Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/297

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 273 —

zij bezitten, welke de verrassendste overeenkomst aanbiedt. Wij zullen hiervan zoo aanstonds bewijzen ontvangen.

Evenmin als men de diepte of hoogte der lucht met naauwkeurigheid kent, zoo min weet men de diepte des oceaans. Dat evenwel de eerste verreweg de laatste zal overtreffen, voor deze onderstelling pleiten én de bijzondere eigenschappen der beide stoffen én de tot hiertoe reeds gedane onderzoekingen.

De verschijnselen der schemering en de wetten der straalbreking hebben de grenzen van den dampkring tot op meer dan twaalf uren afstands van de aarde doen stellen, terwijl de diepte der zee waarschijnlijk zich niet veel verder onder hare oppervlakte uitstrekt, dan de hoogte van den hoogsten berg boven de oppervlakte der zee bedraagt: dat is derhalve ruim een en een half uur.

De luchtzee rust op den oceaan en op de vaste aardkorst, van waar tallooze rotsen, bergketens, of aanzienlijke bergvlakten, hunne kruinen in den dampkring verheffen. Deze verhevenheden zijn dus aan te merken als zoovele ondiepten, die met planten, kruiden, en bosschen bezet zijn. Zoo ook rust de waterzee op een bodem, bezet met zandbanken, schakels van rotsen en eilanden, welke laatste hier en daar als zoovele oasen met een altijddurend groen zijn getooid. Deze verhevenheden op den zeebodem maken de ondiepten in den oceaan uit.

Wat den graad van warmte betreft, bij beide stoffen ontmoet men overeenkomstige wetten, volgens welke de warmtegraad verandert, wanneer men zich op- of nederwaarts beweegt, boven of beneden de grens, die den dampkring van het water scheidt, dat is, indien men zich verplaatst boven of onder de oppervlakte der zee. De warmte der lucht neemt af, naarmate men zich, hetzij door het beklimmen van bergen, hetzij door middel van den luchtbol, hooger in den dampkring verheft, en deze met de hoogte toenemende koude wordt hoofdzakelijk voortgebragt door het gemis der van de aarde teruggekaatste warmte. Op dergelijke wijze is het in den oceaan gesteld. Hoe dieper men onder het watervlak afdaalt, hoe kouder het water wordt. Er is echter ééne omstandigheid, die deze stelling niet ten volle waar maakt. Eene bijzondere eigenschap van het water is namelijk oor-