Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/219

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 195 —

de tegengestelde rigting dezer luchtstroomen gemakkelijk overtuigen, door eene brandende kaars in de opening te houden. In het bovengedeelte ziet men namelijk de vlam naar buiten, in het onderste daarentegen naar binnen gerigt, terwijl men in het midden eene plaats vindt, waar de kaars rustig brandt, omdat de twee luchtstroomen daar tegen elkander opwegen. Is de lucht door den invloed der warmte eenmaal in beweging gebragt, dan kan zij ook uit zich zelve dien toestand van beweging niet veranderen, zoodat zij met dezelfde snelheid en in dezelfde rigting moet voortgaan. De lucht heeft namelijk, even als alle ligchamen die in de natuur voorkomen, de eigenschap die men traagheid noemt; dat is, dat zij onvermogend is om haren toestand, hetzij van rust, hetzij van beweging te veranderen. Is zij dus eenmaal in beweging gebragt, dan moet zij in beweging blijven, en zelfs de rigting harer beweging kan niet veranderen, tenzij dit door eene andere bijkomende kracht geschiede. Wat wij op eene kleine schaal binnen de ruimte onzer vertrekken zien gebeuren, heeft op eene groote schaal in den dampkring onzer aarde plaats, in dat gaz- en dampvormig omhulsel, dat haar van alle zijden omgeeft en dat zij, zoowel bij hare dagelijksche aswenteling, als bij haren omloop om de zon met zich voert. De omstandigheden zijn alleen verschillend.

Wij ontvangen jaarlijks van de zon door straling eene hoeveelheid warmte, waardoor eene laag ijs zou kunnen gesmolten worden, die de aarde ter dikte van 25 of 30 Ned. ellen omhulde; of,—wil men eene andere maat,—om eene stoommachine die meer dan 36 billioenen paardenkrachten uitoefende, gedurende een jaar dag en nacht in beweging te houden. Die warmte wordt deels verbruikt tot het verdampen van water, dat later weder als regen, sneeuw enz. op de aarde valt, deels om den grond, de lucht enz. te verwarmen. Zij wordt echter zeer ongelijkmatig over de oppervlakte der aarde verdeeld. In de landen tusschen de keerkringen namelijk, waar de zon op den middag bijna loodregt hare stralen schiet, is de verwarming het grootst, en zij wordt des te minder, naarmate de zonnestralen de oppervlakte van den grond in eene schuinere rigting treffen, zoodat zij in de poolstreken, waar de zonnestralen die op-