinepersoneel krijgen we opdracht onze kogelvrije vesten om te hangen, want nu wordt het toch echt menens.
De landing is ingezet, maar de piloot besluit op het allerlaatste moment weer op te trekken en dirigeert de neus van het kolossale toestel in de richting van waar we zojuist vandaan zijn gekomen. Paul en ik bouwen theorieën op wat hier de reden van zou kunnen zijn. De meest sluitende van dit moment is de afgebroken onderhandelingen in Genève, dus de Serviërs zullen het vliegveld wel weer onder vuur hebben genomen. Maar onze fantasie is door de omstandigheden wat op hol geslagen, want de oorzaak is slechts mist, gewoon mist.
Een tweede poging heeft meer succes en na aankomst op Sarajevo-airport horen we de eerste schotenwisselingen op de berg Igna. We laden de apparatuur en onszelf in een zwaar gepantserd UN-voertuig, dat ons door een zône zal loodsen waar de Serviërs controleposten bezetten. Het vehicle heeft geen raampjes en onze wens om nu eindelijk eens de vijand van dichtbij te zien wordt niet verwezenlijkt. Hoe ziet nou toch een vijand eruit? De komende twee weken zullen we hun aanwezigheid, daar op de heuvels rond Sarajevo, alleen maar kunnen horen.

Bij het PTT-gebouw stappen we over in een pendelbusje, met achter het stuur een jonge, Engelssprekende chauffeur die zijn schoonvader in de aanbieding heeft en ons, in ruil voor nogal wat Duitse marken, de komende periode wel in Sarajevo rond wil rijden. Een klein kwartiertje later worden we afgezet bij het hotel.

Holiday Inn Sarajevo is alleen via de achterdeur te bereiken, want een kwart van het hotel, waar de voltallige buitenlandse pers is verzameld, is door granaatinslagen gereduceerd tot parkeerplaats. Een zigeunerjongetje van een jaar of acht, met grote bruine ogen, piekerig haar en haveloze kleren, trekt aan onze armen en bedelt om snoepjes, geld en sigaretten voor zijn moeder. We voldoen aan zijn verzoek, maar twee minuten later hangt een brandende Marlboro tussen zijn lippen.

“Hé you guys, do you need a driver and a translater?” klinkt het in het stoffige halletje van het hotel. Het is onze eerste kennismaking met Ellen Blackman from Chicago, hier in Sarajevo beter bekent als ‘Elly Elly’. We zijn nog geen dertig seconden binnen...

De stad[bewerken]

De zon schijnt, maar het is minder warm dan we hadden verwacht als we de volgende dag voor de eerste keer door onze chauffeur Boris en vertaler Almir de stad in worden gereden. Het is relatief rustig in Sarajevo, maar op weg naar onze eerste researchafspraak kijken we onze ogen uit. Het is echt, het is állemaal echt! Een prachtige, historische en culturele stad is volkomen aan flarden geschoten. Geen muur zonder kogelgaten, geen monument gespaard gebleven, het wegdek bezaait met granaatinslagen, geen raam meer heel. Al gauw begin ik misplaatste, flauwe en cynische grappen te maken. Ik stel voor om na de oorlog, als de vrede eenmaal is getekend, áls, een glashandel te beginnen en zo voor vele jaren werk te creëren.

Het beeld dat we in Holland van Sarajevo hadden zal veranderen de komende dagen. Westerse journalisten praten en schrijven elkaar maar wat na, een enkele uitzondering daargelaten. Kranten en televisie vermelden veel te weinig achtergronden, oorzaken en emoties. Ook wordt er nog telkens opnieuw verkeerd melding gemaakt over Serviërs, Kroaten en Bosniërs. Bosniërs worden in het Westen gemakshalve moslims genoemd, terwijl veel van de Bosnische Sarajeven nog nooit een moskee van binnen hebben gezien. Ook willen sommige journalisten ons doen geloven dat de drie partijen niet meer naast elkaar zouden leven. Onderlinge vriendschappen zouden niet meer bestaan en strotten worden afgesneden door vroegere vrienden. Deels natuurlijk waar, want in een oorlog als deze gebeuren gruwelijke dingen, maar ook sterk gegeneraliseerd. Wij weten inmiddels, na een paar dagen al, wel beter. Sarajevo is een etnische smeltkroes en nog steeds zijn velen van de drie bevolkingsgroepen vrienden en werken samen in de TV-studio, op kantoor, bij Oslobodenje (de enige nog verkrijgbare krant in de stad), de radiozender en op de geïmproviseerde school. Onze chauffeur Boris bijvoorbeeld is een Bosnische Serviër en vertaler Almir Bosniër zijn dikke vrienden en vormen een koppel dat werkt voor buitenlandse TV-en radiocrews.

Sarajevo is een journalistiek Mekka. De onderwerpen liggen hier voor het oprapen, iedere bewoner heeft z’n eigen verhaal. Overleven is een dagelijkse zorg, want waar is er nog water? Hoe maak je zelf kaarsen? Waar haal je een extra stukje brood vandaan? Iedereen heeft zo z’n eigen kanalen een batterij voor een portable radio, een stukje zeep of wat koffie te ritselen. De mensen hier lopen de halve stad af op zoek naar een paar centiliter bakolie, een verdwaalde tube tandpasta, of een paar snoepjes voor de kinderen.

De anarchie is totaal in deze stad na achttien maanden belegering door Serviërs en Kroaten, als ze tenminste niet met elkáár aan het bakkeleien zijn. Wetten bestaan hier niet meer, verkeersregels allang vergeten. Alleen de wet van het overleven geldt nog. Er zijn nog slechts een paar gelukkigen waarvan hun auto nog niet kapot geschoten is. Die bevoorrechtten verhuren de auto en zichzelf, zoals Boris en Almir, aan buitenlandse nieuws haviken zoals wij er toch ook twee van zijn, voor 150 DM per dag per persoon, exclusief diesel voor de VW-Golf. Het zijn deze mazzelaars die aardappelen, tomaten, vlees, zeep, koffie en noem alle eerste levensbehoeften maar op, tegen onwaarschijnlijk hoge prijzen aan kunnen schaffen op de gigantische Sarajeevse zwarte markt. (1 pond tomaten: 50 DM; 1 kilo aardappelen: 15 DM; 3 batterijen: 20 DM; 1 pakje gestolen Marlboro: 25 DM; fles whisky: 280 DM……)

Deze oorlog maakt van mensen beesten. De lokale Maffia is tot diep binnen de UNHCR-bureaucratie doorgedrongen en zelfs bij de niets ontziende Serviërs aan de andere kant van de heuvels geïnfiltreerd. Vijfenzeventig procent van de hulpgoederen komt via lugubere lijnen bij deze maffia schoften terecht en beheerst het straatbeeld. Politie is, behalve op de talloze controleposten overal in de stad, niet op de zwarte markt te vinden. Gestolen UNHCR-voedselpakketten staan hier breed uitgestald en zijn voor heel veel D-marken, de officiële koers hier, te koop. Ieder individu heeft zo z’n eigen handeltje. Iedereen doet, rommelt en klooit maar wat aan om de volgende dag te halen en met een beetje mazzel heeft de ‘Chetnik’, de scheldnaam voor de Serviërs op de heuvels met de telescoop op z’n kaliber 38, het niet op jou gemunt vandaag.

Na een paar dagen ontdek ik bij mezelf dat Sarajevo, hoe gek het ook klinkt, als een goede therapie begint te werken. Ik begin los te komen van mijn beslommeringen in Nederland en mijn privé probleempjes. Nu besef ik pas weer goed dat er in deze wereld wel wat anders aan de hand is dan het gekrakeel van de hanige politici in de Tweede Kamer, het gedoe van hoger, sneller en verder, of het verdriet van een verbroken relatie.

De maffia[bewerken]

Het maffia geboefte rijdt door het centrum van Sarajevo in hun onbeschadigde zwarte Mercedes GTL-4-XR-TURBO-CABRIOLET, gesecondeerd door ongure types van twee meter hoog, maar ook breed. De Dobermann Pinscher rijdt mee, maar wel in de gesloten achterbak want aan hondenharen op het gestoffeerde interieur van de hagelnieuwe limousine hebben de heren een hekel.

Alles, maar dan ook echt alles is hier in handen van de Bosnische maffia, tot en met het nog enkele draaiende restaurant of koffieshop aan toe. Het tuig heeft de films over de jaren dertig in Amerika beeldje voor beeldje bekeken. Niet gehoorzamen betekent liquidatie. De gangsters en hun secondanten lopen, zonder hun gestolen UNPROFOR-pasjes te laten zien, langs de arrogante Franse wacht in het PTT-gebouw, waar alle internationale hulporganisaties hun burelen hebben gevestigd, kantoor in kantoor uit om hun louche dealtjes af te sluiten.

