Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/243

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 219 —

teugel losliet; doch naauwelijks was het paard aan gene zijde der beek, of het liep naar zijnen geleider, die den teugel weder in den bek nam.

Een landeigenaar in de omstreken van Southampton, had mede eenen grooten New-foundlandschen hond, die vriendschap met een paard had gesloten. Eens gebeurde het, toen de hond op eigen gelegenheid ter jagt was gegaan, dat hij met een' zijner pooten in eenen strik gevangen raakte. Na lang rukken gelukte het hem wel het touw te breken, waaraan de strik bevestigd was, maar van dezen laatste zelve kon hij zich niet bevrijden. Toen zag men hem huikend zich hinkend naar het paard begeven, dat in eene naburige omheining liep grazen, om dit bekend te maken met het hem overkomen ongeval. Het paard bukte zachtkens het hoofd tot den hond, en deze likte het den neus, terwijl het den gekwetsten poot opligtte, als om zijne hulp in te roepen. Dadelijk begon het paard zijn best te doen om den strik met zijne tanden los te maken, doch, gelijk zich ligt begrijpen laat, zonder goed gevolg.

Onder de reeds medegedeelde voorbeelden zijn er eenige, waarin de handelingen van paarden getuigen, dat hun eene zekere mate van oordeel, dat is, van het vermogen om het verband te erkennen tusschen oorzaken en gevolgen, geenszins geheel ontbreekt. Bekend is het verder, dat men aan paarden eene menigte verschillende kunststukjes kan leeren, die, wat de verrigtingen zelve betreft, inderdaad nog veel verwonderlijker zijn zouden, indien daarbij niet tevens bleek, dat het dier deze uitvoert zonder iets van de eigenlijke bedoeling te begrijpen, en, geholpen door zijn geheugen, daartoe alleen hetzij door vrees voor straf of hoop op belooning gedreven wordt. Doch er zijn toch ook gevallen, die bewijzen, dat paarden sommige handelingen verrigten, welke hun niet zijn aangeleerd, en waartoe zij alleen kunnen gebragt zijn door het gadeslaan van de handelingen der menschen.

Zoo verhaalt Lord brougham, dat hij eene poney heeft gekend, die de gewoonte had aangenomen, zelf de klink op te ligten van de deur van zijnen stal, en desgelijks het deksel van de haverkist. Nog merkwaardiger is het volgende geval. Iemand te Leeds bezat