Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/222

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 198 —

Die opstijgende stroom onder den evenaar moet echter een voortdurenden toevoer van lucht ten gevolge hebben, even zoo als de zeewind de plaats der boven het land opgerezene lucht inneemt. Die toevoer heeft zoowel van de noord- als van de zuidzijde van den evenaar plaats, zoodat er aan de oppervlakte, van uit de beide gematigde aardgordels, steeds lucht naar den evenaar stroomt. Deze stroomen, die meer bepaaldelijk op de zeeën tusschen de keerkringen worden, gevonden, zijn onder den naam van passaatwinden bekend. Ten noorden van de streek der stilten is de rigting van den passaat nagenoeg noordoostelijk, ten zuiden van die streek ten naastenbij zuidoostelijk, waarom deze winden ook wel noordoost- en zuidoostpassaten genoemd worden. De rigting dezer luchtstroomen was oorspronkelijk zuid- en noordwaarts, naar den evenaar toe, en wij moeten thans nagaan, waardoor zij van rigting veranderen.

Bij de dagelijksche wenteling der aarde om hare as, beschrijft elk punt harer oppervlakte een cirkel; maar die cirkels zijn niet even groot. De punten onder den evenaar, die het verst van de omwentelings-as verwijderd zijn, doorloopen in een etmaal den grootsten cirkel, en die cirkels worden des te kleiner, naarmate een punt nader bij de polen gelegen is, zoodat zij voor die polen zelve gelijk nul worden. Daar echter al die cirkels in denzelfden tijd, dat is in 24 uren, worden doorloopen, is ook de snelheid van omwenteling voor punten, die op verschillende afstanden van den evenaar gelegen zijn, zeer onderscheiden. Stroomt er nu lucht uit de gematigde streken, b.v. van het noordelijk halfrond, naar den evenaar, dat is, van eene plaats, die langzaam omwentelt, naar eene andere die eene grootere omwentelingssnelheid bezit, dan heeft de lucht niet aanstonds die grootere omwentelingssnelheid, welke de voorwerpen bezitten, welke nader bij den evenaar zijn; dat is, die lucht gaat niet zoo snel oostwaarts. De voorwerpen doorklieven dus, met hunne oostzijden, den van het noorden komenden luchtstroom, en vandaar dat deze stroom eene noordoostelijke rigting schijnt te hebben. Op het zuidelijk halfrond heeft hetzelfde plaats; de uit het zuiden naar den evenaar gaande luchtstroom ontmoet voorwerpen, die eene grootere oostwaartsche omwentelingssnelheid hebben dan die stroom, en