Max is één van hen. Ooit geëmigreerd naar de VS en getrouwd met een redelijk succesvolle actrice, maar toen hij lucht kreeg van de aanstaande oorlog in Bosnië, keerde hij haar de rug toe en boekte de eerste de beste vlucht naar zijn geboorteland. Dit schichtige type met z’n ongure tronie, altijd natte haar en de stem van Marlon Brando in Godfather 1, zette weer voet op z’n geboortegrond om zich op te werpen als patriot van het eerste uur. Maar in werkelijkheid is Max in de ‘handel’ en logeert in een comfortabel appartement in het onbeschadigde gedeelte van het Holiday Inn en fêteert van tijd tot tijd beroemde Amerikanen, die hier op uitnodiging van UNICEF aapjes komen kijken. Zoals dit keer de fameuze Amerikaanse acteur Harvey Keitel. De Franse journalisten aan de ontbijttafel van het hotel zijn danig onder de indruk van Keitel, terwijl ze aan hun 25 centimeter lange Havana's lurken. Max ook. Max is ook geïmponeerd door Harvey’s aanwezigheid en bestelt om indruk te maken luid blaffend de zoveelste fles Franse rode wijn in de richting van de kelners die er, in rood/zwarte outfit gekleed, onmiddellijk de spurt in zetten. Ondertussen maakt Max oorlogsgrapjes met Keitel en koestert z’n illegaal verkregen, glimmende revolver achter de rug van zijn vriendin links naast hem, en streelt haar met zijn vrije hand wat nonchalant door het haar. Overdag werkt ze, mevrouw Max, in één van de kantoren in het PTT-gebouw, wat dan weer reuze handig is voor meneer Max en zijn maffia kornuiten.

In de andere hoek van de eetzaal zit een BBC-crew en hun vaste ritueel is zojuist begonnen. Kratten vol Heineken bier, Schotse whisky, verse broodjes, Engelse jam en honing staan breed uitgestald op de gedekte tafel. Delen met collega’s uit andere windstreken is er niet bij. Terwijl Paul en ik het tafereel verbaasd gadeslaan (het was hier toch oorlog?) zet één van hen, zonder zich ook maar een moment om z’n omgeving te bekommeren, maar weer eens eens fles aan z’n mond.

Een kokette Franse journalist, of wat hij ook moge zijn, die hier al zeven maanden verblijft en waarvan men vermoedt dat hij contacten onderhoudt met de Servische vijand op de heuvels rond Sarajevo, steekt z’n tweede Cubaanse sigaar op en controleert zijn smetteloos witte, gladgestreken overhemd. De maffia zit hier overal, zélfs onder de dames en heren journalisten en de UNHCR.

Er valt veel te beleven hier in de eetzaal van dit geteisterde hotel. Want even later proberen een viertal Denen, werkelijk geen idee wat ze hier in Sarajevo te zoeken hebben, na het diner, lekkere soep overigens, in hun flak jackets (kogelvrije vesten) te komen. Het is een slapstick van wereldniveau. Oooohh, John Cleese zou ‘t eens moeten zien. De vier, twee mannen en twee vrouwen, helpen elkaar met het aantrekken van de vesten, iets waar je toch niet bepaald een universitaire studie voor moet hebben afgerond. Maar één van hen, de jongste man in kwestie, schoon gewassen haar, dat kun je zien, probeert eerst zijn hoofd in de mouwgaten te murwen. Zijn hoofd is smal, maar nét niet smal genoeg voor de mouwgaten. Vervolgens komt hij op het briljante idee het maar eens bij de juiste opening te proberen. Maar ook dát lukt van geen kanten, althans niet zoals hij het doet want hij heeft het klitterband niet losgetrokken. Zijn haar almaar in de war, hand er diagonaal doorheen, haar weer in de war, alweer die hand etc., totdat een vrouwelijke collega hem wijst op zoveel onbenul en hem een handje helpt, maar de spartelende Deen verblikt of verbloost niet.

Terwijl Harvey Keitel twee dagen later niet meer aan de ontbijttafel verschijnt en zeer waarschijnlijk, alwéér op uitnodiging van UNICEF, op weg is naar Somalië, Mozambique, Nigeria of Onze Lieve Heer mag weten wat voor oord dan ook, onderuitgezakt in een business seat, zijn eerste champagne-voor-de-lunch krijgt geserveerd, zeult Aida, één van de hoofdpersonen van onze documentaire, haar karretje met witte jerrycans achter zich aan door de stad. Omzichtig, want de Servische sluipschutters liggen in de heuvels op de loer en kiezen zorgvuldig hun objecten uit. Spelende kinderen, oudjes die op straat wat hout proberen te sprokkelen voor de komende winter, zomaar wat pratende mensen op een plein, elk doel wordt met precisie uitgekozen, zonder aanzien des persoons.
Aida is arts, achtentwintig jaar, doceert anatomie aan de universiteit van Sarajevo (sinds de oorlog uitbrak verdiend ze 3 DM per maand) en is getrouwd met een Servische elektricien. Haar man is, uit angst opgepakt te worden door de Bosniërs, al zeven maanden niet meer op straat geweest. Zijn gezicht is bleek, gedrag onzeker en zijn hart zit boordevol angst. Dat van zijn vrouw Aida evenzo, vrijwel dagelijks denkt ze erover om een eind aan haar leven te maken omdat ze de telkens opnieuw terugkerende spanningen in de stad niet langer meer aankan.
's Avonds doet ze bij kaarslicht voor onze camera en microfoon verslag van de eerste verschrikkelijke dagen van deze oorlog in april 1992. Het echtpaar durft sindsdien niet meer in de slaapkamer te overnachten, uit angst weer te worden verrast door rondvliegende granaatscherven, brokken vensterglas en snipervuur. Het trauma zit diep, de haat is groot, vergeving uitgesloten. Ze vertelt hoe in die nachten het oranjekleurige vijandelijke vuur rond hun huis raasde, vele tientallen granaatinslagen de wijk teisterden en al het glas van het appartement met duizenden splinters tegelijk door de huiskamer werd geblazen terwijl de weg naar de schuilkelders werd versperd door deuren die door de bombardementen waren kromgebogen. Aida en haar man hebben geluk dat ze bijna iedere maand een voedselpakket van hun familie in Belgrado krijgen toegestuurd en op die manier de sporadische UNHCR voedselpakketjes kunnen aanvullen met wat extra vitamines. Aida en Chelko koken op een zelfgemaakt kacheltje in de werkkamer. Ramen open, want de rookontwikkeling is navenant aan de indringende geur van het blikje haring-in-tomatensaus. Voor de avonduren heeft Chelko een infuus van de faculteit geïnstalleerd, die druppelsgewijs de olie doorlaat dat ze met de bovenburen deelt om zo nog een kaartje te kunnen leggen of een boek te lezen. Aida doet verwoede pogingen om samen met haar man de stad te ontvluchten. Ook ons spreekt ze daarop aan, maar vooralsnog moeten we haar teleurstellen. Niemand kan de stad uit, de inwoners van Sarajevo zitten als ratten in een val.

Elly Elly[bewerken]

'Snipers Alley' is de doorgangsweg van het vliegveld tot diep in het hart van Sarajevo. Een brede boulevard, die vroeger werd geflankeerd door reusachtige bomen. De meeste van deze kolossen zijn vorige winter met primitief gereedschap door de inwoners gekapt met gevaar voor hun leven. Want Snipers Alley heeft haar macabere naam te danken aan de tientallen sluipschutters die dag in dag uit vanaf de heuvels, tussen de flatgebouwen door, op alles schieten dat beweegt of niet. Als je je op of in de omgeving van Snipers Alley bevindt is een kogelvrij vest dan ook geen overbodige luxe. Je ziet de flak jackets hier in Sarajevo in vele soorten, maten en kleuren. Het is ook een soort trend aan het worden met die kogelvrije vesten, althans bij de buitenlanders die hier met zo’n ding rondlopen want voor de doorsnee inwoner van Sarajevo is een flak jacket helemaal niet bestemd. Soms krijg ik het gevoel dat we in een wintersportplaats rondlopen, wat eigenlijk ook zo is natuurlijk, maar ik doel dan meer op de veelkleurigheid van die vesten. In inventieve buitenlandse ateliertjes is aan ieder detail aandacht besteed. Met allerhande opdrukken worden ze geleverd. Met UNHCR of UNICEF, met een groot rood kruis erop, maar ook in trendy kleuren. Lichtblauw, donkergetint, camouflage, al dan niet met een flapperend flapje voor de edele delen, ietwat roodachtig, maar ook fluoriserend. Het idéé alleen al, om een fluoriserend kogelvrij vest te fabriceren en mensen in Sarajevo daarmee rond te laten lopen...

Elly Elly (zij van “He you guys, do you need a driver and a translater?”), is een Amerikaanse journalist die met heel nobele, humanitaire en andere hoogontwikkelde bedoelingen naar Sarajevo is gekomen én Elly Elly is haar flak jacket kwijt. Op zich is dat niet zo verwonderlijk, want Elly Elly is ook een hoog ontwikkeld chaoot. Ze zegt dat ze haar vest ergens in de stad heeft laten liggen en dat kan in sommige omstandigheden heel vervelend zijn hier. Maar waarschijnlijk is hij gewoon gestolen, want op de zwarte markt brengt een kogelvrij vest toch al gauw zo’n slordige 3000 Duitse Marken op.

‘s Morgens vroeg loopt Elly Elly over Snipers Alley, uiterlijk onaangedaan, zonder flak jacket, niet bang en met haar duim omhoog, in de hoop een lift te krijgen naar Dobrinja, een zwaar belegerde wijk van Sarajevo. Ze is op weg naar de honderden kindertjes, die verblijven in de geïmproviseerde hospitaaltjes en waar ze haar hart aan heeft verpand. Met een gangetje van dik 130 wordt ze gepasseerd door een handvol VW Golfjes, die geen oog voor haar hebben omdat ze al zigzaggend proberen het vuur van de laffe snipers te ontwijken.

