Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/281

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

EEN WANKLANK

IN

DE HARMONIE DER SCHEPPING.

DOOR

Dr. D. LUBACH.

 

 

Wanneer wij de geschiedenis van het leven der dieren, van hunne geboorte af tot aan hunnen dood toe, in al hare bijzonderheden nagaan, onze opmerkzaamheid daarbij vestigende op hun zamenstel en hunne daarmede in de volkomenste overeenstemming staande leefwijze,—op hunne vermogens en vatbaarheden,—op hunne behoeften en de middelen die zij ter bevrediging derzelve bezitten,—op hunne neigingen en hartstogten,—en eindelijk op het genot en het leed, dat zij ten gevolge der lotwisselingen van hun doorgaans vrij gelijkmatig daarheen vloeijend leven te wachten hebben,—dan worden wij gebragt tot de overtuiging, dat de Schepper ook voor hen met liefde gezorgd heeft, en dat hun leven, over het geheel genomen, een leven van genot mag genoemd worden. Valt ons dit, uit den aard der zaak, het duidelijkst in het oog bij de waarneming van het leven dier hoogere dieren, welke ons van allen het naaste staan, en wier wel en wee wij dus het best beoordeelen kunnen;—alles, wat wij van de levenswijze der lagere dieren weten, doet ons ook omtrent deze tot hetzelfde besluit komen, of levert ons althans geene daadzaken op, welke ons zouden beletten om, op grond eener zeer natuurlijke en verdedigbare gevolgtrekking, ook hun een geluk toe te kennen, dat wij de hoogere dieren zoo ruimschoots zien genieten. Zeker is dat geluk niet ongestoord; kreten van angst en smart wisselen vaak de toonen af, die het genot ontlokt; maar die kreten zijn de uitdrukkingen van een,