Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/205

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 181 —

proefneming welke wij hierboven beschreven. Het blijkt daarbij, dat de grootte van het beeld, hetwelk van eenig voorwerp op het papier wordt waargenomen, afhankelijk is van twee omstandigheden, als: 1°. van de grootte van dit voorwerp zelf en 2°. van den afstand tusschen dit voorwerp en de lens. Plaatsen wij twee voorwerpen, het een na het ander, op denzelfden afstand van de lens, dan zullen wij uit de grootte van hunne beelden op het papier tot de grootte dier voorwerpen zelve kunnen besluiten. En plaatsen wij hetzelfde voorwerp, of twee gelijke voorwerpen, achtereenvolgens op verschillende afstanden, dan zullen wij naar de grootte van het beeld den afstand kunnen beoordeelen, want hoe grooter deze, hoe kleiner het beeld is.

Zoo is het nu al wederom ook in ons oog het geval. Ook daar zijn de beelden op het netvlies kleiner of grooter, al naarmate de voorwerpen kleiner of grooter, of al naar dat zij verder verwijderd of meer nabij gelegen zijn. De grootte van eenige, alle op denzelfden afstand geplaatste voorwerpen, kunnen wij naar de grootte hunner netvliesbeelden beoordeelen, en, ofschoon onbewust, doen wij dat werkelijk. De afstanden, waarop twee even groote voorwerpen van ons verwijderd zijn; zouden wij ook onderling kunnen vergelijken naar denzelfden maatstaf. Maar indien wij nog niet een ander hulpmiddel daartoe bezaten, hoe zouden wij in staat zijn om, zoo als wij dat ieder oogenblik doen, te oordeelen over afstand en grootte te gelijk? Een kerktoren en een luciferskokertje kunnen twee evengroote beelden in ons oog geven, als de eerste maar juist zoo vele malen verder van ons verwijderd is, als hij grooter is dan het tweede. Was er dus niets, dat ons die ongelijkheid der afstanden deed kennen, dan moesten wij die beide voorwerpen voor even groot houden. Om duidelijk te maken, waarin dit tweede hulpmiddel eigenlijk bestaat, zal ik eene eenvoudige figuur te hulp nemen.

Elk mensch heeft twee oogen, en van één voorwerp ontstaat in elk dier oogen een beeld. Toch zien wij slechts één voorwerp, of met andere woorden, uit dit dubbele beeld besluiten wij tot het aanwezen van slechts één voorwerp buiten ons. Eene zaak verdient hierbij echter in aanmerking te worden genomen: het is, dat die