Als we diezelfde avond de eetzaal van het hotel binnenlopen zit Elly Elly al aan tafel. Vermoeid, met de linkerhand onder haar kin, elleboog naast het zilverkleurige bestek, slierten geblondeerd en piekerig haar vallen langs haar smalle gezicht omlaag. Terwijl ze in een traag tempo haar maaltje naar binnen lepelt praat ze onophoudelijk en zonder pauzes door. Haar bruine ogen staren, samen met de wallen eronder, naar het smetteloos witte tafellaken. Elly Elly doet verslag over de straatkindertjes, waarvan de meesten weesjes zijn, die ze zo dolgraag een onderkomen wil geven. Ergens veilig in een kelder, vrij van de bombardementen, lekker warm, met spelletjes, lesmateriaal, medicijnen en veel, héél veel liefde.
Ze vertelt uitvoerig over het mooie meisje van vijf met de prachtige ogen die ze wil adopteren. Een breekbaar schatje, moeder omgebracht in de eerste week van de oorlog en een door het geweld gék geworden vader die zijn eigen dochter niet eens meer herkent. Het kind verblijft al zeventien maanden in een armetierig hospitaaltje in Dobrinja, geheel gerund door vrijwilligers die zichzelf aan een strak schema hebben onderworpen, maar waarop de Servische vijand met zijn vernietigende granaten het doorlopend heeft gemunt. Iedere dag draagt het kind dezelfde kleertjes. Hongerig, angstig kijkend door het lawaai van de onophoudelijke bombardementen en wachtend op Elly Elly.
Ellen Blackman is televisiejournalist en op eigen initiatief naar Sarajevo gekomen met een, nu kapotte, video 8 camera waarmee ze de gruwelen van Dobrinja heeft vastgelegd. Het videomateriaal is in Amerika coast to coast uitgezonden, maar geld heeft Elly Elly echter nooit gezien. Geld dat ze zo hard nodig heeft om haar levensdoel te verwezenlijken: het openen van een kantoortje en opstarten van een kinderproject in Dobrinja. Op dit moment ontbeert ze alle middelen en slaapt in de goedkoopste kamer van het Holiday Inn. Zonder water, zonder elektriciteit, weggeschoten ramen en veel te weinig dekens. “Kan ik alvast wennen aan de winter.”, zegt ze, en het is nu september.
We bieden haar aan in Nederland een omroep of andere instantie te interesseren om voor haar project een inzamelingsactie te starten. Maar dan moet ze wel even het één en ander op papier zetten, zodat we de fax in werking kunnen zetten. Een paar dagen later staat alles op twee A-viertjes. Na thuiskomst in Nederland doen we wat we kunnen en krijgen ‘Wilde Ganzen’ van de IKON zover aandacht te besteden aan het project van Elly Elly, die op hun beurt per fax nog wat nadere informatie van haar willen hebben.

Nooit meer iets van Elly Elly vernomen. Het zal toch niet…

Husein[bewerken]

We gaan op bezoek bij radio Zid (muur) Sarajevo. Drie maanden geleden in het leven geroepen door de kettingrokende intellectueel Grebo, met als doel de inwoners van Sarajevo te ondersteunen middels praatprogramma’s en goeie popmuziek. Technici, DJ’s, administratie en management werken dag in dag uit en non-profit aan de programma’s, als het lichtnet tenminste is ingeschakeld. Vijfenzeventig procent van de radioluisteraars in de stad heeft op de zender afgestemd en reageert tijdens speciale programma’s via de telefoon op thema’s die betrekking hebben op tal van denkbare onderwerpen. Hier bij radio Zid zijn etnische verschillen niet aan de orde, men is vrienden voor het leven. Oorlog maakt ook vrienden, zelfs wij ondervinden dat hier dagelijks, gewoon een cameraploegje uit Holland.

We raken aan de praat met Husein. Husein is DJ bij radio Zid, wordt door zijn collega’s kortweg ‘Hus’ genoemd en draait plaatjes uit de sixties en seventies. Hus is dus eigenlijk een ouwe rocker met veel radio ervaring. Ook Hussein heeft, zoals de meesten van zijn stadgenoten, zo zijn eigen verhaal over deze oorlog die nu al zeventien maanden woedt in de stad waar hij geboren is.
Hussien is alles kwijt. Zijn huis, in een betere buurt van Sarajevo, z'n inboedel, z'n enorme CD-en platencollectie, de geluidsinstallatie en kleding. Kortom zijn hele ziel en zaligheid, álles is hij kwijt. Zijn hele tastbare verleden is bij een granaataanval van de Servische agressor letterlijk in vlammen opgegaan. Nadat hij ternauwernood aan de vlammenzee was ontkomen, is hij bij z’n broer ingetrokken. Het jack dat hij draagt, met University-opdruk, heeft hij van zijn nieuwe buurmeisje gekregen. Husein zal het zwaar krijgen de komende winter, want veel vet heeft hij niet meer op z’n botten. Sedert de belegering van Sarajevo is hij vierentwintig kilo van zijn oorspronkelijke gewicht verloren. De ogen van Hus, vanachter de glazen die door een sterk verouderd montuur bij elkaar worden gehouden, spugen vuur. Die ogen spreken boekdelen als hij het verhaal vertelt van zijn vriend Zenad.
Vriend Zenad en Husein kennen elkaar al vanaf de kleuterschool. Ze wonen naast elkaar, gaan samen naar de middelbare school, tienertijd. Schoolfeestjes, het eerste biertje, vriendinnetjes. Alles wisten en deden de twee maatjes van en met elkaar. Altijd waren ze wel samen ergens te vinden. Hus wordt technicus en DJ bij de radio en Zenad gymleraar op de basisschool. De luisteraars zijn dol op Hussein, de kinderen op Zenad. Maar Zenad is ook lid van de schietvereniging. Zenad is goed. Zenad wordt scherpschutter. Zenad wint prijzen.

Het is april 1992 en de eerste schoten vallen in Sarajevo. De stad is omsingeld en Zenad, Bosnische Serviër of andersom, loopt over naar de vijand op de heuvels. Zenad wordt Chetnik. Sterker nog, Zenad wordt sluipschutter en ligt al zeventien maanden achter zijn telescoop op nauwelijks drie kilometer van de buurt waar hij is opgegroeid en als kind indiaantje speelde met Husein. In zijn vizier heeft Zenad het schoolplein van de basisschool en de spelende kinderen die hij vorig jaar nog gymles gaf. Zenad heeft van z’n hobby z’n beroep gemaakt en dat geeft hem een kick. “Ik kan het niet anders uitleggen,” stamelt Husein en in zijn ogen staat alleen maar ongeloof geschreven, “het moet hem een kick geven weerloze kinderen van het schoolplein af te schieten, of hebben jullie een andere uitleg?”.
Veel slachtoffertjes heeft Zenad al gemaakt het afgelopen anderhalf jaar, in opdracht van Dr. Karacic, leider van de Bosnische Serviërs. Vroeger psychiater, nu psychopaat. De man met de weelderige grijze haardos, vriendelijke glimlach en altijd vrolijk zwaaiend naar de camera’s in New York, Parijs, Genève of Brussel. Karacic is verslaafd aan de grote macht, Zenad aan de kleine. Het kleine gebiedje dat hij van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat de stuipen op het lijf jaagt, het gebiedje rond de basisschool. Dit gebiedje is de specialiteit van Zenad geworden.
Husein zit naast ons, toeft met zijn gedachten in een andere wereld en staart maar weer eens in het niets. Maar opeens zegt hij: “Op een dag, op een goeie dag, zullen Zenad en ik elkaar weer ontmoeten in café Plantage in het park,” zijn woorden rollen computergestuurd over zijn lippen, “en dan zal ik mijn vriend een biertje aanbieden zoals vroeger, en dan moet hij mij maar eens haarfijn uitleggen wat zijn motivatie was om de kinderen op het schoolplein af te knallen.

Husein zwijgt weer langdurig, zijn ogen zijn nu gesloten en we vragen hem hoe het met zijn haat zit. Hij schrikt, denkt en na een aantal minuten zegt hij zachtjes: “Ik denk dat mijn gevoel veel verder gaat dan haat, veel en veel verder. Maar vriend, even iets heel anders, zou.je nog een sigaretje voor me willen draaien...?”.

