Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/29

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 5 —

Wij stevenen er heen. Stelt u verder voor dat wij voet aan wal zetten in het jaargetijde, waarin wij weten dat in het moederland de winter zijn gebied voert, wanneer eene ijsschors de stroomen, een sneeuwkleed de velden bedekt, alle boomen ontbladerd zijn, geene bloem nog ontloken is. Hier daarentegen vinden wij eene lagchende natuur, welig groen, velerlei gewassen met prachtig gekleurde bloemen, waaronder wij al spoedig er eenige bemerken, die oude kennissen schijnen te zijn. Inderdaad wij bewonderden ze reeds te huis, waar zij als zeldzaamheden met veel moeite en groote kosten in verwarmde kasten gekweekt worden, en van tijd tot tijd de aan hen besteede zorgen beloonen, door het te voorschijn komen van eenige spaarzame bloemen. Hoe geheel anders vertoonen echter diezelfde gewassen zich hier in hunnen vrijen natuurstaat! Die, welke wij tot hiertoe zagen, zijn slechts hunne miniatuur-afbeeldsels, zij zijn gebrekkelijke kinderen in vergelijking hunner meer gelukkige zusters, die de keerkringszon nog koestert,—zij zijn het dwergenkroost van het reuzengeslacht.

Eene opmerking, welke ieder moet treffen, die voor het eerst een keerkringsgewest bezoekt, is de groote verscheidenheid der planten, welke hij ziet groeijen. In de gematigde en koude luchtstreken leven de individus van eene en dezelfde soort zeer dikwerf gezellig bij een. Men denke slechts aan onze uitgestrekte gras- en heidevelden, aan de bosschen van denne- en pijnboomen, die vooral in het noorden en oosten uitgebreide streken gronds beslaan.

In de keerkringsgewesten is dit anders. Daar groeijen tallooze vormen in bonte verscheidenheid dooreen; gemiddeld kan men rekenen, dat op dezelfde oppervlakte gronds, waarop in Europa 1000 verschillende soorten wonen, men er 3 à 4000 in de keerkringsgewesten zal aantreffen. Dat deze groote afwisseling van vormen aan het geheele tooneel meer leven bijzet en den indruk daarvan verhoogt, gevoelt elk. Maar, vraagt men welligt, zijn er onder die talrijke plantenvormen geene, die eenige gelijkheid hebben met die onzer luchtstreek? Voorzeker. Het is geenszins eene zeldzaamheid hier vormen aan te treffen, welke herinneren aan overeenkomstige vormen in het vaderland. Er zijn plantenfamiliën,—dat zijn groote