Alvira[bewerken]

Samen met de inwoners van Sarajevo hebben we geluk, want er wordt op dit moment relatief weinig geschoten in de stad. De snipers zijn weliswaar nog volop bezig het centrum te bestoken, maar er wordt tenminste niet met granaten gegooid. Voor ons een mooie gelegenheid om wat opnamen in de stad te maken en vanwege het overgewicht laten we vandaag onze beschermende vesten achter in het hotel.
We ontmoeten in een omgehakt park een moeder die samen met haar zoontje een eenmansschooltje vormt. Ze overhoord haar telg en wij mogen het filmen. We geven haar een pakje sigaretten als dank en het jongetje wat snoepjes, een lekkernij waarvan hij de smaak allang vergeten was. Ze lachen allebei breeduit.
We vervolgen onze weg door Sarajevo en filmen twee echtparen op leeftijd die samen voor de komende bizarre winter de laatste boomstronken met een veel te botte bijl uit de grond proberen te beuken. Hun benige lichamen brengen een bewonderenswaardige wilskracht voort.
We draaien lange rijen mensen bij een van de schaarse waterbronnen in de stad. De mensen, die uit alle sociale geledingen afkomstig zijn, wachten zwijgend en gelaten hun beurt af. Op een andere hoek zien we niet minder lange rijen wachtenden met distributiebonnen in hun handen (waar kennen we dit ook alweer van?) bij een bakkerswinkel, voor hun dagelijkse stukje brood.
We ontmoeten in een rustige straat een oudere man met een doorgroefd gezicht, die met een groot mes dat aan een lange stok is vastgebonden takken van bomen afsnijdt om thuis in zijn kachel te verstoken. Hij vertelt dat hij in 1945 deze bomen zelf heeft geplant en het hem aan zijn hart gaat dat hij zijn eigen reuzen moet onttakken om straks toch een beetje warm te blijven. We maken opnamen van een hoopje schroot dat ooit een bushalte moet zijn geweest waarop graffititekst EUROPE = CHETNIK is gespoten. We kunnen ons die gedachte wel enigszins invoelen.
Een stukje verderop op een pleintje filmen we dansende en zingende kinderen, die in hun spel even zijn vergeten dat ze wel eens volop in het vizier zouden kunnen staan van de laffe Servische sluipschutters daar boven op de heuvel en hun doelen voor het uitkiezen hebben, maar waarschijnlijk even lunchtijd hebben en zich achter hun dodelijke speeltjes tegoed doen aan een sandwich. Als we even later in het halletje van filmbedrijf SAGA op iemand zitten te wachten, draait er opeens een deur open en één van de danseressen van het pleintje stapt samen met haar moeder op ons af. Alvira, zoals de danseres heet, gaat vlak voor ons staan en stelt zich uiterst beleefd aan ons voor. Ze is elf jaar, vertelt ze, en ze zit in het laatste jaar van de basisschool. Volgend jaar zal ze de brugklas als voorportaal voor het gymnasium gaan volgen, maar ze spreekt nu al een heel klein beetje school-Engels. Ze wil ons iets heel speciaals laten zien, zo gaat ze verder, en in haar rechter hand heeft ze een stapeltje A-viertjes geklemd. Vier pakjes papier, met nietjes bij elkaar gehouden. “Kijk, dit is onze buurtkrant voor kinderen tot twaalf jaar en ik ben de hoofdredacteur, hier kijk maar.” ze bladert haastig naar de laatste pagina en zet nadrukkelijk haar lange wijsvinger onder haar naam: Alvira Slovan.
Ze vertelt dat ze vijf maanden geleden op het idee was gekomen om deze buurtkrant in het leven te roepen, omdat er hier in de omgeving zo weinig gebeurde voor kinderen van haar leeftijd, althans zo weinig positiefs. “De kinderen mochten van hun ouders niet meer op straat spelen” vertelt ze, “of durfden uit zichzelf niet meer naar buiten te gaan. Binnen een tijdsbestek van vier weken waren drie van haar vriendinnetjes in koele bloede, op weg van school naar huis, door snipers doodgeschoten. Dus moest er iets gebeuren vond ze, dan maar binnenshuis. Ze vormde een met een paar vriendinnen een redactie en de lijnen werden uitgezet. Nu, vijf maanden later, heeft ze de eerste vier uitgaven van het buurtkrantje bij zich.

Het is ontroerend om te zien hoe verhalen, illustraties, gedichten, songteksten en nieuwsfeiten uit de buurt elkaar in de krantjes opvolgen. Maandelijks worden er vanuit het origineel vijfentwintig kopieën met de hand bijgemaakt. Elk gedicht wordt zorgvuldig overgeschreven, tekeningen opnieuw opgezet en ingekleurd, ingezonden stukken letter voor letter herschreven. En dat vijfentwintig keer. Van de opbrengst kopen de meiden papier, kleurpotloden, maar ook bloemen voor op de graven van hun overleden vriendinnen. De redactie bestaat alleen uit meisjes, ook de inzendingen zijn meestal van meisjes van de school of uit de buurt. “De jongens spelen altijd maar oorlogje op straat en dat vinden wij niet leuk.” zegt ze met spijt rond haar mondhoeken. De meeste inzendingen gaan natuurlijk over de oorlog, maar opmerkelijk is dat de vijand niet eens het doelwit is van de auteurs. De vrede wel, telkens weer is dat het favoriete thema en hoe het zal zijn als deze ellende weer achter de rug is. We mogen van Alvira een krantje mee naar Nederland nemen, maar ze zegt dat het wel haar laatste exemplaren zijn, dus slaan haar aanbod maar af. Alvira is een persoonlijkheid, nú al. Als zij spreekt, zwijgt de rest. Zonder haar stem ook maar een momént te verheffen doet ze haar zegje en dat heeft áltijd inhoud.
Als we een paar dagen later samen met haar moeder bij de uitgang van de school op haar staan te wachten, zien we door de met UNHCR-tape afgeplakte ramen dat de kinderen in de klas aerobic oefeningen doen om warm te worden en de winter is nog niet eens begonnen... Wanneer Alvira even later het schoolgebouwtje verlaat is ze, alles volledig onder controle, alweer bezig haar vriendinnen haar volgende plannen uiteen te zetten. In het decembernummer zullen de woorden van de Sarajeevse hit ‘Help Bosnië now’ worden afgedrukt, zo heeft ze besloten.

In gedachten zien we haar al staan. Op het pleintje voor haar huis, omringt door haar bevriende redactieleden, buurtkrantjes in hun handen, het zal zo rond Kerstmis zijn, uit volle borst ‘Help Bosnië Now’ zingend, in de richting van de heuvels vanwaar ze onafgebroken worden beloerd.

Mirza[bewerken]

Na het ontbijt besluiten we een kopje sterke Turkse koffie te bestellen in de kille, vochtige lounge van hotel Holiday Inn. De hal is schaars verlicht en rechts in de hoek gaat een deur krakend open en een grote gestalte presenteert zichzelf in de opening. Terwijl de deur achter hem met een geweldige rotklap terug in z'n sponningen valt, blijft de man voor een ogenblik staan en kijkt triomfantelijk om zich heen, kin omhoog, met een uitstraling van: "Zo, hier hebben jullie dus met z’n allen op zitten wachten. Op mij en op niemand anders." Zijn ogen tasten zorgvuldig de kale ruimte af. De gestalte zoekt een doel en dat doel zijn wij dit keer. Met grote, zekere passen en één hand vooruit gestoken loopt hij op ons af. Z’n donkere ogen priemen in de onze en dat blijft nog wel een tijdje zo. We geven hem een hand, we kúnnen niet anders, en de man stelt zich aan ons voor. Hij draait theatraal met zijn hoofd, maar zijn ogen blijven priemen. “Mirza is de naam, Mirza'." en hij laat bewust een lange pauze vallen. “Mijn ouders hebben mij deze prachtige naam gegeven omdat ze in de toekomst konden kijken. Mirza betekent namelijk Prins in het Turks.” zo stelt hij vast. We bieden hem een kopje koffie aan, je moet toch wat, en Mirza gaat gretig op ons aanbod in. Nadat hij naar onze namen heeft geïnformeerd, maakt hij ons met omslachtige armgebaren duidelijk dat hij een ábsolute vedette is in Sarajevo. Hét middelpunt van het culturele leven, dé ster uit de Bosnische TV-series, en dé Othello uit het gelijknamige theaterstuk. “Bosnië lag aan mijn voeten gedrapeerd.”, oreert hij met een dragend stemgeluid. Grote stappen gauw thuis. Maar bijna in dezelfde zin informeert hij hoe het nu toch zit met de repen melkchocolade die ongetwijfeld op onze hotelkamer op hem liggen te wachten, hoeveel repen het er zijn en dat er toch zéker twee voor hem en zijn zoontje tussen moeten liggen. “Zullen we dan samen maar naar boven lopen, mister Paul?!” en volkomen overrompeld loopt Paul samen met Mirza naar onze kamer op de derde verdieping.
Mirza’s ego is groot, Mirza's ego is héél groot en boven alles en iedereen uitgestegen. Ondanks zijn werkloosheid sedert het begin van de oorlog is dat ego niet of nauwelijks aangetast en daarin staat hij niet alleen. Hoe vaak hebben we niet in gesprekken met mannen hier moeten aanhoren hoe belangrijk ze eigenlijk wel zijn, dat het hier in Bosnië eigenlijk, éígenlijk gaat om het uitverkoren volk, en dat Sarajevo hét middelpunt van deze aardbol is. Maar de cultuur hier, in dit voormalige Joegoslavië, is een macho-cultuur. De rolverdeling tussen man en vrouw is nog altijd als volgt. Als je hier de moeite neemt wat dieper door te dringen tot het fenomeen man, dan kom je al snel tot de conclusie dat de meeste van hen het diep in hun hart prachtig vinden om oorlogje te voeren en macht uit te oefenen over anderen, en dat is al honderden jaren zo. Als er geen directe reden is de degens met elkaar te kruisen dan wordt er wel een verzonnen, altijd is er hier wel iets om over te bakkeleien. De borst van de Bosnische, Kroaatse, Kosovaarse of Servische man wordt nóg breder dan hij van nature al is, als hij in z’n camouflagepak over straat loopt. De vinger dicht bij de trekker van zijn geladen pistool die hij dag en nacht op z'n heup met zich meedraagt.

Zo maakten we een jaar eerder in Kroatië een documentaire over de beroemde naïeve schilder Josep Geueralie. Een nogal belangrijke persoonlijkheid binnen de naïeve schilderkunst en heeft de schaapjes op het droge want zijn doeken zijn een vermogen waard. Zo op het eerste gezicht een vriendelijke en bescheiden man, was bereid aan alles wat we hem vroegen mee te werken, niets was hem te veel, kortom gastvrijheid alom. Zo zaten we op een dag, heerlijk Kroatisch zonnetje, in zijn prachtige tuin te lunchen. Josep had, zoals iedere dag dat we er waren, weer eens uitgepakt en een heerlijke lunch voor ons op tafel laten zetten. Niets was hem te dol, zelfs zijn varken moest er een dag tevoren aan geloven. De tafel stond boordevol met de heerlijkste ingrediënten, ook andere gasten waren aangeschoven. Maar plotseling was er van Josep geen spoor meer te bekennen. Josep was tijdelijk uit het zicht, totdat hij na een halfuurtje volkomen onverwacht en onder luid gebrul en gekrijs zomaar vanuit het niets terug voor onze bordjes sprong. Kennelijk om indruk te maken had hij zijn gezicht zwart geschminkt, een camouflagepak aangetrokken en een helm met takken op z’n hoofd gezet. We schrokken ons drie slagen in het rond en alsof het allemaal nog niet genoeg was, wierp hij twee vlijmscherpe messen voor ons in de tafel en begon als een wilde zijn pistool op de vogels in zijn tuin leeg te schieten. Het was voor ons nou niet bepaald een gebeurtenis die we dagelijks meemaakten, maar de andere gasten die met ons de tafel deelden verblikten of verbloosden niet, deden het één en ander af met een minzaam lachje, maakten wat foto’s van Josep terwijl hij z'n act opvoerde en vervolgden hun maaltijd alsof er niets aan de hand was.

Mirza heeft ons bij hem thuis uitgenodigd, en knippend met duim en wijsvinger dirigeert hij zijn bloedmooie vrouw naar de keuken om een kopje thee voor ons te zetten. Ondertussen worden we telkens weer hinderlijk lastiggevallen door een verwend nest van een jaar of zeven, die stampvoetend door de kamer marcheert en het zoontje van Mirza blijkt te zijn.
De huiskamer is door mevrour Mirza gezellig en smaakvol ingericht, maar in welke richting we ook kijken, overal komen we Mirza tegen op staande en hangende foto’s. Eentje sterk uitvergroot in kleur, inderdaad als Othello. Een interessante, hand-onder-de-kin zwart/wit studie. Op een in het oog springende plaats een foto waarop Mirza de hand schudt van de minister van cultuur en in de goed gevulde boekenkast een foto van Mirza met zoon. Waar we ook kijken, het is Mirza, Mirza en nog veel meer Mirza.
Onze ego laat ons, terwijl het UNHCR-plastic op de plaats waar ooit ramen hebben gezeten vanwege de harde wind klapperende geluiden maakt, tientallen plakboeken zien uit zijn glorietijd. Waarin tot vervelens toe honderden krantenkoppen Mirza’s belangrijkheid illustreren, gecompleteerd met foto’s van Mirza in de diverse karakterrollen. Gastvrij zijn ze wel bij de familie Mirza, het ontbreekt ons aan niets, voor zover dat mogelijk is hier gelet op de omstandigheden althans, maar na anderhalf uur beginnen onze magen vanwege zoveel Mirza toch wel heftige omwentelingen om hun eigen as te maken. Tijdens ons afscheid zien we dat de voordeur is doorzeeft met kogelgaten, de projectielen zijn op de muur erachter afgeketst. Mirza verzoekt ons tijdens het afscheid beleefd doch dringend, wéér die priemende ogen en dat theatrale hoofd, hem en zijn familie uit deze vervloekte stad te evacueren en te helpen een nieuw bestaan in Amsterdam op te bouwen.

Ik zou het niet doen als ik Mirza was.

Puska[bewerken]

Deze week moeten we nogal wat burelen af en telefoontjes plegen, want we willen een portretje maken van een van de eerste patriotten van deze stad, commandant Puska. Dagenlang moeten we formaliteiten, formulieren en ander papiergedoe doorworstelen, alvorens we kunnen doordringen tot het kantoor van deze, nu al, legendarische man die zichzelf aan het begin van de oorlog tot commandant van het centrum van Sarajevo heeft gebombardeerd. Hij staat daarin niet alleen, want een groot deel van het Bosnische leger had voor de belegering nog nooit iets met legeractiviteiten van doen gehad.
Na twee dagen pendelen lukt het ons dan uiteindelijk toch om door te dringen tot het kantoortje van de secretaresse van de commandant, die haar baas aan de andere kant van de deur van onze aanwezigheid op de hoogte brengt en een afspraak maakt om een voorgesprek met hem te hebben. Eigenlijk is het allemaal wel zonde van onze tijd, want we hebben wel wat anders te doen in de tijd die ons nog rest, maar we gokken het erop.
De volgende dag kunnen we dan uiteindelijk terecht bij commandant Puska, dat gun of geweer betekent, het opperhoofd van het 2e Bosnische bataljon en het centrum van de stad onder controle heeft. Bij hoge uitzondering mogen we een dagje met hem mee op stap en dat alleen omdat we uit Holland komen. Puska heeft veel ‘vrienden’ in Amsterdam, zo zal hij ons even later toevertrouwen, hij is er wel vijftig keer geweest……! Beneden bij de entree van zijn residente staat een wacht gewapend met een Uzi onder de wapperende Bosnische vlag. Twee pistolen op de heupen en een rode baret schuin op z’n hoofd. We laten onze UNPROFOR-pasjes zien en het gezicht van de man begint meteen te stralen, z’n ogen glimmen. “Aaaahhhh…, Holandija…., Ajax…., Johan Cruijff…., Keizer…., Blankenburg, Haan, Mühren, Hulshof, Neeskens, Stuy, Krol…..", alsof ze gisteravond nog een belangrijke Europacup-wedstrijd speelden, dreunt hij in een hoog tempo het droomelftal van Ajax uit de jaren zeventig op. "Swart, Rijnders, Suurbier..." Geen probleem dus, we zijn hier welkom.

In het kantoor van commandant Puska staan hele en halve, al dan niet gedecoreerde granaten keurig in de lijn rechts gericht op zijn bureau. Puska aait er met zijn dikke, harige vingers liefkozend overheen. “Allemaal persoonlijke souvenirs van onze Chetnik-vrienden.” zegt hij cynisch. Aan de muren hangen een reusachtige Bosnische vlag, een schild van het 2e batiljon, bewijsfoto’s van Puska aan het front en tal van belangrijke militaire onderscheidingen. Onze gastheer laat Turkse koffie aanrukken. Hij wordt gesecondeerd door zijn 1e luitenant, die zo gewichtig mogelijk wil doen overkomen, terwijl hij naar een bokswedstrijd op Eurosport zit te kijken. Commandant Puska loert vanuit zijn ooghoeken met hem mee.
Puska zat voor de oorlog in ‘zaken’, vertelt hij ons en hij ziet eruit als een Amsterdamse penosejongen, alleen de zwarte bouvier ontbreekt nog. Het verklaart wel wat zijn affiniteit en ‘vriendschappen’ met en in onze hoofdstad zijn, zo bedenken wij ons.
Puska moet jarenlang en vele duizenden uren in sportscholen hebben doorgebracht, want zijn getatoeëerde armen, stierennek en onvermijdelijke, felgekleurde trainingspak doen ons huiveren bij de gedachte hem op een verkeerde dag in Amsterdam tegen te komen.
Puska is wel vriendelijk, er komt een tweede rondje koffie aan. Hij houdt doorlopend zijn vingers voor zijn mond, want hij is gisteren tijdens een robbertje karate al zijn voortanden kwijtgeraakt. Zo wil hij niet op de film zegt hij. “Jullie zijn aardige jongens hoor, maar zó ga ik niet op televisie.” meldt hij via onze vertaler Almir en duwt met zijn rechterbeen achteloos zijn draaistoel in de richting van het televisiescherm. Met één meedogenloze zin uit de mond van de commandant worden dágen van research teniet gedaan. Maar we geven het niet op, leggen hem omzichtig uit dat de kijker thuis het niet zal zien en liegen dat we hem alleen in een ruim shot en half en profil zullen opnemen. Het compromis werkt.
De commandant laat ons op een gedetailleerde landkaart zien waar de Chetniks zich op dit moment ophouden en legt ons trots uit vanuit welke posities hij hun ingegraven stellingen met mortieren bestookt. We gaan met hem, terwijl we worden geflankeerd door een drietal lijfwachten met Uzi’s, naar een begraafplaats. Een plek, niet ver buiten het centrum, waar vroeger talloze bomen moeten hebben gestaan, honden werden uitgelaten, bankjes stonden, kinderen speelden en verliefde stelletjes afspraken. Maar het park is nu bezaait met kruizen, ook tal van Puska’s kameraden liggen hier begraven. De commandant raakt zichtbaar geëmotioneerd en knielt bij het graf van zijn beste vriend Mohammed, die dit jaar 36 jaar zou zijn geworden.
Gedekt door zijn lijfwachten lopen met hem door het hart van Sarajevo, want we bevinden ons in een van de vele snipers-gebieden. Puska doet doet hier midden in het centrum zijn relaas over de strijd met de Serviërs en wijst ons de plek aan waar hij aan beide benen gewond is geraakt.
We merken dat Puska, ondanks zijn twijfelachtige ‘zakelijke’ verleden in Amsterdam, zijn Bosnische hart wel op de juiste plaats heeft zitten en is merkbaar geliefd bij de Sarajeevse bevolking. En daar zouden ze wel eens gelijk in kunnen hebben, want tussen de bedrijven en het filmen door, helpt hij een oudere vrouw die vastzit met haar karretje vol zware jerrycans met water. Iedereen wil wel een praatje maken met commandant Puska. "Commandant! Commandant!"

Bij ons afscheid laat Puska zijn zojuist ontvangen loonzakje van deze maand zien. De inhoud bedraagt, naast een ingewikkeld formulier vol onbegrijpelijke woorden, heel veel stempels en door krullende handschriften gesigneerd, het gigantische bedrag van 4 D-marken. Puska mompelt wat en terwijl hij bij wijze van tot ziens onze handen kraakt zegt hij: “Doe vooral de groeten aan Amsterdam!” schudt zijn hoofd en loopt weg.

Boris[bewerken]

‘s Avonds om zes uur in het hotel aangekomen blijkt er weer eens geen water en elektriciteit te zijn. Gelukkig is Paul ’s morgens zo bijdehand geweest om het bad vol te laten lopen met water, zodat we met behulp van een colafles onze tanden kunnen poetsen en de rest. De badkamer staat blank, diarree aanstaande.
Na het invallen van de duisternis maken we vanuit onze verduisterde hotelkamer nog een aantal opnamen van een ongelooflijk heftige schietpartij op de uitlopers van de bergen achter ons hotel, hier nauwelijks tweehonderd meter vandaan. Serviërs en Bosniërs bestoken elkaar met een onwaarschijnlijk geweld, bazooka lichtsporen maken van de avond weer even dag en de bulderende voltreffers veroorzaken een echo waarbij wij toch werkelijk het gevoel hebben dat we in een oversized computerspelletje terecht zijn gekomen. Is dit allemaal wel echt?
De lichtsporen zijn bijna tastbaar, de oorverdovende knallen bijna niet meer zonder overstuurd geluid door onze recorder te registreren. De gevechten zijn rond deze tijd zo ongeveer een ritueel geworden, maar vanavond korter dan we inmiddels gewend zijn dus kunnen we naar onze afspraak bij Senad en Branca die beiden voor de televisie werken en in een buitenwijk van Sarajevo wonen. Ze maken voor ons een maaltijd van UNHCR-lasanga en een overheerlijke, zelfgemaakte saus waar we onze stukjes brood in dopen.
Wij, de gasten, zijn met z’n drieën. Almir, Paul en ik. Boris, onze chauffeur, vóór de oorlog geluidstechnicus bij de Bosnische televisie maar nu achter het stuur van zijn VW omdat hem dat ongeveer het 150-voudige van zijn huidige salaris bij de TV oplevert. Hij komt ons om kwart voor tien ophalen, want om tien uur gaat hier de avondklok in. Zonder een speciaal bij de autoriteiten aangevraagde politie-accreditatie is het na tien uur gewoon thuiszitten geblazen.
Bij kaaslicht hebben we met z’n vijven verhitte discussies over hoe het nu verder moet met Bosnië. We weten het geen van allen, maar wat we wél weten is dat wij westerlingen de Bosniërs op een schandelijke manier in de steek hebben gelaten. Paul en ik hebben een plaatsvervangende schaamte over onze regering, de EG en Amerika. We zijn het er samen wel over eens dat als er maar interessante delfstoffen in de Bosnische bodem zouden zitten, het Joegoslavische verhaal toch héél anders zou liggen en deze gruwelijke oorlog allang afgelopen zou zijn. Of olie, nog beter, olie!! We schamen ons, maar dat hoeft helemaal niet, want Nederlanders hebben, zoals we zo vaak in het buitenland horen en nu ook bij deze familie, veel krediet (maar waarom ook alweer??) en Amsterdam is de mooiste stad op aarde, het absolute paradijs.
De tijd vliegt voorbij en voor we het in de gaten hebben is het al kwart voor tien geweest, de avondklok gaat bijna in, maar onze chauffeur Boris is nog steeds niet op komen draven en brengt ons daarmee in grote problemen. Boris is dol op geld, maar niet op werk, zo hebben we al eerder deze week mogen ervaren. We moeten dus lopen, er zit niets anders op, zes kilometer naar hotel Holiday Inn en er is maar één weg: Snipers Alley…. We gaan op pad in een aardedonker Sarajevo, want met de avondklok gaan in verband met eventuele vijandelijke aanvallen ook de lichten uit in de stad. Onze enige oriëntatie is het spaarzaam verlichte TV-gebouw, links van Snipers Alley.
De weg ligt bezaaid met scherpe en andere onhandige obstakels, zoals honderden kapotgeschoten autowrakken. Het is hier, en zéker op dit tijdstip, eenvoudig benen breken. Hoe vertellen we het de diverse politie-controles onderweg? We zullen worden verdacht van Servische spionage-activiteiten en hoe maken we het de Chetnik-snipers daar boven op de heuvels duidelijk dat we alleen maar proberen het hotel te halen. We weten dat ze ons via hun infrarood kijkers gadeslaan. Ik doe mijn lichtgekleurde spijkerjack maar uit om niet meer op te vallen dan strikt noodzakelijk is. Het regent zachtjes, ook dat nog. Boris, de lul, morgen ontslaan we hem.
Maar gelukkig hebben we weinig controles onderweg en bovendien een beetje geluk. Een gloednieuwe rode Mazda sport stopt en de bestuurder biedt ons, na eerst om onze identiteitspapieren te hebben gecontroleerd, een lift aan. Onze kersverse chauffeur heeft een kaalgeschoren hoofd en armen als enorme stalen kabeltouwen, waarop onder meer de naam van een vrouw staat getatoeëerd. En dan die splinternieuwe rode Mazda….., we weten dus wat voor vlees we in de kuip hebben. De man zwijgt en als Almir hem iets vraagt in het Bosnisch-Kroatisch, gromt hij wat terug. Hij heeft wel ándere dingen aan zijn hoofd op dit moment, zoals het ontwijken van stukken staal op de weg en wat te denken van de lafaards daar rechtsboven ons in de bergen. Ik zie dat zijn kilometerteller op een goed moment oploopt tot dik boven de honderdvijftig. Maar het rijdende feest is helaas van korte duur, want onze grommende klerenkast achter het stuur raakt een venijnig obstakel dat op Snipers Alley ligt en rijdt zijn rechter achterband met een verschrikkelijke klap te pletter. In de druilerige regen proberen we met z’n vieren het zaakje te klaren, maar de leverancier van de Mazda heeft een verkeerde maat wielsleutel bijgesloten dus is er van wiel wisselen helaas geen sprake. Na ruim een kwartier martelen in de inmiddels stromende regen geven we het op. We verontschuldigen ons en de kale man zal de nacht bij vrienden in de buurt doorbrengen. We geven onze geblokte vriend een hand, aaaauuuuwww!!, bedanken hem en vervolgen onze weg. Te voet. Na dik een half uur lopen komen er lampjes van ons hotel in zicht en we slaken een zucht van verlichting. Maar we juichen te vroeg. Want plotseling vallen er, vanuit het niets, schoten links en rechts van ons. We spuiten alle drie gebukt een kant op in de duisternis. Stilte….
“Hé Almir, where are you?”. “Paul, waar zit je?”. Na een paar spannende minuten vinden elkaar en rennen als gekken naar de andere, wat veiliger kant van Snipers Alley en zoeken dekking achter een kapotgeschoten stadsbus. We hollen voor ons leven vanachter objecten, waarvan we geen idee hebben wat het zijn langs een sluiproute, van flat naar flat naar de veilige achterkant van het hotel. En weer vallen er schoten, maar nu van een heel andere kant en dit keer bedoeld voor een auto die met gedoofde lampen de oprijlaan van het hotel op scheurt. Bezweet vallen we het halletje van het hotel binnen, waar een verbaasde nachtportier ons zit aan te staren.

Boris hebben we de volgende dag ontslagen uit zijn lucratieve functie. “One day I will find you in Amsterdam.” snauwt hij ons nog toe.

Pirgi[bewerken]

Pirgi hangt lusteloos in een canapé-achtig iets in de lounge van het hotel. Hij is mager, klein van stuk, heeft zwart glimmend haar, een smal gezicht, haakneus en donkere slimme ogen. Pirgi is beroepsmilitair in het Bosnische leger en maakt deel uit van het 4e regiment, de elite-troepen en de absolute helden van Bosnië. Het regiment van Pirgi is altijd in de frontlinies te vinden. In Mostar, op en om de berg Igna, de grens van Kroatië of Servië. Staf en manschappen zitten in een zogenaamde ‘maand-op-maand-af’ regeling, zoals men dat in legerkringen noemt, want langer dan een ‘maand-op’ schijnt vanwege de stress niet mogelijk te zijn. De gevaren en bovenmenselijke spanningen waar deze dappere strijders aan blootstaan werken kennelijk zó diep in op de menselijk psyche, dat de leiding heeft besloten deze regeling in te voeren.
Ondanks dat Pirgi niet te koop loopt met zijn heldendaden, geniet hij veel respect en aanzien bij mensen die hem kennen. Hij is sergeant en heeft de leiding over een kleine eenheid die altijd diep in de punt van de linies is gestationeerd. Keer op keer zorgen Pirgi en zijn mannen ervoor dat de wegen voor de Servisch/Kroatische vijand worden afgesneden en zijn er tot op heden dan ook niet in geslaagd doorgangen te forceren en Sarajevo binnen te denderen. Vele mitrailleurs, bazooka’s, luchtdoelraketten en ander oorlogstuig hebben de mannen van Pirgi al naar een andere wereld geblazen, inclusief de bediening erachter. Hoe meer doden je op je conduïtestaat hebt staan in een oorlog zoals deze, hoe langer de rij aan eredecoraties wordt. Als we op een avond samen met Almir iets gaan eten in een relatief rustig gedeelte van de stad, gaat Pirgi met ons mee en drinken Sarajeevs bier in een half verduisterd cafeetje. Bier met een ongelooflijk zure nasmaak vanwege het gebrek aan een aantal benodigde ingrediënten. Oorlogsvocht waar wij westerlingen dagen later nog oprispingen van zullen krijgen, maar Pirgi niet, Pirgi is dit ranzige goedje wel gewend. En Pirgi drinkt veel, Pirgi drinkt héél veel. Eigenlijk zuipt Pirgi tegen de klippen op. Maar daar heeft hij ook alle reden toe, vinden wij, want over twee dagen zal hij met zijn manschappen weer een maand lang op de grens van leven en dood moeten balanceren.
Pirgi wordt na verloop van enige tijd nóg lammer dan hij al was. Liederlijk lam wordt hij en ziet de beelden die hij over pakweg drie-vier dagen weer zal tegenkomen, alweer voor zich. Hij wordt ook behoorlijk emotioneel en slaat, half van z’n stoeltje rollend, zijn arm om onze schouders en vertrouwt ons toe dat we echte wéreldgozers zijn. Wat krijgen we nou? Ho ho, Pirgi, je ként ons helemaal niet, ga maar eens met onze exen praten! Maar nee hoor, niets en niemand kan de in kennelijke staat verkerende sergeant tot andere gedachten brengen.
Opeens begint hij in een van zijn camouflagezakken te rommelen, hij is op zoek naar iets. Alles wat hij tegenkomt, en dat is veel, gooit bij lallend voor zich op de tafel. Nog een biertje Pirgi? Hij doorzoekt, voor zover dat gaat, het hele gedoe grondig en er wordt na een flesje of achttien, negentien zure Sarajevo pivo ernstig door hem nagedacht. Maar opeens schijnt hij te hebben gevonden waar hij naar op zoek was en plechtig overhandigd hij Paul een kleinood en spelt het trillend van de drank op z’n overhemd. Het blijkt een Bosnische eredecoratie te zijn. Almir legt uit dat dit een Bosnische legeronderscheiding is voor moedig gedrag aan het front. Paul weigert, maar daarvan mag toch absoluut geen sprake zijn vind Pirgi, ondertussen hevig rochelend van bier in combinatie met de twee pakjes sigaretten die hij inmiddels naar binnen heeft gezogen.
Ondertussen gaat Pirgi gewoon door met het gerotzooi op tafel, grabbelt met z’n vingers in z’n portefeuille en vindt uiteindelijk nog een tweede trofee. “Kijk,” zegt hij tegen mij, nog steeds met zijn linkerarm om mijn schouder, “weet je wat dit is?” Voor me ligt een mini-speldje en ik meen daarin de Kroatische vlag te herkennen. Dat blijkt juist, het speldje heeft de vorm van een schild, is drie bij drie centimeter in omvang en er zitten wat krassen op. “Zie je die ‘U’ daar boven op dat ding?” lalt Pirgi met dubbelgeslagen tong, “die ‘U’ symboliseert het keurkorps van de Kroaten. Kijk, vriend, de vorige keer toen ik in Mostar was, werd ik ingesloten door wel vijf, zes Kroaten. Ik was volkomen kansloos en in gedachten had ik al afscheid genomen van familie, vrienden en mijn leven. De enige mogelijkheid die overbleef was in blinde razernij mijn mitrailleur op die hufters leeg te spuiten, ik kon gewoon niet anders. En voor ik het goed en wel in de gaten had lagen alle boys de pijp uit om mij heen op de grond. Het was een groot wonder dat ik je dit kan vertellen, een heel groot wonder."
Pirgi legt uit dat het een tamelijk normale oorlogshandeling is de zakken van degene die je hebt neergelegd op eventuele verrassingen te controleren. “En in één van de zakken van die gasten vond ik dit schildje en dat is nu voor jou. Souvenir van de vijand."

Ariana[bewerken]

Ariana is sedert het begin van de oorlog één van de sterverslaggevers van de Bosnische televisie. Bijna dagelijks is ze met een cameraploeg in de buurt van de frontlinies te vinden om verslag te doen van de helden die Sarajevo verdedigen. We vragen of we een keer met haar mee mogen, want we zijn er nu toch. Naar het front wel te verstaan. Maar daarvan is absoluut geen sprake, zegt ze, “Die verantwoording neem ik niet op me, dat is alleen weggelegd voor een gekken zoals ik. Ik heb dan wel al achttien maanden een engeltje op mijn rug zitten, maar die garantie kan ik jullie natuurlijk niet geven. Bovendien vereist dat gescharrel daar boven op die heuvels toch wel enige ervaring, het kleinste foutje kan je einde zijn, maar ook die van mij. Nee sorry, het spijt me." Enigszins teleurgesteld zijn we wel, maar ons begrip overheerst uiteindelijk. Als compromis stellen we voor wat van haar dagelijkse activiteiten te filmen, behalve het heavy werk dan natuurlijk, maar daarvan zouden we eventueel haar video-materiaal kunnen gebruiken. Ariana stemt daarin toe. Ze is op haar expedities daar boven op de heuvels al een aantal collega’s verloren. Sommigen van hen heeft ze in de buitenwijken van Sarajevo begraven, anderen bezoekt ze regelmatig in de geïmproviseerde hospitaaltjes. “Het is gek hè,” gaat ze door, “ik ben helemaal niet gelovig, maar toch heeft iemand daar boven het op mijn missies begrepen en het engeltje waar ik het over had op mijn schouder gezet. Want hoeveel heb ik er niet om me heen zien vallen, maar ik heb niets, kijk maar, nog geen schrammetje." Ariana ziet er inderdaad spic en span uit. Goed verzorgd, snel kappertje, elegante kleding, zorgvuldig rood gelakte hand-en teennagels, idem lippen, kortom niets op aan te merken. Ze staat daarin model voor de vrouwen in het algemeen in Sarajevo. Want voordat ze hier de straat opgaan, wordt er zorgvuldig en uitgebreid toilet gemaakt. Vrouwen hier, in tegenstelling tot de mannen, ontkennen de oorlog hardnekkig. Trippelend op modieuze pumps klauteren ze over de puinhopen op weg naar het nog draaiende kantoor, zwarte markt of centrale waterplaatsen. Aan de vrouwen hier zie je niet dat de oorlog al zo lang en gewelddadig woedt.

Ariana zegt dat we ons dinsdagochtend maar bij haar huis moeten melden. “Het is wel vroeg opstaan hoor,” verontschuldigd ze zich, “maar ik maak nu eenmaal lange dagen." Ze woont alleen met haar moeder, want voor een serieuze relatie heeft ze geen tijd, hoewel ze na enig doorvragen toch wel erg verliefd blijkt te zijn op een editor van haar werk. Maar hoe moet zoiets nou, qua eventueel samenwonen of iets van dien aard, “maar daar moet toch op den duur iets op te vinden zijn, hoop ik." zegt ze met een verborgen glimlach rond haar mond. Daarbij komt dat de moeder van Ariana hulpbehoevend is en de verzorgende taak heeft ze naast haar werk voor de televisie op zich genomen.

Het is dinsdagochtend kwart over vijf in de ochtend en nog aardedonker als we bij haar flatje aanbellen. Ariana is al wakker en juist op weg naar de waterplaats aan de overkant van de straat. Als ze hijgend terugkomt, begint ze bij het licht van een zaklantaarn voor een gebroken spiegel onmiddellijk aan haar dagelijkse opmaakritueel. En Ariana neemt daarvoor alle tijd. Oogschaduw, nageltjes, haartjes, alles wordt aan een langdurige, zorgvuldige inspectie onderworpen en na verloop van tijd worden de mannen in ons toch wel wat ongeduldig en beginnen op onze stoeltjes heen en weer te schuiven. “We hadden nog minstens een uur op bed kunnen blijven liggen…!” Maar Ariana geeft geen krimp.

Als we op weg zijn naar de berg Igna, blaast een gure wind tussen de heuvels door vanuit de tegenovergestelde richting in ons gezicht. Het gebulder van het afweergeschut komt steeds dichterbij en we krijgen toch wel een tamelijk onbehaaglijk gevoel van dit alles. Ariana niet, voor haar is dit dagelijkse kost en dat is niet overdreven en voor ons, zo was immers de afspraak, tijd om tijdelijk afscheid van haar en haar crew te nemen en wensen haar good luck.

Na ruim een uur klauteren komen Ariana en haar collega’s in de buurt van de eerste linies. Ze kent bijna alle militairen hier in de bossen rond Sarajevo persoonlijk, van hoog tot laag. Ze drinkt kopjes koffie met de commandant en maakt een praatjes met Jan Soldaat achter zijn geschut in de loopgraven. Ze maakt een hele serie interviews, draait gevechtshandelingen, maar ook de nodige covershots oor straks in de montage. De hele stand van zaken wordt in beeld gebracht zonder dat er ook maar een spoor van angst bij haar valt te bekennen.

Als de klok zo tegen het middaguur begint te lopen, wordt het weer de hoogste tijd om maar weer eens op te stappen, want de berg moet ook weer helemaal worden afgedaald. Tijdens de terugreis moeten de drie, Ariana, de camera-en geluidsman, voortdurend op hun qui-vive blijven, want één verkeerde beweging, één onachtzaam moment kan fataal zijn. Toch is er enige haast geboden, want al het verzamelde videomateriaal moet nog worden gespot, gemonteerd en uitgezonden. 's Middags in de montageruimte van de TV-studio hangt Ariana tevreden achterover in een draaistoel naast haar favoriete editor. Vanavond zal haar item in het journaal van acht uur zal de lucht ingaan. “De mensen hebben het recht te weten wat er daar boven op de heuvels gebeurt en ik heb de opdracht om deze beelden voor ze te maken."

Aan het eind van deze middag, de schemering is inmiddels al ingevallen, doet Ariana nog wat boodschappen voor zichzelf en haar moeder. De dag was inderdaad lang en het engeltje op de schouder van Ariana zit er nog steeds.

Het laatste avondmaal[bewerken]

Onze laatste avond wordt een feestavond. Via Almir zijn we uitgenodigd bij Zeky, eigenaar van een restaurantje in het centrum van Sarajevo. De tafel is chic gedekt en er wordt ons een menu, dat bestaat uit drie gangen van 3-sterren kwaliteit, geserveerd. Er is ook cola en zelfs whisky. Over de tafelindeling is nagedacht, want naast ieder mannetje zit een vrouwtje. De gesprekken gaan stroef, want de meeste spreken geen Engels, dus maakt Almir weer overuren. Desondanks is de sfeer gezellig en warm.

As de drank wat later op de avond begint te werken, worden er strijdliederen tegen de vijand gezongen. Paul en ik verstaan er geen woord van, maar het kippenvel staat wel dik op onze armen. Ook wordt er een aubade over hun geliefde Sarajevo gebracht. We vinden het zó mooi dat we alsnog besluiten camera en recorder in het hotel op te halen om het lied toch nog even vast te leggen op film en tape. De lampen worden gedoofd en het gezelschap doet het graag nog een keer voor ons over. De sfeer is geweldig. We maken vrienden.

Het loopt tegen tweeën en morgen moeten we vroeg op om het vliegtuig richting huis te halen, dus wordt het de hoogste tijd om de rekening maar eens te vragen. Met een nonchalant gebaar wordt voor ons op tafel de rekening binnen ons gezichtsveld geschoven. De dames trekken zich zo onopvallend mogelijk, maar wél allemaal op hetzelfde afgesproken moment terug. Paul en ik geloven onze ogen niet, want voor ons ligt de geïmproviseerde rekening: 1710DM…….

We overleggen, maar we komen al snel tot de conclusie dat we geen enkele kans, laat staan keus hebben. Niet betalen betekent ongetwijfeld het inleveren van onze apparatuur of erger, want de gezichten van de vriendelijke gastheer Zeky en emotionele zanger van eerder deze avond verstrakken van de ene seconde op de andere. Ook dit is Sarajevo. Ook dit zijn Bosniërs waar wij in het Westen zo massaal partij voor hebben gekozen. De maffia zit hier overal.

De volgende dag verlaten we Sarajevo en ons gevoel is tegenstrijdig. Wij kunnen hier weg. Wij wel. We vliegen naar Ancona, want Split is door oplaaiende gevechten hermetisch afgesloten, dus moeten we vanaf Ascona per trein naar Milaan en met Alitalia naar Schiphol vliegen.
Na de landing beseffen Paul en ik dat twee weken Sarajevo ons leven drastisch heeft veranderd. We geven elkaar een hand, de missie zit erop en is tot zover geslaagd. We zijn blij weer thuis te zijn, maar ons hart zit nog wel even daar in Sarajevo. Bij Aida, de moeder en het zoontje, Senad en Branca, Elly Elly, radio Zid, Oslobodenje, Husein, commandant Puska, Almir en Boris, Pirgi, Ariana en Alvira. Onze kogelvrije vesten hebben hun werk gedaan.

Helmuth[bewerken]

Enkele dagen na onze thuiskomst zit ik in de woonkamer. Het is een onbestemde, regenachtige herfstdag. Ik heb geen plannen, zet na het ontbijt de radio aan en zap wat over de zenders. Ik stuit op het Duitse achtergrondnieuws en toevallig, oh toeval, heb ik een bericht uit Sarajevo te pakken. Helmuth is aan het woord en enkele seconden geleden begonnen met zijn laatste nieuwtjes uit deze platgeschoten stad. Helmuth heeft inderdaad nieuws. Helmuth heeft groot nieuws. Helmuth weet namelijk in een mooie krakende rechtstreekse lijn te melden dat Sarajevo aan de vooravond staat van een epidemie. Helmuth is speciaal verslaggever te Sarajevo. De Bosnische hoofdstad staat, zo meldt hij, aan het begin van een verschrikkelijke catastrofe en de oorzaak van deze nieuwe ellende zijn ratten. Tienduizenden ratten hebben bezit genomen van de stad. In slagorde snuffelen en vreten ze zich door meters hoge vuilnisstortplaatsen overal in de stad. De lijn is slecht en wordt steeds slechter en dat maakt Helmuth’s nieuws alleen maar spannender. Etensresten (etensresten??), huisafval en andere nog eetbare lekkernijen, althans voor ratten, liggen te rotten op straat. In het centrum, maar ook in tal van buitenwijken van Sarajevo, zo weet Helmuth.

Nu is het zo, dat de inwoners van Sarajevo zich een aantal dingen hebben voorgenomen. De stad tot het uiterste te verdedigen, maar hun stad vooral ook schóón te houden. Dus verbranden ze alles wat nog brandbaar is thuis en wat niet in de kachel kan, verbrandt men op straat. Op talloze plekken zie je dan ook brandende containers op kruispunten staan. Zwarte rookwolken dat wel, slecht voor het milieu dat ook, maar wie bekommert zich daar nou om op dit moment in Sarajevo. Alles wordt verbrand. Op straat ligt natuurlijk wel ontzettend veel puin. Huizen, bruggen en monumentale gebouwen zijn aan gruzelementen geschoten of door granaatinslagen uit elkaar gespat, maar voor zover ik dat van Midas Dekkers heb begrepen houden ratten daar niet van. Tijdens ons verblijf zijn we toch op heel veel plaatsen geweest, maar hebben geen rat gezien, niet één! Honden wel. Soms lopen ze lopen ze scharrelend in groepjes van drie door de stad, op zoek naar iets eetbaars. Ze zijn sterk vermagerd en dat is het nu juist, het zijn van die scharminkels omdat er gewoon niets te halen valt op straat. Niets eetbaars, helemaal nakkes niente nada.
Helmuth ziet dus spoken, of liever gezegd Helmuth hóórt spoken. Helmuth krijgt zijn informatie van een obscuur buitenlands persbureautje dat, als er weinig nieuws is uit Sarajevo, op gezette tijden wat rioolinformatie de wereld instuurt. Rioolnieuws in de richting van de Helmuthjes, die op hun hotelkamers, gecamoufleerde kogelvrije-vesten aan, zonder te verifiëren een fax volschrijven of de telefoon ter hand nemen om het thuisfront van hun primeur op de hoogte te brengen. Helmuth heeft wereldnieuws! Helmuth wordt beroemd!

De strekking van Helmuth’s bericht luidt als volgt: ‘Hulporganisatie Huppeldepup heeft op zeer korte termijn vier miljoen dollar nodig om een paar ton rattenkruid aan te schaffen, om de hordes ratten die in Sarajevo rondlopen en de enorme bergen huisvuil bemannen te kunnen verdelgen. Er is haast geboden, de inzamelingsactie moet vandaag nog van start, want anders is het te laat. De volksgezondheid in Sarajevo is in groot gevaar en een epidemie bijna niet meer te vermijden."

Houdt dit nu nooit op? Wordt er nu nooit een bezem gehaald door dit soort bizarre persbureautjes die deze doortrapte leugens verspreiden? Wordt er nu nooit aan mensen als deze Helmuth een drastisch halt toe geroepen en met onmiddellijke ingang op straat gezet? Wordt er nu nooit een zuivering gehouden op de kantoren van de grote hulporganisaties? Kunnen de schuldigen, de ratten, die op een schandelijke manier, over de hoofden van de mensen die liggen te kreperen, de schuldigen die hun zakken elke dag maar door blijven volproppen met dollars, kunnen die parasieten nu eens voor een tijdje naar verre, bitter koude oorden in Oost-Rusland worden verbannen?

Rattenkruid. Kan het nóg luguberder? Kan het nóg bizarder? Kan het nóg onsmakelijker? RATTENKRUID....!!